Einde inhoudsopgave
Speaking the same language (AN nr. 181) 2023/2.5.8.2.4
2.5.8.2.4 Bepaalbaarheid van objecten van ‘fiduciary’ powers of appointment en discretionary trusts met betrekking tot de afdwingbaarheid van hun rechten
mr. K.R. Filesia, datum 25-09-2023
- Datum
25-09-2023
- Auteur
mr. K.R. Filesia
- JCDI
JCDI:ADS717349:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
G. Virgo, The Principles of Equity & Trusts, Oxford: Oxford University Press 2020, p. 433.
G. Virgo, The Principles of Equity & Trusts, Oxford: Oxford University Press 2020, p. 433. P. Matthews e.a., Underhill & Hayton. The Law of Trusts and Trustees, London: Butterworths/LexisNexis 2022, p. 42-43; C.C.J Mitchell, P.B. Matthews & D.J. Hayton, Underhill & Hayton. The Law of Trusts and Trustees, London: Butterworths/LexisNexis 2016, p. 48 en p. 357-358; D.J. Hayton, ‘The irreducible core content of trusteeship’ in: A.J. Oakley, Trends in Contemporary Trust Law, Oxford: Clarendon Press 1997, p. 49.
McPhail v Doulton [1971] AC 424; G. Virgo, The Principles of Equity & Trusts, Oxford: Oxford University Press 2020, p. 433; D.J. Hayton, ‘The irreducible core content of trusteeship’ in: A.J. Oakley, Trends in Contemporary Trust Law, Oxford: Clarendon Press 1997, p. 49.
McPhail v Doulton [1971] AC 424; S. Gardner, An Introduction To the Law of Trusts, Oxford: Oxford University Press 2011, p. 163 en p. 168; G. Thomas & A. Hudson, The Law of Trusts, Oxford: Oxford University Press 2010, p. 338-341; J.G. Riddall, The Law of Trusts, Oxford: Oxford University Press 2002, p. 271-273.
McPhail v Doulton [1971] AC 424; J. Glister & J. Lee, Hanbury & Martin. Modern Equity, London: Sweet & Maxwell 2021, p. 89-90; S. Gardner, An Introduction To the Law of Trusts, Oxford: Oxford University Press 2011, p. 163; G. Thomas & A. Hudson, The Law of Trusts, Oxford: Oxford University Press 2010, p. 338-341; J.G. Riddall, The Law of Trusts, Oxford: Oxford University Press 2002, p. 271-273.
In Re Manisty’s Settlement [1974] 1 Ch 17 [25]; G. Virgo, The Principles of Equity & Trusts, Oxford: Oxford University Press 2020, p. 433. In het Anglo-Amerikaanse recht is aan een object van een power geen recht op informatie over zijn status toegekend, aangezien aan een trustee trustrechtelijke verplichtingen zijn opgelegd die een donee van een power niet heeft en een potentiële beneficiary door zijn potentieel belang in het trustfonds rechten kan uitoefenen die een object van een power niet heeft. Zie hiervoor: J. Glister & J. Lee, Hanbury & Martin. Modern Equity, London: Sweet & Maxwell 2021, p. 89-90 en p. 189-190; D.J. Hayton, ‘The irreducible core content of trusteeship’ in: A.J. Oakley, Trends in Contem-porary Trust Law, Oxford: Clarendon Press 1997, p. 50-52.
Re Gestetner Settlement [1953] Ch 672. Zie ook: J.E. Penner, The Law of Trusts, Oxford: Oxford University Press 2019, p. 82-83; J.E. Penner, The Law of Trusts, Oxford: Oxford University Press 2022, p. 119-125; P. Matthews e.a., Underhill & Hayton. The Law of Trusts and Trustees, London: Butterworths/LexisNexis 2022, p. 42-43; S. Gardner, An Introduction To the Law of Trusts, Oxford: Oxford University Press 2011, p. 163-164 en p. 166-167; G. Thomas & A. Hudson, The Law of Trusts, Oxford: Oxford University Press 2010, p. 336.
Alhoewel de objecten van een ‘mere personal’ power of appointment met betrekking tot de uitoefening van de power geen rechten heeft, is het vereiste van ‘certainty of objects’ dat voor ‘mere fiduciary’ power of appointment in dit kader geldt, mutatis mutandis van toepassing op de ‘mere personal’ power of appointment.
