Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders
Einde inhoudsopgave
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/20.2.1:20.2.1 Toename financiering met aandeelhoudersleningen sinds de herziening van 2012?
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/20.2.1
20.2.1 Toename financiering met aandeelhoudersleningen sinds de herziening van 2012?
Documentgegevens:
mr. J. Barneveld, datum 18-09-2013
- Datum
18-09-2013
- Auteur
mr. J. Barneveld
- JCDI
JCDI:ADS408002:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zo ook Franken & Louwerier 2012, p. 201.
Zie par. 2.4.1 en par. 2.5.3.1.
Zo werd volgens het CJB in 2010 gemiddeld ongeveer 3 procent uitgekeerd aan de preferente en concurrente schuldeisers in het faillissement van een BV (CJB, Faillissementen: oorzaken en schulden 2010, Den Haag 6 oktober 2011, p. 14).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het is zeker niet ondenkbaar dat aandeelhouders door de afschaffing van het minimumkapitaal hun investering in een BV in toenemende mate zullen vormgeven als een lening, in plaats van als een storting van kapitaal of agio.1 Reeds vóór de flexibilisering van het BV-recht kozen aandeelhouders regelmatig voor een minimale kapitaalstorting en voor het verstrekken van vreemd vermogen aan de vennootschap. Vanuit het perspectief van de aandeelhouder zijn er immers geen argumenten om te kiezen voor financiering met risicodragend vermogen, zolang de wet daartoe niet verplicht en de aandeelhouder daartoe evenmin gedwongen wordt door een professionele kredietverstrekker. Niet alleen heeft schuldfinanciering de fiscale voordelen die in hoofdstuk 2 zijn behandeld,2 maar daarnaast beperkt de aandeelhouder hiermee ook zijn exposure in een eventueel faillissement van de vennootschap. Door te financieren met leningen kunnen aandeelhouders immers voorzien in de vermogensbehoefte van de vennootschap, terwijl in faillissement een concurrente positie kan worden ingenomen, in plaats van de achtergestelde positie die de aandeelhouder had ingenomen indien hij hetzelfde bedrag had gestort als kapitaal of agio. Omdat in faillissement doorgaans weinig wordt uitgekeerd op de concurrente vorderingen, zal de aandeelhouder zijn positie aanzienlijk kunnen verbeteren door tevens zekerheden te bedingen op de activa van de vennootschap.3