Einde inhoudsopgave
De bij dode opgerichte stichting (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2020/2.2.1.1
2.2.1.1 Het ontbreken van overheidsbemoeienis
mr. T.F.H. Reijnen, datum 01-09-2020
- Datum
01-09-2020
- Auteur
mr. T.F.H. Reijnen
- JCDI
JCDI:ADS232339:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Erfrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Van Tricht 1884, p. 90 e.v.
Van Tricht 1884, p. 127 e.v.
Zie Besier 1891, p. 18-30.
Bregstein 1955; Hardenberg 2000, onder verwijzing naar HR 12 juni 1896, W. 6823 en HR 20 november 1896, W. 6889 (Stichting op Toutenburg).
Verklaring van geen bezwaar voor de NV en Koninklijke/wettelijke goedkeuring voor de vereniging. Ook de stichting onder preventief toezicht stellen bleek in de jaren dertig van de twintigste eeuw geen optie. Een belangrijk argument tegen preventief toezicht was de angst dat dit aan de totstandkoming van een wettelijke regeling in de weg zou staan, zie hierover Polak 1956, p. 20.
HR 30 juni 1882, W. 4800 (Weldadige Stichting van Heutz).
Wet op stichtingen van 31 mei 1956, Stb. 327, in werking getreden op 1 januari 1957 (Besluit van 18 oktober 1956, Stb. 511) en ingetrokken in 1976 ter gelegenheid van de invoering van Boek 2 BW. Zie artikel IV van de wet van 8 april 1976 tot vaststelling van de hoofdstukken 2, 3, 4 en 5 van de Invoeringswet Boek 2 nieuw BW, Stb. 1976, 229. Eerder, in 1937, is al geprobeerd een wettelijke regeling voor de stichting tot stand te brengen. Deze poging is echter niet gelukt.
Nauta noemt de afwezigheid van de bemoeienis van de wetgever een ‘gelukkige omstandigheid’, G. Nauta, Pensioenfondsen bij particuliere ondernemingen, praeadvies voor de Broederschap van Candidaat-Notarissen in Nederland en zijne Koloniën te Utrecht, Den Haag 1933, p. 20. Het gebrek aan wetgeving heeft ook wel geleid tot klachten in de rechtspraak, zie Hof Amsterdam 6 december 1950, NJ 1951/588. Het hof uitte de klacht dat de wetgever niet ‘ook maar enkele regelen’ heeft gegeven. Een belangrijk gegeven hierbij was dat in cassatie alleen geklaagd kon worden over schending van de wet. Doordat de stichting niet wettelijk geregeld was, waren de mogelijkheden voor de Hoge Raad om sturend op te treden zeer beperkt. Pas door de wijziging in 1963 van artikel 99 Wet RO (thans artikel 79 Wet RO) kwam hierin verandering, maar toen was inmiddels de Wet op stichtingen ingevoerd.Voor wie wil weten wat er zoal mis kon gaan bij de oprichting van stichtingen, verwijs ik naar A. Land, Pensioenfondsen en Familie-stichtingen, Praeadvies voor de Algemeene Vergadering der Broederschap van Candidaat-Notarissen in Nederland en zijne Koloniën te Utrecht, Den Haag 1933, p. 45-47.
Knellend werden gevonden de regels voor de NV ten aanzien van de wijze van oprichting (notariële akte, verklaring van geen bezwaar), publicatie van balansen, bescherming van schuldeisers en aandeelhouders. Bij de coöperatieve vereniging werd het bijhouden en publiceren van de ledenlijst en het in de naam van de coöperatieve vereniging aangeven welke aansprakelijkheid op de leden rust als knelpunten beschouwd. De stichting kende geen enkel voorschrift. Zie Polak 1956, p. 13.
‘According to Dutch country experts, most of the numerous Dutch foundations do not promote public benefit purposes. The vast majority seem to act as “commercial” foundations and carry out functions which in other Member States less liberal than the Netherlands would be fulfilled by other legal persons (e.g., co-operatives)’, aldus de Feasibility Study on a European Foundation Statute. Final Report, p. 14, https://www.researchgate.net/publication/280664243_Feasibility_study_on_a_European_foundation_statute_final_report/download, ingezien op 6 juni 2019. In de jaren zeventig van de twintigste eeuw, heeft ook de wetgever dit volmondig erkend: ‘De moderne stichting is veelal een organisatievorm voor maatschappelijke activiteiten,’ Kamerstukken II 1970-1971, 11005, nr. 3, p. 32, linkerkolom (MvT).
