Einde inhoudsopgave
De uitvoering van Europese subsidieregelingen in Nederland (R&P nr. SB6) 2012/3.2.2.2
3.2.2.2 Rechtstreekse werking
Mr. J.E. van den Brink, datum 13-12-2012
- Datum
13-12-2012
- Auteur
Mr. J.E. van den Brink
- JCDI
JCDI:ADS393706:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie hieromtrent Widdershoven 2012, p. 216 e.v.; Verhoeven 2011, p. 22; Widdershoven/ Verhoeven e.a. 2007, p. 13; Jans e.a. 2007, p. 65 en 77-78; Adriaanse 2006, p. 70; Prinssen 2004, p. 12; Jans & Prinssen 2002, p. 107.
Zie bijvoorbeeld Frese 2011, p. 204; Lenaerts & Corthaut 2006, p. 291 en 310; Winter 1972, p. 436. Zie omtrent deze discussie Craig & De Bárca 2011, p. 181-182; Prechal 2005, p. 99 e.v.
De Witte 2010, p. 13; Jans e.a. 2007, p. 77; Prechal 2007, p. 37-38; Adriaanse 2006, p. 70; Prechal 2005, p. 231 en 241.
Zie hieromtrent Prechal 2007, p. 37. De verplichting voor de nationale rechter om dit te doen vloeit voort uit HvJEG 9 maart 1978, 106/77 (Simmenthal), Jur. 1978, p. 629, r.o. 21 en 24. Uit hoofde van het arrest Fratelli Costanzo zijn alle nationale overheidsorganen hiertoe verplicht. Zie HvJEG 22 juni 1989, 103/88 (Fratelli Costanzo), Jur. 1989, p. 1839, r.o. 31 en 33. Zie ook HvJEG 29 april 1999, 224/97 (Ciola), Jur. 1999, p. 1-2517; HvJEG 9 september 2003, C-198/01 (CIF), Jur. 2001, p. 1-8055.
Zie Muir 2011, p. 43; Verhoeven 2011, p. 19; Jans e.a. 2007, p. 77; Dougan 2007, p. 934. Ik merk op dat de definitie van rechtstreekse werking die wordt gehanteerd in Widdershoven/ Verhoeven e.a. 2007, p. 13, namelijk dat een bepaling van EU-recht rechtstreekse werking heeft, indien deze door particulieren in de nationale rechtsorde, meer in het bijzonder voor de nationale rechter, kan worden ingeroepen én de rechter verplicht is deze toe te passen, tussen deze opvattingen lijkt te zweven. Enerzijds ontbreekt de voorwaarde dat sprake moet zijn van subjectieve rechten, anderzijds zou dit besloten kunnen liggen in de eis dat het moet gaan om een bepaling die door een particulier kan worden ingeroepen.
Zie Craig & De Bárca 2011, p. 181.
Het betreft de besluiten sui generis die geen geadresseerden kennen. Zie hieromtrent verder hoofdstuk 4, paragraaf 4.3.1. Voor de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon hadden dergelijke besluiten geen verdragsrechtelijke status nu artikel 249 EG-verdrag slechts zag op geadresseerde beschikkingen.
Met de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon komt de term 'beschikking' niet terug in artikel 288 VWEU. In dat artikel wordt enkel nog van besluiten gesproken. Hieronder zijn zowel de besluiten sui generis als de beschikkingen te scharen. Zie verder hoofdstuk 4, paragraaf 4.3.1.
Dit betekent overigens niet dat richtlijnen geen enkele betekenis hebben bij de uitvoering van Europese subsidieregelingen. De naleving van Europese richtlijnen kan namelijk een voorwaarde zijn om voor een Europese subsidie in aanmerking te komen dan wel worden opgelegd als subsidieverplichting. Gedacht kan worden aan de aanbestedingsrichtlijnen die in acht moeten worden genomen door de ontvanger van de Europese subsidie die aanbestedingsplichtig is en het project waarvoor een Europese subsidie is verkregen laat uitvoeren door een derde (zie hoofdstuk 5, paragraaf 5.6.5). In de tweede plaats zijn landbouwers die Europese subsidies ontvangen, gehouden om zich te houden aan randvoorwaarden. Deze randvoorwaarden bestaan uit beheerseisen - milieuvoorschriften, eisen inzake de identificatie en registratie van dieren - en eisen inzake de goede landbouw- en milieuconditie en zijn vaak neergelegd in richtlijnen, zoals de Richtlijn nr. 2008/71 van de Raad van 15 juli 2008 met betrekking tot de identificatie en de registratie van varkens (Pb 2008, L 213/31) en de Richtlijn nr. 92/43 van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (Pb 1992 L 206). Zie bijlage II bij de Verordening nr. 73/2009. De niet-naleving van een dergelijke randvoorwaarde was bijvoorbeeld aan de orde in het arrest HvJEG 13 maart 2008, C-96/06 (Viamex Agrar Handels GmbH), Jur. 2008, p.1-1413. Zie omtrent de randvoorwaarden ook hoofdstuk 5, paragraaf 5.6.5.
