Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/5.4.2
5.4.2 Integriteit van het onderzoek
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS492303:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie de dissenting opinion van rechter Martens e.a. bij EHRM 17 december 1996 (Saunders t. Verenigd Koninkrijk),BNB 1997/254 (m.nt. Feteris); NJ 1997, 699 (m.nt. Knigge), pt. 9. In dezelfde zin I. Peçi 2006, p. 57.
Vgl. Feteris 2002(a), p. 285.
EHRM 28 oktober 2010 (Leonid Lazarenko t. Oekraïne), § 51, met verwijzing naar EHRM 27 november 2008 (Salduz t. Turkije), NJ 2009, 214; FED 2009/96 (m.nt. Thomas); AB 2010/82 (m.nt. Barkhuysen en Van Emmerik), § 53; EHRM 10 maart 2009 (Bykov t. Rusland), § 92; en EHRM 24 september 2009 (Pishchalnikov t. Rusland), NJ 2010/191 (m.nt. Reijntjes), § 68.
Zie onder meer EHRM 17 december 1996 (Saunders t. Verenigd Koninkrijk), § 47,BNB 1997/254 (m.nt. Feteris); NJ 1997, 699 (m.nt. Knigge), § 68 en EHRM 10 maart 2009 (Bykov t. Rusland), § 92.
In zijn concurring opinion bij het arrest in de zaak Saunders meent Martens dat het EHRM met vorenstaande overwegingen blijkbaar het respecteren van de menselijke waardigheid en autonomie erkent als (alternatieve) grondslag van het recht tegen gedwongen zelfbelasting.1 Terwijl in eerdere zaken het belang van de op de verdachte uitgeoefende dwang is gelegen in de betrouwbaarheid van het bewijs, wordt die dwang in Saunders daarvan losgekoppeld. Het Hof hecht ook belang aan de betekenis die de verkrijgingswijze heeft voor de integriteit van het onderzoek.2
Waarborgen effectieve uitoefening verdedigingsrechten; ‘fair trial’
Achter dit belang gaat kennelijk schuil de notie dat de verdachte in het strafproces niet alleen voorwerp van onderzoek is, maar ook een partij- ofwel procespositie inneemt. Het respecteren van de menselijke waardigheid en autonomie impliceert dat de verdachte op (enige) afstand staat van de hem vervolgende autoriteiten. Hem moet als individu voldoende ruimte worden gegund om zelfstandig zijn (proces)houding te bepalen tijdens het vooronderzoek en de strafzitting zelf. Door hem te dwingen bewijs tegen zichzelf te verschaffen (in de vorm van verklaringen of materiaal), wordt die positie respectievelijk de effectieve uitoefening van andere deelrechten van art. 6 EVRM ondermijnd.
Vgl. de zaak Leonid Lazarenko (betreffende een veroordeling voor moord die mede steunt op de van de klager afgedwongen verklaringen). Daarin overweegt het Hof uitdrukkelijk dat het recht tegen gedwongen zelfbelasting via de band van art. 6 EVRM bijdraagt aan de bescherming van de verdachte tegen ‘abusive coercion’ door de autoriteiten. Deze bescherming draagt bij aan het voorkomen van justitiële dwalingen en aan de realisatie van de doelstellingen van art. 6 EVRM, in het bijzonder de ‘equality of arms’ tussen de autoriteiten en de verdachte.3 Kortom, zonder (proces)autonomie ligt het risico van justitiële dwalingen op de loer en hebben de vervolgende autoriteiten de overhand.
De samenhang van het recht tegen gedwongen zelfbelasting met de andere deelrechten van het recht op een behoorlijk strafproces, is inherent aan de ‘keuze’ van het Hof om het recht tegen gedwongen zelfbelasting in art. 6 EVRM te lezen. Deze keuze kan verklaren dat het Hof het recht tegen gedwongen zelfbelasting aanmerkt als ‘lying at the heart of the notion of a fair procedure’4. De procesautonomie is in ieder geval in de geest van het adversaire procesgeding waar art. 6 uitdrukking aan geeft.