Jac. W. van den Biesen, ‘Het goed regt der Stichtingen, der Parochiën en der Kloosters om als rechtspersonen, met volle recht hier te lande te bestaan, gehandhaafd en tegen verkeerde begrippen en uitleggingen verdedigd’, Themis 1878, p. 497-532. Ook Paul Scholten mag niet ongenoemd blijven als tegenstander van de stichting als doelorganisatie. In Asser/Scholten 1-II 1940/p. 168 schrijft Scholten ten aanzien van de crisisstichtingen uit de jaren dertig van de vorige eeuw (zie hierna 2.2.1.2): ‘Het zijn caricaturen van stichtingen. De stichting wordt zoo een leege organisatie-mogelijkheid. Als zoodanig heeft zij geen plaats in een gezond rechtsleven.’
Besier 1891. L.C. Besier is als strafrechtjurist bekender dan als civilist. Als A-G nam hij de conclusie voor het beroemde Elektriciteitsarrest (HR 23 mei 1921, NJ 1921/p. 564).
Besier 1891, p. 81.
Rechtbank Rotterdam 25 mei 2011, ECLI:NL:RBROT:2011:BQ6199, RN 2011/97 (De Vijf Havens). Deze uitspraak is besproken door J.J.M. Grapperhaus, ‘Uitleg en aanvulling van testamenten’, JBN 2012/14 en E.A.A. Luijten & W.R. Meijer, ‘Hebben verpleeghuizen iets gemeen met zwerfkatten?’, TE 2011/5.
Dit is een doelvermogen omdat de gerechtigde tot het tot het verpleeghuis en hetgeen daarbij hoort, dit vermogen exploiteert ten behoeve van het doel, niet voor zichzelf. Zie ook Asser/Rensen 2-III 2017/300.
Heropening van de vereffening omdat de erfstelling een nagekomen bate is, is ook niet mogelijk, Rechtbank Den Haag 12 februari 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:1725, RO 2019/33.
Van Uchelen-Schipper 2018/9.4.1.
Al ver voor de Franse tijd kende het gebied dat nu Nederland is talrijke stichtingen.1 Na de inlijving van het Koninkrijk Holland bij het Franse keizerrijk werd de situatie duidelijk anders. Na de inlijving werden de Franse wetten van toepassing. Deze wetten maakten het onmogelijk nog stichtingen op te richten.2
Na de herkregen onafhankelijkheid van Frankrijk werd in 1838 het Burgerlijk Wetboek ingevoerd. In dit wetboek was niets bepaald ten aanzien van stichtingen. In de praktijk werden bestaande stichtingen niettemin erkend.3 De vraag was echter of het nog mogelijk was nieuwe stichtingen op te richten (hoewel dit in de praktijk nog steeds gebeurde). Het antwoord kwam van de Hoge Raad.4 In zijn arrest van 30 juni 1882 oordeelde de Hoge Raad dat de oprichting van een stichting mogelijk is en dat, in tegenstelling tot de NV en de vereniging,5 daarvoor geen overheidstoestemming nodig is.6 Hierna heeft het tot 1957 geduurd voordat ten aanzien van de stichting wetgeving gold.7
Door de onbeperkte mogelijkheid zonder overheidsbemoeienis een stichting op te richten en het ontbreken van een wettelijke regeling van de stichting, heeft de stichting zich kunnen ontwikkelen van doelvermogen naar doelorganisatie.8 Wetgeving die dus noch knellend, noch richtinggevend kon zijn.9 De Wet op stichtingen en, later, de regeling van de stichting in Boek 2 BW hebben aan de flexibiliteit van de stichting geen afbreuk gedaan. Sterker nog, onder vigeur van deze wetten, heeft de stichting zich in Nederland verder kunnen ontwikkelen tot dé rechtsvorm voor niet op direct voordeel voor derden gerichte organisaties. Het al dan niet hebben van een vermogen is volledig op de achtergrond geraakt. In Nederland is de stichting als doelvermogen dan ook eerder uitzondering dan regel.10