Widdershoven/Verhoeven e.a. 2007, p. 14; Jans e.a. 2007, p. 65; Prechal 2002, p. 17. Zie ook HvJEG 17 mei 1972, 93/71 (Leonesio), Jur. 1972, p. 287, r.o. 5.
Craig & De Bárca 2011, p. 190.
Vergelijk wat betreft richtlijnen ook Prechal 2005, p. 247 e.v.
Kral formuleert het aldus: 'the situation of inadequate national normative implementation of an EC Regulation, in distinction to that of an EC Directive, has no consequence on direct substitutionary effect of its provisions'. Onder 'direct substitutionary effect' verstaat hij de toepassing van een Europese bepaling in plaats van een daarmee onverenigbare nationale bepaling. 'Direct substitutionary effect' staat tegenover 'direct exdusionary effect' waarmee wordt bedoeld dat een EU-bepaling alleen wordt toegepast met het doel om toepassing van een daarmee strijdige nationale bepaling uit te sluiten, maar er geen Europese bepaling voor in de plaats treedt. Zie Kral 2008, p. 254-255. Zie omtrent het onderscheid tussen 'exclusion' en 'substitution' verder Dougan 2007, p. 937 e.v. Zie ook Lenaerts & GutiérrezFonds 2010, p. 1640.
Zie Kral 2008, p. 255.
Zie HvJEG 11 juli 2002, C-62/00 (Marks & Spencer), Jur. 2002, p. 1-6325, r.o. 27. Vergelijk Jans e.a. 2011, p. 78-79.
Zie artikel 288 VWEU. Voor de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon bepaalde artikel 249 EG-verdrag dat een beschikking alleen in al haar onderdelen verbindend was voor degenen tot wie zij uitdrukkelijk is gericht. Er werd derhalve vanuit gegaan dat een beschikking altijd (een) geadresserde(n) kent. Zie omtrent het onderscheid tussen het begrip 'beschikking' en 'besluit' uitgebreid hoofdstuk 4, paragraaf 4.3.1.
HvJEG 6 oktober 1970, 9/70 (Grad), Jur. 1970, p. 825, r.o. 5 en 6.
Zie ook Lenaerts & Corthaut 2006, p. 310; Pescatore 1983, p. 164.
Zie bijvoorbeeld HvJEG 24 juni 2004, C-278/02 (Herbert Handlbauer), Jur. 2004, 1-6171, r.o. 25 en HvJEG 11 januari 2001, C-403/98 (Azienda Agricola Monte Arcosu), Jur. 2001, p. 1-103. Zie ook Dougan 2007, p. 943, voetnoot 35.
Widdershoven/Verhoeven e.a. 2007, p. 20 e.v.; Prechal 2007, p. 47; Prinssen 2004, p. 28.
Zie HvJEG 8 oktober 1987, 80/86 (Kolpinghuis), Jur. 1987, p. 3969. Deze jurisprudentie is gebaseerd op het estoppelbeginsel: voorkomen moet worden dat de staat voordeel heeft van zijn miskenning van het Europese recht. Zie Prinssen 2004, p. 29. Zie voorts Jans e.a. 2007, p. 83 e.v.
Zie HvJEG 14 juli 1994, C-91/92 (Faccini Dori), Jur. 1994, p. 1-3325, r.o. 24 en 25. Zie Prinssen 2004, p. 29.
Zie voor een kritische beschouwing van het verbod van horizontale werking Craig 2009A. Het verdient opmerking dat het verbod van horizontale werking met de arresten Mangold (HvJEG 22 november 2005, C-144/04, Jur. 2005, p. 1-9981, AB 2006, 325, m.nt. M.J.M. Verhoeven, NJ 2006, 227, m.nt. M.R. Mok, SEW 2007, p. 44-47, m.nt. D. Beltman) en Ktictilcdeveci (HvJEU 19 januari 2010, C-555/07, Jur. 2010, p. 1-365, AB 2010, 89, m.nt. H. van Eijken en M.J.M. Verhoeven, NJ 2010, 256, m.nt. M.R. Mok, SEW 2010, p. 485-487, m.nt. C. van de Heyning) wel aan betekenis heeft ingeboet. Op grond van deze arresten is de nationale rechter - kort gezegd - gehouden om ook in geschillen tussen particulieren nationaal recht buiten beschouwing te laten, wanneer dat recht in strijd komt met richtlijnen die uitdrukking geven aan een algemeen Unierechtelijk beginsel, teneinde de voor de justitiabelen uit het EU-recht voortvloeiende rechtsbescherming te verzekeren en de volle werking daarvan te waarborgen. Zie hieromtrent ook De Waele & Kieft 2010.
