HR, 27-04-2007, nr. R07/048HR
ECLI:NL:HR:2007:BA2508
- Instantie
Hoge Raad (Civiele kamer)
- Datum
27-04-2007
- Zaaknummer
R07/048HR
- LJN
BA2508
- Vakgebied(en)
Gezondheidsrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:PHR:2007:BA2508, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 27‑04‑2007
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2007:BA2508
ECLI:NL:HR:2007:BA2508, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), 27‑04‑2007; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2007:BA2508
- Wetingang
- Vindplaatsen
BJ 2007/17
BJ 2007/17
Conclusie 27‑04‑2007
Inhoudsindicatie
Bopz, afgewezen verzoek tot verlening van een voorlopige machtiging; onjuiste maatstaf.
R07/048HR
Mr. F.F. Langemeijer
Parket, 6 april 2007
Conclusie inzake:
Officier van Justitie te Rotterdam
tegen
[Verweerder]
In deze BOPZ-zaak komt de officier van justitie op tegen de weigering van een voorlopige machtiging.
1. De feiten en het procesverloop
1.1. Bij inleidend verzoekschrift van 7 december 2006 heeft de officier van justitie in het arrondissement Rotterdam aan de rechtbank aldaar verzocht een voorlopige machtiging te verlenen tot het doen opnemen en verblijven van gerekestreerde in cassatie (hierna: betrokkene) in een psychiatrisch ziekenhuis. Bij het verzoek was een geneeskundige verklaring gevoegd, op 6 december 2006 opgemaakt door een niet bij de behandeling betrokken psychiater.
1.2. De rechtbank heeft het verzoek mondeling behandeld op 11 december 2006. Hierbij waren aanwezig: betrokkene(1) en zijn advocaat, een medewerker van een sociaal-pedagogisch adviesbureau en de behandelaar in de Rijksinrichting voor jeugdigen "de Hartelborgt" te Spijkenisse waar betrokkene op dat moment verbleef.
1.3. Bij beschikking van diezelfde datum heeft de rechtbank het verzoek van de officier van justitie afgewezen. De rechtbank stelde vast dat betrokkene lijdende is aan een stoornis van de geestvermogens. Uit het verhoor is volgens de rechtbank echter onvoldoende gebleken "dat er sprake is van onmiddellijk dreigend gevaar in de zin van artikel 20 van de wet BOPZ".
1.4. Namens de officier van justitie is tijdig beroep in cassatie ingesteld. In cassatie is geen verweer gevoerd.
2. Bespreking van het cassatiemiddel
2.1. De rechtsklacht houdt in dat de rechtbank heeft miskend dat het onderhavige verzoek tot het verlenen van een voorlopige machtiging dient te worden beoordeeld op de voet van art. 2 Wet Bopz en niet op die van art. 20. Art. 2 Wet Bopz stelt niet de eis dat sprake is van een onmiddellijk dreigend gevaar.
2.2. De klacht is gegrond. De rechtbank heeft vermoedelijk zich vergist. Het inleidend verzoek van de officier van justitie strekte tot verlening van een voorlopige machtiging als bedoeld in art. 2 Wet Bopz. Art. 2 lid 2 Wet Bopz vereist dat de stoornis van de geestvermogens de betrokkene gevaar doet veroorzaken en dat het gevaar niet door tussenkomst van personen of instellingen buiten een psychiatrisch ziekenhuis kan worden afgewend. Voor toepassing van art. 2 Wet Bopz is niet vereist dat het gevaar onmiddellijk dreigend is. Het begrip `gevaar' is, voor wat zijn aard betreft, omschreven in art. 1, lid 1 onder f, Wet Bopz. Gevaar is te verstaan als: de kans op onheil. Het moet daarbij gaan om een voldoende ernstig gevaar. Dit heeft twee aspecten: enerzijds de mate van waarschijnlijkheid dat het gevreesde onheil intreedt en anderzijds de ernst van de gevolgen indien het gevreesde onheil zich verwezenlijkt. De wetgever heeft het eerste aspect als volgt onder woorden gebracht: "Gevaar" is er niet pas, wanneer het onheil waarschijnlijk is; anderzijds is het er ook niet reeds wanneer het slechts mogelijk is. Vereist is een enigszins belangrijke mogelijkheid, een ernstige mogelijkheid."(2)
2.3. Voor een inbewaringstelling (vgl. art. 20, lid 2 onder c, Wet Bopz) is nodig dat het gevaar zo onmiddellijk dreigend is dat toepassing van paragraaf 1 van hoofdstuk II Wet Bopz niet kan worden afgewacht. Een inbewaringstelling is een spoedeisende maatregel. Met betrekking tot de inbewaringstelling (in het ontwerp van wet nog `spoedopneming' genaamd) vermeldt de toelichting:
"De ondergetekenden merken hierbij op, dat zij de spoedopneming als een noodmaatregel zien. Het is een soort ingrijpen van overheidswege, in wezen vreemd aan de overheidszorg op het gebied van de (geestelijke) volksgezondheid. De mogelijkheid tot zodanig ingrijpen kan echter niet worden gemist. Er kunnen zich gevallen voordoen, dat iemand in een acute crisis-situatie komt te verkeren, waarin hij gevaarlijk is voor zichzelf of voor anderen, of waarin hij nauwelijks is af te houden van het begaan van een gemeen-gevaarlijk misdrijf. In dergelijke gevallen, maar ook alleen dan zal tot toepassing van de noodmaatregel worden overgegaan. In alle andere gevallen zal de procedure voor het verkrijgen van een voorlopige machtiging moeten worden gevolgd. Het karakter van noodmaatregel brengt ook mee, dat de geldigheidsduur zo beperkt mogelijk moet worden gehouden."(3)
2.4. De rechtbank is derhalve uitgegaan van een verkeerde maatstaf. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de bestreden beschikking niet in stand kan blijven. De subsidiaire motiveringsklacht behoeft geen bespreking meer.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing van de zaak naar de rechtbank te Rotterdam.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
1 Volgens de beschikking is ook betrokkene zelf gehoord; in het proces-verbaal van de zitting wordt betrokkene niet onder de aanwezigen vermeld.
