De grondwetsherzieningsprocedure
De grondwetsherzieningsprocedure (SteR nr. 52) 2021/1:1 Inleiding
De grondwetsherzieningsprocedure (SteR nr. 52) 2021/1
1 Inleiding
Documentgegevens:
T. van Gennip, datum 01-08-2021
- Datum
01-08-2021
- Auteur
T. van Gennip
- JCDI
JCDI:ADS285052:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Buijs 1883 (dl. 1), p. 3.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
‘Men pleegt in eene Grondwet vast te stellen niet wat de gewone wetgever breken maar wat hij niet breken mag.’1 Dit is een van de eerste passages van het grondwetscommentaar van Buijs. Deze passage drukt kernachtig uit waar het bij een Grondwet vooral om gaat: de wetgever heeft niet de bevoegdheid om van de Grondwet af te wijken op grond van de reguliere wetsprocedure. Wel is het mogelijk voor de grondwetgever om de Grondwet te herzien. Daarvoor geldt een procedure die is neergelegd in het achtste hoofdstuk van de Grondwet. De in dit hoofdstuk neergelegde procedure is zwaarder dan de reguliere wetsprocedure. Als de grondwetsherzieningsprocedure zou overeenkomen met de reguliere wetsprocedure, dan zou het bovenstaande uitgangspunt van Buijs immers niet stand houden.
Het achtste hoofdstuk neemt een belangrijke positie in binnen de Nederlandse rechtsorde. Burgers en veel overheidsambtenaren zullen in de dagelijkse praktijk overigens weinig met de toepassing van deze belangrijke procedureregels van doen hebben. Deze procedureregels spelen onopvallend hun rol op de achtergrond door tal van fundamentele wijzigingen te verhinderen, door te waarborgen wat is en door te bevorderen dat een grondwetsherziening op zorgvuldige wijze tot stand komt. Dat geeft stabiliteit en continuïteit aan de basisstructuren van de staatsinstellingen. Zonder al te opvallend te zijn, heeft het achtste hoofdstuk zijn werking. Deze dissertatie belicht juist deze regels.
1.1 Aanleiding en relevantie van het onderzoek1.2 Vraagstelling1.3 Structuur en afbakening1.4 Methode