Jans e.a. 2011, p. 86 e.v.; Jans e.a. 2007, p. 79-80; Widdershoven/Verhoeven e.a. 2007, p. 21-22.
Jans e.a. 2011, p. 86.
Hofmann, Rowe & Tllrk 2011, p. 91.
HvJEG 20 mei 2003, C-108/01 (Parmaham), Jur. 2003, p. 1-5121, r.o. 89. Zie ook HvJEG 7 januari 2004, C-60/02 (Rolex), Jur. 2004, p. 1-651, r.o. 61-63.
Zie hieromtrent verder uitgebreid hoofdstuk 4, paragraaf 4.2.
Zie omtrent de mogelijke horizontale werking van besluiten Verhoeven 2011, p. 29. Zie voorts HvJEG 7 juni 2007, C-80/06 (Carp), Jur. 2007, p.1-4473, AB 2007, 331, m.nt. R. Ortlep en M.J.M. Verhoeven. Op de horizontale werking van Europese besluiten die zijn gericht tot de lidstaten wordt in dit onderzoek in hoofdstuk 4 slechts zijdelings ingegaan. Zie omtrent de vraag in hoeverre het verbod van omgekeerde verticale werking ook van toepassing is op EU-besluiten Widdershoven/Verhoeven e.a. 2007, p. 21. Op deze discussie wordt in hoofdstuk 4 uitgebreid ingegaan.
Doorwerking van het Eu-recht is in de eerste plaats mogelijk op grond van het leerstuk van de rechtstreekse werking. In het algemeen geldt dat een bepaling van Eu-recht rechtstreekse werking heeft, indien zij voldoende nauwkeurig en onvoorwaardelijk is.1 Daarmee is nog niet de vraag beantwoord wat deze rechtstreekse werking inhoudt. De meningen in de literatuur zijn hierover verdeeld. Sommigen zijn van mening dat de rechtstreekse werking betekent dat particulieren zich voor de nationale rechter kunnen beroepen op bepalingen van Europees recht die aan hen subjectieve rechten toekennen.2 Anderen zijn van mening dat de rechtstreekse werking moet worden gedefinieerd als de verplichting van de nationale rechter of een andere nationale autoriteit om een bepaling van Eu-recht toe te passen, bij het nemen van een besluit dan wel bij de rechterlijke beoordeling daarvan.3 In dit onderzoek wordt bij laatstgenoemde definitie aangesloten. Allereerst omdat deze definitie ervan uit gaat dat de verplichting tot het toepassen van een bepaling van EUrecht niet alleen op de nationale rechter, maar ook op nationale uitvoeringsorganen rust.4 Voor dit onderzoek is relevant in hoeverre de Europese subsidieregelgeving zich ervoor leent om rechtstreeks door nationale uitvoeringsorganen te worden toegepast dan wel in hoeverre nationaal recht nodig is. Ten tweede maakt de definitie duidelijk dat niet relevant is of de Europese bepaling een subjectief recht toekent aan particulieren dan wel dat zij een beroep doen op deze bepaling.5 Het gaat om een objectieve rechtstreekse werking.6 Dit doet recht aan het feit dat de Europese subsidieregelgeving met name uit verordeningen bestaat, waarin vooral ook verplichtingen zijn neergelegd voor eindontvangers van de Europese subsidies. Zij zullen dergelijke Europese bepalingen juist niet inroepen; het is het nationaal uitvoeringsorgaan dat zich op de rechtstreekse werking van de Europese verplichting beroept. Zoals later in deze paragraaf nog aan de orde zal komen, geldt voor bepalingen neergelegd in Europese verordeningen dat zij — anders dan richtlijnen — rechtstreeks verplichtingen aan particulieren kunnen opleggen.