De ontwikkeling van doelvermogen naar doelorganisatie ging niet zonder slag of stoot. Vooral Jac. W. van den Biesen, advocaat te Breda en tevens lid van de Tweede Kamer en later van de Eerste Kamer, was een sterk voorvechter van de stichting als doelvermogen.11 Ook de grote voorvechter van de moderne stichting mag niet ongenoemd blijven, L.C. Besier. In zijn proefschrift uit 1891 toont Besier zijn ideeën ten aanzien van de stichting.12 Zijn gedachten doen ook in de huidige tijd nog zeer modern aan. Bij gebrek aan een wettelijke regeling, geeft Besier de volgende omschrijving van de stichting:
‘Stichtingen zijn rechtspersonen, over wier vermogen, zoo het er is, geen menschen de vrije beschikking hebben, en die door de eenzijdige handeling van een stichter (of van stichters) in het leven geroepen, onder een eigen bestuur, een bepaald onveranderlijk doel najagen.’13 (curs. TR)
Toch is ook vandaag de dag de ‘stichting-als-doelvermogen-gedachte’ nog niet helemaal uitgewist. In de casus van Rechtbank Rotterdam 25 mei 201114 speelde het volgende. De in 2010 overleden erflater heeft in 1992 een vereniging tot erfgenaam benoemd. Deze vereniging exploiteerde destijds verpleeghuis De Vijf Havens. Deze vereniging wordt ontbonden in 1998. Bij de rechtbank vorderen Stichting Vrienden Van De Stichting De Stromen en Stichting De Stromen Opmaat Groep, die tegenwoordig verpleeghuis De Vijf Havens exploiteren, primair een verklaring voor recht dat zij door uitleg de erfgenamen van erflater zijn (artikel 4:46 BW). Subsidiair vorderen de beide genoemde stichtingen aanvulling van de uiterste wil zodat zij erfgenamen van de erflater zijn in plaats van de ontbonden vereniging (artikel 4:47 BW). De stichtingen stellen daartoe dat indien de erflater op de hoogte zou zijn geweest van de onmogelijkheid van uitvoering van zijn uiterste wil door de ontbinding van de vereniging en de voortzetting van de activiteiten van de vereniging door een van de stichtingen, hij zijn uiterste wil zou hebben gewijzigd en Stichting Vrienden Van De Stichting De Stromen zou hebben aangewezen als begunstigde. De rechtbank wijst de primaire vordering af en de subsidiaire vordering toe. Het oordeel van de rechtbank impliceert dat zij van oordeel is dat de erflater een doelvermogen (verpleeghuis De Vijf Havens)15 tot erfgenaam heeft willen benoemen. Ik meen daarom dat deze uitspraak onjuist is. Het verpleeghuis is immers geen drager van rechten en plichten maar dat is de rechtspersoon die het verpleeghuis exploiteert. Als deze niet meer bestaat, vervalt een making aan die rechtspersoon.16 Hoe zou het oordeel van de rechtbank zijn geweest als de erflater in zijn uiterste wil een making had opgenomen (zonder plaatsvervulling) voor zijn nicht A die hem zo liefdevol heeft verzorgd, maar bij het overlijden van de erflater blijkt dat nicht A is vooroverleden en nicht B de laatste jaren de erflater even liefdevol heeft verzorgd als nicht A daarvoor? Zou Rechtbank Rotterdam dan ook tot het oordeel zijn gekomen dat de making voor nicht B bestemd was?
Ook in de literatuur komt nog sporadisch de gedachte voor dat de stichting in wezen niet meer is dan een doelvermogen.17
Dat de stichting zich in Nederland heeft kunnen ontwikkelen van doelvermogen naar doelorganisatie kan voor een belangrijk deel op het conto worden geschreven van het ontbreken van overheidsbemoeienis, zo bleek eerder al. Dit betrof echter de afwezigheid van bemoeienis van het departement van Justitie. Het ingrijpen in het economische leven door het departement van Economische Zaken heeft namelijk wel grote invloed gehad op het denken over en het functioneren van de stichting in Nederland.