Einde inhoudsopgave
Ambtshalve toepassing van EU-recht (BPP nr. XIV) 2012/1.3.1
1.3.1 Onpartijdigheid van de rechter
Mr. A.G.F. Ancery, datum 01-08-2012
- Datum
01-08-2012
- Auteur
Mr. A.G.F. Ancery
- JCDI
JCDI:ADS305837:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Waarover: Smits 2008; Van Dijk c.s. 2006; Jacobs & White 2006; Vande Lanotte & Haeck 2004; Kuijer 2004; Ter Voert & Kuppens 2002.
Vgl. Kuijer 2004, p. 211.
Kuijer 2004, p. 303.
Vgl. EHRM 27 januari 2004, appl. nr. 73797/01 (Kyprianou), pt. 38-42. Hierover ook: Van Dijk c.s. 2006, p. 616.
Van Dijk c.s. 2006, p. 616; De Smet, Lathouwers & Rimanque 2004, p. 515 e.v.; Kuijer 2004, p. 304; er Voert & Kuppens 2002, p. 6 en 14.
Smits 2008, p. 307; De Smet, Lathouwers & Rimanque 2004, p. 497, 502-503; Kuijer 2004, p. 304; Ter Voert & Kuppens, p. 6 en 14. Vgl. ook: EHRM 5 februari 2009, appl. nr. 22330/05 (Olujic); EHRM 16 december 2003, appl. nr. 57067/00 (Grieves), pt. 69; EHRM 25 november 1993, Serie A, vol. 279 (Holm), pt. 30-33; EHRM 26 februari 1993, Serie A, vol. 257-b (Padovani), pt. 27; EHRM 14 mei 1989, Serie A, vol. 154 (Hauschildt); EHRM 1 oktober 1982, Serie A, vol. 53 (Piersack), pt. 30.
EHRM 25 november 1993, Serie A, vol. 279 (Holm), pt. 30-33; EHRM 26 februari 1993, Serie A, vol. 257-b (Padovani), pt. 27; EHRM 24 mei 1989, Serie A, vol. 154 (Hauschildt).
9.
De vaststelling van de burgerlijke rechten en plichten dient te worden verricht door een onafhankelijke, onpartijdige en bij de wet ingestelde rechter.1 Of de rechter onpartijdig is, kan niet in het algemeen worden beoordeeld, maar moet naar de concrete omstandigheden van het geval worden bezien.2 Partijdigheid gaat uit van een bij de rechter aanwezige neiging om één van de procespartijen ten opzichte van haar wederpartij te begunstigen. Het is aan de rechter om te waken voor een dergelijke houding. Onpartijdigheid dient te worden betracht, niet alleen ten opzichte van partijen, maar ook ten opzichte van het voorwerp van het geschil. De rechter mag op geen enkele wijze blijk geven van een persoonlijke voorkeur of van een bij het geschil betrokken eigen belang.3
10.
Een rechter wordt uit hoofde van zijn aanstelling vermoed onpartijdig te zijn.4 Het kan echter voorkomen dat de waardering van de voorliggende feiten en omstandigheden – bijvoorbeeld uitlatingen ter zitting, inhoud van communicatie met partijen buiten de zitting om – aanleiding geeft tot twijfel aan de onpartijdigheid van de rechter ten opzichte van partijen of ten opzichte van het voorwerp van het geschil. In dat geval zou de rechter vooringenomen en dus partijdig kunnen zijn, voor zover die twijfel objectief te rechtvaardigen is. Het is dus niet voldoende dat een procespartij het gevoel heeft dat de rechter partijdig is. Dit dient ook te staven te zijn met concrete feiten en omstandigheden. In dit geval zou er een probleem schuilen in de persoon van de rechter, in zijn houding. Hij kan dan als subjectief partijdig worden aangemerkt.5
Wat vaker voorkomt, is dat de rechter de schijn van partijdigheid wekt. Hij hoeft dan niet daadwerkelijk partijdig te zijn, maar die indruk wekt hij wel. Ook de schijn van partijdigheid kan het vertrouwen van de maatschappij in de rechtspraak wezenlijk aantasten en dient dus te worden voorkomen.6 Indien een dergelijke schijn wel wordt gewekt, dan zou dat kunnen leiden tot schending van artikel 6 EVRM. Daarvoor is wel vereist dat de vrees dat de rechter partijdig is, de gewekte schijn dus, objectief te rechtvaardigen is.7