Op deze plaats is het van belang op te merken dat de Europese subsidie-regelgeving in de programmaperiode 2007-2013 uitsluitend uit verordeningen, besluiten7 en beschikkingen8 bestaat.9 Op grond van artikel 288 VWEU zijn verordeningen verbindend in á hun onderdelen en rechtstreeks toepasselijk in de lidstaat. Voor in verordeningen neergelegde bepalingen geldt derhalve dat zij naar hun aard en functie rechtstreekse werking kunnen hebben.10 Voorwaarde is dat zij voldoende duidelijk en precies zijn;11 hetgeen betekent dat de desbetreffende bepalingen geen beoordelingsmarge inhouden wat betreft de vorm en middelen waarmee zij moeten worden uitgevoerd.12 Voor rechtstreeks werkende bepalingen uit verordeningen geldt dat zij - anders dan bepalingen uit Europese richtlijnen - altijd rechtstreeks door nationale uitvoeringsorganen moeten worden toegepast.13 Voor rechtstreeks werkende bepalingen uit richtlijnen geldt dat zij enkel door nationale uitvoeringsorganen moeten worden toegepast, indien geen of een incorrecte omzetting in het nationale recht heeft plaatsgevonden,14 dan wel indien de Europese richtlijn als zodanig correct in de nationale wetgeving is omgezet, maar deze nationale wetgeving niet zodanig wordt toegepast dat het met de richtlijn beoogde resultaat wordt bereikt.15 Richtlijnen zijn immers slechts verbindend ten aanzien van het beoogde resultaat en dienen in nationaal recht te worden omgezet. Voor Europese besluiten geldt dat zij, voor zover zij een geadresseerde kennen, alleen verbindend zijn ten aanzien van degene tot wie het besluit is gericht.16 Dit sluit niet uit dat bepalingen in besluiten die zijn gericht tot de lidstaten rechtstreekse werking kunnen hebben ten opzichte van particulieren.17 Net als bij richtlijnen geldt dat zij enkel moeten worden toegepast, indien geen of incorrecte omzetting in het nationale recht heeft plaatsgevonden.
Traditioneel wordt het leerstuk van rechtstreekse werking besproken in het kader van niet of niet juist omgezette bepalingen uit richtlijnen. Zij zijn per definitie in veel gevallen niet voldoende nauwkeurig en onvoorwaardelijk, nu ze moeten worden omgezet in het nationale recht. Het leerstuk is echter ook relevant voor Europese verordeningen. Dat bepalingen uit verordeningen naar hun aard rechtstreekse werking kunnen hebben, betekent namelijk niet dat een bepaling uit een verordening per definitie rechtstreekse werking heeft. Hoewel een verordening in beginsel rechtstreeks toepasselijk is in de lidstaat, wordt niet altijd aan de voorwaarden van onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig voldaan.18 Het Hof overweegt in die gevallen dat nationale uitvoeringsmaatregelen noodzakelijk zijn.19 Een bepaling uit een verordening heeft dan geen rechtstreekse werking en kan niet direct door een nationaal uitvoeringsorgaan worden toegepast. In hoofdstuk 4 komt dit nog uitgebreid aan de orde.
De rechtstreekse werking van Eu-bepalingen is door het Hof wel begrensd. Allereerst kunnen richtlijnen uit zichzelf geen verplichtingen opleggen en als zodanig niet tegenover particulieren worden ingeroepen.20 Dit betekent dat verplichtingen uit een niet (correct) omgezette richtlijn niet door de overheid tegenover een particulier21 en evenmin door een particulier tegenover een andere particulier kunnen worden ingeroepen.22 Dit wordt respectievelijk het verbod van omgekeerde rechtstreekse werking en het verbod van horizontale directe werking genoemd.23 Van belang is nog dat het verbod van horizontale directe werking niet geldt in zogenoemde driehoeksrelaties.24 Dit is de situatie waarin direct-belanghebbenden en derde-belanghebbenden tegengestelde belangen hebben in het kader van een door de overheid te nemen besluit. Indien de derde-belanghebbende zich ten opzichte van het bestuur op een rechtstreeks werkende richtlijnbepaling beroept, kan dit in een dergelijke situatie tot gevolg hebben dat dit ten koste gaat van de rechtspositie van de direct-belanghebbende.25
Voormelde beperkingen gelden niet ten aanzien van bepalingen uit Europese verordeningen. Omdat zij rechtstreeks toepasselijk zijn en omzetting in nationaal recht niet is toegestaan, kunnen zij ook ten nadele van particulieren worden ingeroepen, zowel door de overheid als een andere particulier.26 Op grond van het rechtszekerheidsbeginsel is vereist dat de desbetreffende bepaling de belanghebbenden in staat stelt exact de omvang van de verplichtingen die zij oplegt te kennen.27 Dit betekent dat het om rechtstreeks werkende bepalingen moet gaan en nationale uitvoeringsmaatregelen niet noodzakelijk zijn.28
De vraag in hoeverre het verbod van horizontale en omgekeerde verticale werking ook geldt voor besluiten die zijn gericht tot de lidstaten, is nog niet uitgekristalliseerd.29