Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/5.1
5.1 Inleiding
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940579:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie omtrent de betekenis van de begrippen ‘aanslagbelastingen’ en ‘aangiftebelastingen’ nader paragraaf 5.2.2.1 hierna.
Zie over het onderscheid tussen verzuimboetes en vergrijpboetes paragraaf 5.2.2.1 hierna.
Zie voor een volledig overzicht paragraaf 5.3.2 hierna.
Par. 33 BBBB. Zie over het onderscheid met de (volgens mijn indeling wél) bijzondere verzuimboetes van art. 37 en 70 Wet MRB nader paragraaf 5.3.2 hierna. Overigens was het kopje boven par. 33 BBBB lange tijd onjuist (de strofe ‘artikel 37 en 70 van de Wet MB 1994’ hoorde daar niet thuis, maar sloeg op par. 34 BBBB); dit is hersteld bij de wijziging van het BBBB per 1 juli 2023.
Zie paragraaf 2.3.2. Buiten de rijksbelastingen gaat het om boetes die de heffingsambtenaar of de invorderingsambtenaar oplegt, zie paragraaf 5.2.1 hierna.
Deze boetes zijn geregeld in de Algemene douanewet en de Awir.
In dit hoofdstuk beschrijf ik hoe het huidige stelsel van fiscale bestuurlijke boetes eruit ziet. Dit stelsel valt feitelijk uiteen in twee categorieën: de algemeen geldende fiscale bestuurlijke boetes en de bijzondere fiscale bestuurlijke boetes.
De algemeen geldende fiscale bestuurlijke boetes kunnen worden opgelegd in verband met overtredingen die samenhangen met verschillende materiële belastingwetten. De algemeen geldende fiscale bestuurlijke boete van art. 67a AWR kan bijvoorbeeld worden opgelegd wegens het niet of te laat doen van een aangifte IB/PVV, maar ook wegens het niet of te laat doen van een aangifte Vpb. De betreffende boete is namelijk zo geformuleerd, dat deze algemene gelding heeft voor alle aanslagbelastingen.1 De belangrijkste algemeen geldende fiscale bestuurlijke boetes uit de AWR (zoals de boete van art. 67a AWR) zijn geregeld in Afdeling 1 van Hoofdstuk VIIIA van de AWR. Ook de Invorderingswet kent (in Hoofdstuk VIIIA) een tweetal algemeen geldende fiscale bestuurlijke boetes.
Daarnaast bestaan er bijzondere fiscale bestuurlijke boetes. Daaronder versta ik alle fiscale bestuurlijke boetes die geen algemene gelding hebben. Het gaat dan om boetes wegens overtredingen die een beperkte reikwijdte hebben en specifiek gelden voor de betreffende belastingwet. Meestal zijn deze boetes dan ook afzonderlijk in die materiële belastingwet geregeld (en niet in de AWR of in de Inv.). De bijzondere fiscale bestuurlijke boete van art. 28b Wet LB kan bijvoorbeeld alleen worden opgelegd wegens fouten bij het voldoen aan de in de Wet LB geregelde verplichting om een correctiebericht in te dienen.
Ook het BBBB maakt een dergelijk onderscheid. In hoofdstuk 2 en hoofdstuk 3 worden – in algemene zin – eerst ‘verzuimboeten’ respectievelijk ‘vergrijpboeten’ behandeld.2 Daarin komt het beleid ten aanzien van de boetes van art. 67a tot en met 67f AWR aan de orde (Afdeling 1 van Hoofdstuk VIIIA van de AWR), alsmede het beleid ten aanzien van de vergrijpboete van art. 10a AWR. Tot zover loopt de indeling van het BBBB parallel aan het door mij aangebrachte onderscheid tussen algemeen geldende en bijzondere fiscale bestuurlijke boetes. Hoofdstuk 3 BBBB bevat echter ook het beleid ten aanzien van de – volgens mijn indeling bijzondere – vergrijpboetes van art. 11 WIB, art. 75 SW en art. 29h Wet Vpb.3 Wat deze vergrijpboetes betreft verschilt de indeling van het BBBB dus van mijn indeling. Het BBBB erkent deze vergrijpboetes namelijk niet als bijzondere vergrijpboetes, hoewel zij in afzonderlijke, materiële belastingwetten zijn geregeld. Dat is anders bij de verzuimboetes: hoofdstuk 4 BBBB is getiteld ‘bijzondere verzuimboeten’ en bevat het beleid ten aanzien van de – ook volgens mijn indeling bijzondere – verzuimboeten van onder meer art. 28b en art. 28c Wet LB en art. 37 en art. 70 Wet MRB.4 Opvallend is wel dat het beleid ten aanzien van de verzuimboete die wegens een ‘normaal’ MRB-betaalverzuim op grond van art. 67c AWR kan worden opgelegd, ook geregeld is in hoofdstuk 4 BBBB.5 Volgens mijn indeling gaat het daarbij juist niet om een bijzondere, maar om een algemeen geldende fiscale bestuurlijke boete.
Ik beperk mij bij de beschrijving van het stelsel van fiscale bestuurlijke boetes tot de boetes die de inspecteur of de ontvanger in verband met de heffing en invordering van rijksbelastingen op grond (of met overeenkomstige toepassing) van de AWR en de Inv. kan opleggen.6 Dat betekent dat ik de fiscale bestuurlijke boetes in de sfeer van de douanewetgeving en de bestuurlijke boetes in de sfeer van de toeslagenwetgeving buiten beschouwing laat.7
In paragraaf 5.2 behandel ik de (volgens mijn indeling) algemeen geldende fiscale bestuurlijke boetes. Ik geef daarbij eerst aan wat de reikwijdte van deze algemeen geldende boetes is en wat de belangrijkste kenmerken van het stelsel van fiscale bestuurlijke boetes zijn. Daarna behandel ik alle algemeen geldende boetes afzonderlijk, zodat duidelijk wordt in welke situaties de betreffende boetes kunnen worden opgelegd. In paragraaf 5.3 komen de bijzondere fiscale bestuurlijke boetes aan de orde. Vanwege de grote verscheidenheid behandel ik deze boetes op hoofdlijnen. In hoofdstuk 6 ga ik vervolgens gedetailleerd in op de delictsomschrijvingen van zowel de algemeen geldende als de bijzondere fiscale bestuurlijke boetes. De delictsomschrijving bepaalt welke feiten en omstandigheden precies moeten worden bewezen om de boete te kunnen opleggen.