Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/2.5.3.3.3
2.5.3.3.3 Globale toetsing
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS483376:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 11 juli 2006 (Jalloh t. Duitsland), NJ 2007, 226 (m.nt. Schalken); NJCM-Bulletin, jrg. 32 (2007) (m.nt. Van Kempen), § 94 e.v. In gelijke zin onder meer EHRM 25 september 2001 (J.H. t. Verenigd Koninkrijk), § 76 en EHRM 1 maart 2007 (Heglas t. Tsjechië), § 89-92.
Vgl. EHRM 29 juni 2007 (O’Halloran en Francis t. Verenigd Koninkrijk), NJ 2008, 25 (m.nt. Alkema); FED 2008/81 (m.aant. Thomas), § 53: ‘While the right to a fair trial under Article 6 is an unqualified right, what constitutes a fair trial cannot be the subject of a single unvarying rule but must depend on the circumstances of the particular case.’ Zie nader R. de Lange e.a. 2009, p. 28.
Vgl. EHRM 11 december 2008 (Panovits t. Cyprus), NJ 2009, 215 (m.nt. Reijntjes), § 64. Zie eerder bijvoorbeeld EHRM 24 november 1993 (Imbrioscia t. Zwitserland), § 38 en EHRM 12 mei 2005 (Öcalan t. Turkije), § 131.
Typisch voor de toetsing aan art. 6, lid 1 EVRM door het EHRM is ook dat die in de regel een globaal karakter heeft. Zo gaat het Hof bij de beoordeling of een nationale strafprocedure al dan niet behoorlijk is geweest, na of de nationale strafprocedure als geheel, inclusief de wijze waarop het bewijs is verkregen, behoorlijk was.1 Deze manier van toetsen maakt dat een tekort dat op zichzelf zou neerkomen op schending van een verdragsrecht kan worden ‘gecompenseerd’ door één of meer procedurele waarborgen in de strafprocedure.
Focus op bijzondere kenmerken van de procedure en de omstandigheden
Binnen de globale benadering kijkt het Hof vooral naar de bijzondere kenmerken van de procedure en de omstandigheden van het geval, om in individuele gevallen recht te doen aan doel en strekking van een verdragsrecht. Wat bijvoorbeeld een strafproces behoorlijk maakt, zoals art. 6, lid 1 EVRM verlangt, is niet op voorhand gegeven.2 Vgl. de zaak Panovits. Daarin overweegt het Hof dat de wijze waarop art. 6, lid 1 EVRM moet worden toegepast op het vooronderzoek afhankelijk is van de bijzondere kenmerken van de onderwerpelijke procedure en de omstandigheden van het geval. Voor de beoordeling of het doel van art. 6 EVRM is bereikt, moet acht worden geslagen op de gehele nationale (straf)procedure.3