Klachtdelicten
Einde inhoudsopgave
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/4.5.2.3.1:4.5.2.3.1 Moment waarop het OM zich rekenschap moet geven van hoorrechten
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/4.5.2.3.1
4.5.2.3.1 Moment waarop het OM zich rekenschap moet geven van hoorrechten
Documentgegevens:
J.L.F. Groenhuijsen, datum 13-02-2024
- Datum
13-02-2024
- Auteur
J.L.F. Groenhuijsen
- JCDI
JCDI:ADS946165:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een belangrijk onderscheid tussen beide hoorrechten betreft het moment waarop wordt vastgesteld of sprake is van een hoorrecht waaraan het openbaar ministerie uitvoering dient te geven. Sinds de wijziging van de vertegenwoordigingsregeling inzake klachtdelicten in 1985 is voor de vaststelling dat het klachtrecht overgaat op een wettige vertegenwoordiger niet langer de leeftijd ten tijde van het feit bepalend, maar draait het om de leeftijd van de persoon die bij het feit is betrokken op het moment waarop de klacht is ingediend. Dat is – zoals ook in de wetsgeschiedenis is verwoord1 – beter in lijn met de aan de vertegenwoordigingsregeling ten grondslag liggende idee dat de minderjarige (of curandus) ten tijde van het indienen van de klacht niet het vermogen heeft om te beoordelen of hij of zij gebaat is bij vervolging. Art. 165a Sv is een aanvulling op de vertegenwoordigingsregeling en dit hoorrecht kan pas ontstaan nadat een wettige vertegenwoordiger op grond van art. 65 Sr een klacht heeft ingediend. Voor toepassing van art. 165a Sv staat – vanwege de hierboven beschreven achtergrond – vervolgens de vraag centraal of de vertegenwoordigde ten tijde van het indienen van de klacht tussen 12 en 16 jaren oud was of onder curatele was gesteld. Is dat niet het geval, bijvoorbeeld omdat de minderjarige betrokkene ten tijde van het indienen van de klacht 11 jaar oud was, dan vindt art. 165a Sv geen toepassing. Indien de vertegenwoordigde op een later moment wel valt binnen de door art. 165a Sv gestelde leeftijdsgrenzen (bijvoorbeeld gedurende een lopende strafvervolging), dan maakt dit niet dat alsnog invulling aan het hoorrecht moet worden gegeven. Het moment waarop wordt getoetst of aan art. 165a Sv gevolg dient te worden gegeven, valt dus samen met het moment waarop de klacht is ingediend. Bij het in art. 167a Sv verankerde hoorrecht inzake zedenfeiten speelt een klacht geen rol en staat de datum van het gepleegde feit centraal. Het hoorrecht komt de persoon toe die ten tijde van de feiten 12 tot 16 jaar oud was. Ook indien een vervolging pas jaren na de pleegdatum van het feit plaatsheeft, en de indertijd minderjarige inmiddels volwassen is, komt hem of haar het hoorrecht toe. Dit betekent dat beide hoorrechten onder bepaalde omstandigheden voor diverse delicten een inspanningsverplichting voor het openbaar ministerie creëren, maar dat art. 165a Sv een hoorrecht regelt voor personen die ten tijde van de klacht 12 tot 16 jaar oud zijn of onder curatele zijn gesteld, terwijl art. 167a Sv een hoorrecht regelt voor betrokkenen die ten tijde van het gepleegde feit 12 tot 16 jaar oud waren. Uit het voorgaande volgt ook dat art. 167a Sv direct strafvorderlijk betekenis toekomt zodra een verdenking ontstaat ter zake een van de in die wetsbepaling genoemde zedenfeiten, terwijl het openbaar ministerie zich pas rekenschap behoeft te geven van art. 165a Sv zodra een wettige vertegenwoordiger een klacht indient.