Einde inhoudsopgave
De exhibitieplicht (BPP nr. X) 2010/4.3.2
4.3.2 Equality of arms waarborgt slechts gelijke rechten
mr. J. Ekelmans, datum 02-12-2010
- Datum
02-12-2010
- Auteur
mr. J. Ekelmans
- JCDI
JCDI:ADS375945:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 27 oktober 1993, NJ 1994, 534, r.o. 33 en 35(Dombo Beheer/Nederland); zie voor een soortgelijke casus: HR 11 februari 2000, NJ 2001, 31, r.o. 3.4(Resort of the World/Civil Construction), waarbij werd uitgemaakt dat een statutair bestuurder van de ene partij als getuige mocht verklaren, nu de ex-statutair bestuurder van de andere partij dat mocht over een gebeurtenis die plaatsvond toen zij beiden statutair bestuurder van hun respectievelijke partij waren en HR 11 september 2009, LJN BI6944, r.o. 3.6.2 (X/Banco di Caribe), waarin werd uitgemaakt dat een partij mocht verklaren, nu de relevante gebeurtenissen zich hadden voltrokken in contact tussen die partij én een werknemer van zijn wederpartij.
HR 6 februari 1998, NJ 1999, 479, r.o. 5.2(Kinetics Technology/Mol)
HR 10 augustus 2001, NJ 2001, 526, r.o. 3.6(Domaro/Pennings), waarover ook Hammerstein 2004, p. 226.
Sijmonsma 2010, p. 160-161.
HR 30 januari 1998, NJ 1998, 459, r.o. 3.5(Interforce/Rosier's).
HR 31 mei 2002, NJ 2003, 589, r.o. 3.7.2(K/Aegon).
Logisch gevolg van deze uitkomst zou zijn, dat art. 6 EVRM geen betekenis heeft voor de aanspraak op bescheiden. De indruk, dat art. 6 EVRM geen aanspraak geeft op onder een ander rustend bewijsmateriaal, zou wellicht weggenomen kunnen worden bij kennisneming van de Dombo-uitspraak van het EHRM. In die uitspraak overwoog het EHRM:
"The Court agrees with the Commission that as regards litigation involving opposing private interests "equality of arms" implies that each party must be afforded a reasonable opportunity to present his case - including his evidence - under conditions that do not place him at a substantial disadvantage vis-a-vis his opponent."1
Die uitspraak ging echter niet over de vraag, of aanspraak gemaakt kon worden op onder de wederpartij rustend bewijsmateriaal, maar over de vraag of een partij reeds aan haar ter beschikking staand bewijsmateriaal - de getuigenverklaring van haar bestuurder - mocht gebruiken. Dat het gaat om bewijsmateriaal dat een partij reeds in zijn bezit heeft, leid ik ook af uit het woordje "his" in de overweging van het EHRM. Er blijkt dan ook slechts dat deze uitspraak gaat over de juridische ongelijkheid bij de mogelijkheden om gebruik te maken van bewijsmateriaal dat een partij reeds tot zijn beschikking heeft. De uitspraak betrof niet de vraag, of een procespartij toegang kan krijgen tot bewijsmateriaal dat zich in handen van een ander bevindt.
Toen een procespartij kennis mocht nemen van alle stukken waarop haar wederpartij zich beriep, zag de Hoge Raad daarin dan ook een aanwijzing dat van een ongeoorloofde voorsprong geen sprake was. Dat geen gebruik gemaakt kon worden van stukken waarop de wederpartij zich niet beriep, maakte het proces naar het oordeel van de Hoge Raad niet oneerlijk, aangezien - zo overwoog de Hoge Raad in dat arrest - de partij die behoefte had aan kennisneming onvoldoende gebruik had gemaakt van de mogelijkheden die het procesrecht biedt om aanspraak op die bescheiden te maken.2 Dat de ene partij feitelijk mogelijk over meer bewijsmiddelen kan beschikken dan de andere partij, is dan ook op zichzelf niet strijdig met art. 6 EVRM. Zo is bevestigd in een arrest, waarin de Hoge Raad overwoog:
"Het Dombo-arrest strekt met name ertoe te waarborgen dat procespartijen gelijke kansen hebben bij de bewijslevering door hen op gelijke voet te brengen wat betreft de bekwaamheid om in een procedure als getuige op te treden. .. Daarbij dient mede bedacht te worden dat aan bewijslevering door getuigen inherent is dat de mogelijkheid bestaat dat de ene partij meer en/of meer direct betrokken getuigen voorbrengt dan de andere partij. Art. 6 EVRM staat daaraan niet in de weg."3
Tot dat oordeel kwam de Hoge Raad toen beide partijen gelijkelijk werden belemmerd door het verbod partijgetuigen te horen, doch één van hen nog wel over een extra bewijsmiddel beschikte in de vorm van een getuigenverklaring van zijn adviseur. Met een beroep op het Dombo-arrest wilde de partij die slechts zelf kon verklaren over de gang van zaken ondanks het verbod van partijen om zelf te getuigen als getuige gehoord worden. De Hoge Raad achtte het uitsluiten van de mogelijkheid bewijs te leveren door middel van horen van partijgetuigen niet in strijd met art. 6 EVRM, aangezien beide partijen daardoor in gelijke mate werden beperkt.
Ik denk - evenals Sijmonsma4 - dat deze uitspraken van het EHRM en van de Hoge Raad bevestigen, dat art. 6 EVRM niet gebruikt kan worden om aanspraak te maken op onder een wederpartij rustend bewijsmateriaal. Voor het geval er nog aarzeling mocht zijn, of art. 6 EVRM toegang geeft tot bewijsmiddelen van de wederpartij, is die aarzeling weggenomen met twee arresten van de Hoge Raad uit 1998 en 2002. Toen een procespartij met een beroep op art. 6 EVRM aanspraak maakte op kennisneming van een onder haar wederpartij rustend contract overwoog de Hoge Raad in het arrest uit 1998 immers:
"Ook art. 6 lid 1 EVRM noopte het hof niet daartoe, nu partijen beide in de gelegenheid zijn geweest haar zaak toe te lichten en aan de hand van de haar ter beschikking staande middelen bewijs en tegenbewijs te leveren ter zake van de datum waarop de overeenkomst tussen Habo en Rosier is gesloten. Niet kan derhalve gezegd worden dat geen sprake is geweest van "a fair (...) hearing" als bedoeld in die bepaling."5
In 2002 werd een verzoek om inzage in onder een verzekeraar rustende onderzoeksrapportages van een gepleegde observatie als volgt afgewezen:
"De onder c. vermelde klacht berust op de opvatting dat Aegon, ongeacht dienaangaande door de bodemrechter te geven beslissingen, verplicht is het door haar verzamelde feitenmateriaal aan K. ter beschikking te stellen, opdat hij dat materiaal desgewenst zelf in het geding kan brengen en de volledigheid en authenticiteit daarvan kan controleren. Die opvatting kan echter niet als juist worden aanvaard, omdat een zovergaande verplichting...noch uit het beginsel van "equality of arms" voortvloeit."6