Re Gestetner Settlement [1953] Ch 672; Re Gulbenkian’s Settlements Trusts [1970] AC 508; J. Glister & J. Lee, Hanbury & Martin. Modern Equity, London: Sweet & Maxwell 2021, p. 52; S. Gardner, An Introduction To the Law of Trusts, Oxford: Oxford University Press 2011, p. 169-170; J.G. Riddall, The Law of Trusts, Oxford: Oxford University Press 2002, p. 271-273.
McPhail v Doulton [1971] AC 424; J. Lee, Hanbury & Martin. Modern Equity, London: Sweet & Maxwell 2021, p. 89-90; G. Thomas & A. Hudson, The Law of Trusts, Oxford: Oxford University Press 2010, p. 337.
Re Gestetner Settlement [1953] Ch 672; Re Gulbenkian’s Settlements Trusts [1970] AC 508; McPhail v Doulton [1971] AC 424.
In de vorige paragraaf is duidelijk geworden dat uitsluitend objecten van ‘mere fiduciary’ powers en potentiële beneficiaries van discretionary trusts rechten hebben die vóór de uitoefening van de aan de donee c.q. de trustee verleende bevoegdheden, in rechte kunnen worden afgedwongen. Willen objecten van een ‘mere fiduciary’ power of appointment of potentiële beneficiaries van een discretionary trust naar Anglo-Amerikaans recht hun verworven rechten daadwerkelijk uitoefenen, dan dient het duidelijk en bepaalbaar te zijn welke personen tot de groep der objecten c.q. potentiële beneficiaries behoren. In dit kader speelt het vereiste van ‘certainty of objects’ – naast zijn toepassing als constitutief vereiste voor de totstandkoming van de trust – een doorslaggevende rol.
Terwijl potentiële beneficiaries bij de totstandkoming van een discretionary trust de in voorgaande paragraaf besproken rechten verwerven, zijn zij in beginsel niet bekend met hun status als potentiële beneficiaries. Dat is an sich niet ongebruikelijk, gelet op het feit dat het trustdocument bij welke een discretionary trust is ingesteld, niet openbaar is.1 Dientengevolge heeft de trustee in beginsel een zekere informatieplicht jegens de potentiële beneficiaries en dient hij hen aldus van hun rechten in kennis te stellen.2 Teneinde te voldoen aan de voornoemde informatieplicht, vereist het Anglo-Amerikaanse recht dat de trustee – door middel van een degelijk onderzoek naar de potentiële beneficiaries – een redelijk overzicht heeft van de personen die aangemerkt kunnen worden als potentiële beneficiaries.3 In casu behoeft de trustee niet noodzakelijkerwijs een complete lijst op te stellen, doch moet hij aan de hand van specifieke objectieve kenmerken precies kunnen bepalen welke personen al dan niet tot de groep der potentiële beneficiaries behoren.4 Daarnaast moet een dergelijk onderzoek voor de trustee praktisch uitvoerbaar zijn.5 Zolang de trustee potentiële beneficiaries op basis van een duidelijke omschrijving kan vaststellen en er sprake is van een praktisch uitvoerbaar onderzoek, wordt er in dit kader voldaan aan het vereiste van ‘certainty of objects’.
Saillant detail is dat naar Anglo-Amerikaans recht aangenomen wordt dat de donee – anders dan een trustee in het geval van discretionary trusts – jegens objecten van een ‘mere fiduciary’ power of appointment, geen informatieplicht heeft.6 Dit brengt met zich dat de donee onderzoek moet verrichten naar de objecten van de desbetreffende power, doch het vereiste van ‘certainty of objects’ is in dat geval minder stringent.7/8 Indien objecten in het kader van een ‘mere fiduciary’ power of appointment afdwingbare rechten hebben, is doorslaggevend dat de donee zich op het tijdstip van de uitoefening van de aan hem verleende power, ervan vergewist dat de persoon die hij wil aanwijzen als verkrijger van het goed, al dan niet behoort tot de groep der objecten van de power.9 Het Anglo-Amerikaanse recht vereist echter niet dat het door de donee uitgevoerde onderzoek voor hem praktisch uitvoerbaar dient te zijn.10 In het Anglo-Amerikaanse recht wordt de toets voor het voldoen aan het vereiste van ‘certainty of objects’ – of het een discretionary trust of een ‘mere fiduciary’ power of appointment betreft – ook wel aangeduid als de ‘is or is not test’.11 Al hetgeen reeds is uiteengezet over trusts en powers kan schematisch als volgt worden weergegeven: