Einde inhoudsopgave
De exhibitieplicht (BPP nr. X) 2010/4.3.1
4.3.1 Inleiding
mr. J. Ekelmans, datum 02-12-2010
- Datum
02-12-2010
- Auteur
mr. J. Ekelmans
- JCDI
JCDI:ADS378315:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie onder meer: Rb. Amsterdam 1 november 2004, LJN AR6866(Winterthur); Rb. Amsterdam 27 oktober 2005, LJN AU5131(Winterthur/X); Rb. Amsterdam 3 november 2005, LJN AU5724.
Zie over art. 6 EVRM onder meer: P. Smits, Artikel 6EVRM en de civiele procedure, Deventer: Kluwer, 2008; P. van Dijk e.a., Theoryandpractice ofthe European Convention on Human Rights, Antwerpen/Oxford: Intersentia 2006; J. Vande Lanotte & Y. Haeck, Handboek EVRM, Antwerpen-Oxford: Intersentia 2005.
EHRM 18 maart 1997, NJ 1998, 278, r.o. 34(Mantovanelli/Frankrijk; EHRM 5 juli 2007, NJ 2010, 323, r.o. 44. (Eggersdóttir/Ijsland).
EHRM 7 oktober 1988, NJ 1991, 351, r.o. 28(Amosi Salabiaku/Frankrijk).
EHRM 12 juli 1988, NJ 1988, 851(Schenk/Zwitserland).
EHRM 9 maart 2004, NJ 2005, 13, r.o. 15 e.v. (Pitkanen/Finland).
EHRM 27 oktober 1993, NJ 1994, 534, r.o. 32(Dombo Beheer/Nederland).
Aangezien mededelingsplichten in het procesrecht begrensd zijn, is bij gelegenheid gezocht naar mogelijke argumenten te ontlenen aan het EVRM om een verder strekkende mededelingsplicht rechtens te onderbouwen. In het bijzonder in de personenschadepraktijk is zo'n pleidooi voor een verder strekkende mededelingplicht onderbouwd met een beroep op art. 6 EVRM. Dat gebeurde in een aantal uitspraken vanaf eind 2004, waarin allereerst de Rechtbank Amsterdam zich een aanhanger van deze benadering toonde en meende dat een benadeelde bij een voorlopig deskundigenbericht zijn medische gegevens ter beschikking moest stellen aan de medisch adviseur en/of advocaat van zijn wederpartij.1
Dat zo'n aanspraak op bescheiden aan het artikel valt te ontlenen, lijkt op het eerste gezicht niet logisch: de tekst is te algemeen om daar een aanknopingspunt voor te bevatten. Die tekst bepaalt immers slechts:
"Bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging heeft een ieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld ."
Die tekst maakt in elk geval niet aanstonds duidelijk, waarom in dit artikel zou zijn te lezen, wanneer wel en wanneer niet aanspraak op bescheiden zou bestaan. Het begrip "eerlijke" behandeling is op het eerste gezicht immers zodanig vaag, dat niet direct de verwachting is gerechtvaardigd, dat dit artikel aanspraak geeft op toegang tot onder een ander rustend bewijsmateriaal.
Bij de beoordeling, of art. 6 EVRM aanspraak geeft op bewijsmateriaal kan echter niet volstaan worden met kennisneming van de tekst van de verdragsbepaling. In de veelal casuïstische rechtspraak over art. 6 EVRM is immers op tal van terreinen een ruime invulling aan de verdragsbepaling gegeven. Als gevolg daarvan liggen de vage normen uit art. 6 EVRM ten grondslag aan een uitgebreide jurisprudentie op het gebied van het burgerlijk procesrecht.2
Het bewijsrecht behoort echter op het eerste gezicht niet tot de onderwerpen, waarvoor art. 6 EVRM betekenis heeft. Het EHRM heeft immers overwogen dat art. 6 EVRM op zichzelf geen regels behelst over bewijsrecht ("rules of evid-ence")3 en derhalve op zichzelf evenmin regels bevat over - bijvoorbeeld -bewijsvermoedens ("presumptions of fact"),4 toelaatbaarheid van bewijs ("ad-missibility of evidence")5 en bewijswaardering ("admissibility of evidence and the way it should be assessed").6 Die terughoudende opstelling is ook in overeenstemming met het standpunt van het EHRM dat art. 6 lid 1 EVRM bij het vaststellen van burgerrechtelijke aanspraken grotere vrijheid ("greater latitude") geeft dan bij de meer gedetailleerd uitgewerkte eisen aan een strafrechtelijke procedure.7 Aan deze rechtspraak valt geen steun te ontlenen voor aanspraken op kennisneming van onder een ander rustende bescheiden.