2 MvT, Kamerstukken II 1970/71, 11 270, nr. 3, blz. 12. Zie ook de nadere MvA, Kamerstukken II 1979/80, 11 270, nr. 12, blz. 17-18. Zie over het gevaarscriterium onder meer: De Wet Bopz, artikelsgewijs commentaar, losbl., aant. 3.2 op art. 2 (W. Dijkers); P. van Ginneken, Het gevaarscriterium bij onvrijwillige opneming in een psychiatrisch ziekenhuis, MGv 1994, blz. 651-667. Voor een voorbeeld: HR 27 februari 1998, NJ 1998, 547.
3 MvT, Kamerstukken II 1970/71, nr. 3, blz. 15. Zie ook: De Wet Bopz, artikelsgewijs commentaar, losbl., aant. 1B op art. 20 (W. Dijkers).
Uitspraak 27‑04‑2007
Inhoudsindicatie
Bopz, afgewezen verzoek tot verlening van een voorlopige machtiging; onjuiste maatstaf.
27 april 2007
Eerste Kamer
Rek.nr. R07/048HR
RM/MK
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
DE OFFICIER VAN JUSTITIE IN HET ARRONDISSEMENT ROTTERDAM,
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. D. Stoutjesdijk,
t e g e n
[Verweerder],
wonende te [woonplaats], thans verblijvende te RIJ de Hartelborgt, te Spijkenisse,
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.
1. Het geding in feitelijke instantie
De officier van justitie in het arrondissement Rotterdam heeft bij een, op 7 december 2006 ter griffie van de rechtbank aldaar ingekomen, verzoekschrift een voorlopige machtiging verzocht tot het doen opnemen en verblijven van verweerder in cassatie - verder te noemen: betrokkene - in een psychiatrisch ziekenhuis.
Ter zitting van de rechtbank van 11 december 2006 zijn betrokkene, bijgestaan door zijn advocaat, een medewerker van een sociaal-pedagogisch adviesbureau en de behandelaar in de Rijksinrichting voor jeugdigen "de Hartelborgt" te Spijkenisse en de behandelend psychiater gehoord.
Bij beschikking van diezelfde datum heeft de rechtbank het verzoek van de officier van justitie afgewezen. De beschikking van de rechtbank is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van de rechtbank heeft de officier van justitie beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
Betrokkene heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing van de zaak naar de rechtbank te Rotterdam.
3. Beoordeling van het middel
3.1 De rechtbank heeft het verzoek van de officier van justitie tot het verlenen van een voorlopige machtiging tot het doen opnemen en verblijven van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis afgewezen op de grond dat uit het verhoor onvoldoende was gebleken dat er sprake was van "onmiddellijk dreigend gevaar" in de zin van art. 20 Wet Bopz.
3.2 Het middel klaagt onder 2.1 en 2.2 terecht dat de rechtbank heeft miskend dat het inleidende verzoek - nu dit strekt tot het verlenen van een voorlopige machtiging - diende te worden beoordeeld op de voet van art. 2 Wet Bopz, dat onder meer bepaalt dat een voorlopige machtiging slechts kan worden verleend indien naar het oordeel van de rechter de stoornis van de geestvermogens de betrokkene gevaar doet veroorzaken.
3.3 Het vorenoverwogene brengt mee dat de bestreden beschikking niet in stand kan blijven en het middel voor het overige geen behandeling behoeft. Na verwijzing zal moeten worden onderzocht of het inleidende verzoek alsnog kan worden toegewezen.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de beschikking van de rechtbank te Rotterdam van 11 december 2006;
verwijst het geding naar die rechtbank ter verdere behandeling en beslissing.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren J.C. van Oven, F.B. Bakels, C.A. Streefkerk en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.B. Bakels op 27 april 2007.