Einde inhoudsopgave
De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen (SteR nr. 58) 2023/3.3.2.1
3.3.2.1 Beschouwing
S. Schuite, datum 10-04-2023
- Datum
10-04-2023
- Auteur
S. Schuite
- JCDI
JCDI:ADS701877:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie in dit kader ook: Sluysmans 2011, p. 179; Wijting 1984, p. 270 e.v.
Zoals beschreven in § 3.2.2.3, vond er in 1841 een aantrekkelijk discours plaats tussen parlement en regering omtrent de vermeende taakbeschrijving van de deskundigen. Het parlement wilde dat de deskundigen de schade begrootten, de regering hield vast aan het taxeren van de goederen. De regering won dat debat en de taak van deskundigen werd beperkt gehouden tot de taxatie van werkelijke waarde en waardevermindering van het overblijvende.
Kamerstukken II 1850/51, L, 4, p. 498.
Handelingen II 1850/51, 93, p. 1193-1204-7.
Dat is waarschijnlijk ook de reden dat dit punt onderbelicht is gebleven bij de parlementaire behandeling. Daarnaast was de exponentiële groei die Nederland zou doormaken niet in de beraadslaging verdisconteerd.
Ik meen overigens dat Thorbecke het gevolg van zijn terminologische wijziging noch heeft (kunnen) voorzien, noch heeft gewild (het parlement evenmin; zij waren mijns inziens niet eens op de hoogte van de terminologische wijziging gezien hun bewoordingen tijdens de parlementaire behandeling).
De reden dat ik heb stilgestaan bij de arresten uit 1864, is omdat de hedendaagse bijzondere positie van de onteigeningsdeskundige zijn grondslag vindt in de uitbreiding van het schadebegrip door de Hoge Raad. De rol van deskundigen kon vanaf dat moment niet langer beperkt blijven tot de taxatie van de waarde van het onteigende en de eventuele waardevermindering van het overblijvende. Van de deskundigen werd sedertdien verwacht om ook toepassing te geven aan de gestaag uitdijende rechtspraak van de Hoge Raad.1 Dat wil zeggen: het zoeken naar de juridisch relevante schadecomponenten en het begroten van geval tot geval verschillende (bijkomende) schades.
Dat de uitbreiding van het takenpakket van deskundigen zo ogenschijnlijk ‘geruisloos’ heeft kunnen plaatsvinden, werd nog eens extra gefaciliteerd door de wettekst van de onteigeningswet 1851. Als ik de wetteksten van 1841 en 1851 met elkaar vergelijk, valt mij op dat de wettekst van 1841 louter sprak van het ‘taxeren der goederen’. De wettekst van 1851 sprak daarentegen van het ‘bepalen van de schade’. Thorbecke kwam daarmee onbedoeld tegemoet aan de wens die het parlement in 1841 had met betrekking tot de taak van deskundigen. 2Neem ik de parlementaire behandeling van de wet van 1851 onder de loep, dan valt mij op dat het parlement deze verandering niet heeft opgemerkt. Het commissieverslag van de Tweede Kamer bevat de volgende passage:
“Het oordeel van den regter over de schadeloosstelling grondt zich, volgens de voorgedragene wet (…), op de waardering van onzijdige, met de plaatselijke gesteldheid bekende, vooraf beëedigde deskundigen. (…) Over ’t geheel heeft dan ook het tot nu toe hier te lande te dezen aanzien gevolgde stelsel, ’t welk bij de voorgedragene wet gehandhaafd wordt [onderstreping - SS], geene billijke redenen tot klagten gegeven.”3
Van handhaving was echter geen sprake nu de wettelijke taak van deskundigen veranderde van het waarderen/taxeren van de te onteigenen goederen naar het begroten van de schade en adviseren van de rechter. De plenaire behandeling bevestigt dit beeld. De heren Gevers van Endegeest, Poortman en Wintgens spreken allen van ‘taxeren’ wanneer zij hun respectievelijke mening geven over het wetsontwerp. 4Ook bij behandeling in de Eerste Kamer gaat dit punt geruisloos voorbij.
Onder vigeur van het beperkte schadeloosstellingsrecht van Thorbecke, leverde het voorgaande geen bijzonderheden op.5 Het legistische verschil tussen ‘taxeren van de goederen’ en ‘begroten van de schade’ werd immers overschaduwd door de praktijk. Zulks neemt niet weg dat naar de letter van de wet het potentiële takenpakket van de onteigeningsdeskundige was vergroot. Dat bredere takenpakket kwam er in 1864 toen de Hoge Raad de volledige schadeloosstelling introduceerde.6