Het beheerplan voor Natura 2000-gebieden
Einde inhoudsopgave
Het beheerplan voor Natura 2000-gebieden (SteR nr. 17) 2014/3.8:3.8 HET BEHEERPLAN IN RELATIE TOT ARTIKEL 6 HRL
Het beheerplan voor Natura 2000-gebieden (SteR nr. 17) 2014/3.8
3.8 HET BEHEERPLAN IN RELATIE TOT ARTIKEL 6 HRL
Documentgegevens:
mr. drs. S.D.P. Kole, datum 31-01-2013
- Datum
31-01-2013
- Auteur
mr. drs. S.D.P. Kole
- JCDI
JCDI:ADS446187:1
- Vakgebied(en)
Natuurbeschermingsrecht / Algemeen
Natuurbeschermingsrecht / Gebiedsbescherming
Natuurbeschermingsrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de vorige paragrafen is het instrument beheerplan op verschillende aspecten aan een onderzoek onderworpen. Het beheerplan is door de Nederlandse wetgever bedoeld als een implementatie van de verplichtingen die voortvloeien uit artikel 6 Hrl. Hierbij past een tweetal kanttekeningen. In de eerste plaats zijn Lidstaten niet verplicht om beheerplannen vast te stellen. Ingevolge artikel 6, eerste lid Hrl zijn Lidstaten hier wel toe bevoegd. In de tweede plaats is het beheerplan niet de enige manier waarop artikel 6 Hrl in de Nederlandse rechtsorde is geïmplementeerd. De vergunningplicht van artikel 19d, eerste lid Nbw 1998 en de toets van artikel 19j, eerste lid Nbw 1998 spelen een zeer belangrijke rol bij de bescherming van de Nederlandse Natura 2000-gebieden.
Het beschermingsregime van artikel 6 Hrl valt uiteen in twee delen. Artikel 6, eerste lid Hrl bevat de verplichting om zo nodig positieve maatregelen te nemen om een gunstige staat van instandhouding van kwalificerende habitats en soorten te realiseren. In de huidige wettelijke regeling is dit voorschrift gecodificeerd in artikel 19a, eerste, derde en vierde lid Nbw 1998. Op basis van deze bepalingen is het mogelijk om positieve instandhoudingsmaatregelen in een beheerplan te verankeren. Artikel 6, tweede, derde en vierde lid bevat de verplichting tot het nemen van preventieve maatregelen. Dergelijke maatregelen zijn gericht op het voorkomen van verslechterende of significant verstorende effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van kwalificerende habitats en soorten. Dit deel van artikel 6 is geïmplementeerd in artikel 19a, eerste en tiende lid Nbw 1998. Deze verplichting wordt uitgevoerd door zo nodig negatieve instandhoudingsmaatregelen in een beheerplan op te nemen. Daarnaast is het opnemen van dergelijke maatregelen en bestaand gebruik in een beheerplan alleen mogelijk na het uitvoeren van een habitattoets. Indien mogelijkerwijs significante verstorende effecten optreden is het verplicht om een passende beoordeling op te stellen. Op het eerste gezicht lijkt de huidige wettelijke regeling te voldoen aan de vereisten van artikel 6 Hrl. Het wetsvoorstel voor de Wet natuurbescherming biedt dezelfde mogelijkheden.
Toch vormt het beheerplan voor Natura 2000-gebieden geen volledige implementatie van de verplichtingen in artikel 6, eerste, tweede, derde en vierde lid Hrl. De uitvoering van het beheerplan (inclusief de daarin opgenomen instandhoudingsdoelstellingen) is namelijk niet in rechte afdwingbaar. Zoals eerder uiteengezet ontbreekt in de Nbw 1998 een bevoegdheidsgrondslag voor het opnemen van algemeen verbindende voorschriften en werkt de inhoud van het beheerplan niet rechtstreeks door in andere (ruimtelijke) plannen en besluiten. Het bevoegd gezag is bij de beoordeling van een aanvraag voor een Nbw 1998-vergunning en het vaststellen van een (ruimtelijke) plan verplicht om rekening te houden met het beheerplan. De uitvoering van de instandhoudingsmaatregelen kunnen alleen worden geborgd met behulp van instrumenten in de Nbw 1998 (artikel 19d, 19j en 20 Nbw 1998) en uit sectorale wetten (artikel 3.1 Wro). Zonder de inzet van dergelijke instrumenten bestaat de kans dat projecten, plannen of andere handelingen worden uitgevoerd met mogelijk verslechterende of significant verstorende effecten op de kwalificerende habitats en soorten in de Natura 2000-gebieden. In het uiterste geval kan dit ten koste gaan van de doelstelling van artikel 6 Hrl: het behouden of het realiseren van een gunstige staat van instandhouding van kwalificerende habitats en soorten in de Natura 2000-gebieden.