Einde inhoudsopgave
De positie van de vennootschap onder firma (IVOR nr. 97) 2016/11.1
Paragraaf 11.1 Inleiding
mr. P.P.D. Mathey-Bal, datum 28-09-2015
- Datum
28-09-2015
- Auteur
mr. P.P.D. Mathey-Bal
- JCDI
JCDI:ADS389494:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Personenvennootschappen
Voetnoten
Voetnoten
Rapport Human Rights Council 2011.
Rechter Walsh in zijn dissenting opinion bij EHRM 24 oktober 1995, 14807/89 (Agrotexim e.a./Griekenland(1)).
Petersmann 2001.
Zie EHRM 26 april 1979, 6538/74, NJ 1980/146 (Sunday Times/Verenigd Koninkrijk).
‘Human rights laws delay energy cases, says Ofgem’, BBC 15 november 2011. Rechtszaken tegen energiemaatschappijen zouden steeds langer duren omdat die maatschappijen zich beroepen op mensenrechten.
‘Justices, 5-4, Reject corporate spending limit’, New York Times 21 januari 2010.
Kamerstukken II 1975/76, 13872, 3, p. 11 (MvT).
Zie bijv. Mayer 1990; Barendt 2007, p. 422-423; Janis, Kay & Bradley 2000, p. 200.
Zie bijv. Emberland 2006, p. 10.
Dit hoofdstuk is voor een belangrijk deel gebaseerd op mijn artikel: Mathey-Bal 2013.
De steeds belangrijkere rol die vennootschappen spelen in de samenleving brengt een zekere verantwoordelijkheid met zich om te zorgen dat mensenrechten door hen worden gerespecteerd. De Verenigde Naties hebben daarom een aantal richtlijnen opgesteld (UN’s Guiding principles on business and human rights) die gelden voor alle bedrijven, ongeacht grootte, sector, locatie, eigendom en structuur.1 Omdat vennootschappen, in de woorden van rechter Walsch, ‘neither a soul to be damned nor a body to be beaten’2 hebben, is het soms moeilijk voor te stellen dat zij niet alleen verantwoordelijkheden hebben, maar ook bescherming genieten op grond van mensenrechten. Dit wordt al beter voorstelbaar wanneer men spreekt van grondrechten en zich realiseert dat grondrechten cruciaal zijn voor economische ontwikkeling. Zo zou geen vennootschap graag investeren als de staat het recht had om eigendom zonder meer te onteigenen en zouden geschillen onoplosbaar zijn als vennootschappen geen toegang hadden tot een eerlijk proces.3 Bovendien zou de betekenis van sommige grondrechten tamelijk beperkt zijn als vennootschappen er geen beroep op konden doen. Zo worden meningen vaak geuit via kranten en televisiekanalen, die veelal in handen zijn van vennootschappen. Zouden zij dan geen bescherming genieten op grond van de vrijheid van meningsuiting, wat als een van de essentiële fundamenten van een democratische rechtsstaat wordt gezien,4 dan wordt de maatschappelijke discussie die door de vrije uiting van meningen op gang zou moeten komen, een halt toegeroepen.
Dat vennootschappen daadwerkelijk gebruik maken van hun recht om de bescherming van hun grondrechten in te roepen bij de rechter, blijkt wel als men de media erop na slaat. Zo kopte de BBC: ‘Human rights laws delayenergy cases, says Ofgem’5 en is in de Verenigde Staten de ‘corporate spendinglimit’ aan politieke steun in strijd geoordeeld met de grondrechten.6
Bij de totstandkoming van diverse grondwetten is aandacht besteed aan grondrechten voor vennootschappen. Zo blijkt uit de memorie van toelichting bij onze grondwet van 1983 dat de grondwet ook geldt voor rechtspersonen en entiteiten zonder rechtspersoonlijkheid:7
‘Allereerst valt op, dat verschillende van zowel de bestaande als de voorgestelde grondrechtenartikelen door het woordgebruik («Allen die», «Ieder», «Niemand») primair aan natuurlijke personen doen denken. Toch is het niet de bedoeling de werking van de grondrechten tot hen te beperken. De voorgestelde bepalingen beogen ook aan rechtspersonen en aan groepen en organisaties zonder rechtspersoonlijkheid rechten en aanspraken te verlenen voor zover dat naar de aard van het betreffende grondrecht zin kan hebben.’
Ook in andere landen zijn rechten van vennootschappen grondwettelijk beschermd. Zo staat in art. 19 lid 3 van het Duitse Grundgesetz dat grondrechten ook toekomen aan rechtspersonen:
‘Die Grundrechte gelten auch für inländische juristische Personen, soweitsie ihrem Wesen nach auf diese anwendbar sind.’
Het recht van politieke, commerciële en negatieve meningsuiting uit het Eerste Amendement bij de grondwet van de Verenigde Staten geldt ook voor ondernemingen.8
Grondrechten worden daarnaast steeds meer gevormd door internationale instituties als het Europees Hof voor de rechten van de mens (hierna: EHRM). De ontwerpers van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) hebben weinig aandacht besteed aan vennootschappen,9 maar dit neemt niet weg dat ook vennootschappen die de nationale rechtsmiddelen hebben uitgeput kunnen klagen bij het EHRM vanwege een schending van hun fundamentele rechten. De voorwaarden waaronder een vennootschap kan klagen bij het EHRM bespreek ik hierna in de paragrafen 2 (het zijn van ‘slachtoffer’) en 3 (de aard van het recht). Vervolgens beantwoord ik ten aanzien van een aantal specifieke grondrechten de vraag of een VOF en/of een individuele vennoot daarop een beroep kan doen.10 Omdat vennootschappelijke goederen onmisbaar kunnen zijn voor het exploiteren van de onderneming en de rechten met betrekking tot deze goederen daarom voldoende gewaarborgd dienen te worden, ga ik in paragraaf 4 in op de bescherming van eigendom. De vrijheid van meningsuiting en het recht op onschendbaarheid van de woning komen achtereenvolgens aan bod in de paragrafen 5 en 6. Ik sluit in paragraaf 7 af met een conclusie en aanbevelingen.