Einde inhoudsopgave
Faillissementspauliana, Insolvenzanfechtung & Transaction Avoidance in Insolvencies (R&P nr. InsR1) 2010/4.5.2.3.2
4.5.2.3.2 Vierde aanbeveling: weg met de boemerang van artikel 51 lid 3 Fw
mr. R.J. de Weijs, datum 15-03-2010
- Datum
15-03-2010
- Auteur
mr. R.J. de Weijs
- JCDI
JCDI:ADS402334:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Insolventierecht / Faillissement
Voetnoten
Voetnoten
Zie memorie van toelichting bij art. 51 Fw, Van der Feltz, Geschiedenis van de Wet op het faillissement en de surséance van betaling, p. 457: 'Tegenover de verplichting van hem, die in fraudem creditorum ontving, om het ontvangene te restitueeren, staat de gehoudenheid van den curator om uit den boedel de contrapraestatie terug te geven, voor zooverre daardoor het actief vergroot is. Is dit niet het geval, heeft de gefailleerde haar bijv. voor de faillietverklaring verteerd, dan kan degene, tegen wien de nietigheid werd ingeroepen, niet anders dan als concurrent schuldeischer rechten doen gelden.'
Voor zover de wederpartij een boedelvordering heeft kan hij zich jegens de curator op het retentierecht beroepen. Voor zover de boedel niet gebaat is en de wederpartij geen boedelvordering heeft, maar slechts een concurrente faillissementsvordering, komt hem geen beroep op het retentierecht toe. Zie Faber, Verrekening, p. 361: 'De schuldeiser kan de nakoming van zijn schuld ex art. 51 lid 1 Fw niet opschorten totdat hij (volledige) voldoening verkrijgt van een vordering die door hem slechts ter verificatie kan worden ingediend. Ook daaraan staan het doel en de strekking van de actio Pauliana in de weg. In voorkomend geval kan de schuldeiser echter wel de nakoming van zijn schuld ex art. 51 lid 1 Fw opschorten totdat hij voldoening verkrijgt van een boedelvordering.'
Men zou ook nog kunnen oordelen dat deze zware sanctie een gevolg is van het uitgangspunt dat de pauliana bij onverplichte rechtshandelingen anders dan om niet een lex specialis is van de onrechtmatige daad. Deze conclusie is in zijn algemeenheid m.i. niet juist. De vraag is of men wil oordelen dat dit bij overdrachten met een waardeverschil anders zou moeten zijn en dat hier wel de vereiste wetenschap dermate zwaar moet zijn, dat men ook een zelfstandige onrechtmatige daad wil aannemen. Ook dit ligt niet voor de hand, reeds omdat bij rechtshandelingen met een aanmerkelijk waardeverschil veelal wordt gewerkt met bewijsvermoedens. Het is een stap te ver om de wetenschap van benadeling die op grond van een bewijsvermoeden wordt aangenomen te transplanteren in het algemene onrechtmatigedaadsrecht. Zie hierover § 4.1.2.b.
Zie over deze onzekerheid indien een bewijsvermoeden van toepassing is J.J. van Hees: 'Omdat veelal niet valt te voorspellen of en zo ja binnen welke termijn een mogelijke actio pauliana aan de orde komt, is het paulianarisico bij rechtshandelingen die binnen het bereik van de wettelijke regeling voor een omkering van de bewijslast vallen vaak niet of nauwelijks in te schatten.' J.J. van Hees, `Divida et impera': verdelingsvraagstukken in het zicht van insolventie', in: M. Holzer, A.F.J.A. Leijten en D.J. Oranje, Geschriften vanwege de Vereniging Corporate Litigation 2008-2009, Deventer: Kluwer 2009, p. 175.
Omdat de curator de wederpartij verwijt een goed onder de waarde te hebben verkregen zal de waarde van de boedelvordering lager zijn dan de waarde van het goed in kwestie.
Zie verder kritisch ten aanzien van de zin en noodzaak van lid 3 van artikel 51 Fw, zij het op geheel andere gronden, R.J. van der Weijden, `HR 24 april 2009, LJN : BF 3917, C07/108 HR (Dekker q.q./Lutèce)', TvI 2009, 23, p. 138, 139 en Faber, Actio Pauliana en verrekening, p. 192 en Faber, Verrekening, p. 362, waar Faber schrijft: 'Neemt men met mij aan dat het doel en de strekking van de actio Pauliana met zich brengen dat de vernietiging nimmer verder strekt dan tot wegneming van de benadeling, dan heeft de curator voor het bedrag waarvoor de boedel is gebaat, geen actie, en kan hij zich ten behoeve van de failliete boedel slechts verhalen op hetgeen per saldo als gevolg van de bestreden rechtshandeling uit het vermogen van de schuldenaar is ver-wenen. (...) Ook in deze benadering kan de curator het risico van een negatieve boedel niet op de betrokken schuldeiser afwentelen. Gaat men van deze benadering uit, dan bestaat aan de regel van art. 51 lid 3 Fw geen behoefte meer (...).' Van der Weijden en Faber maken, anders dan hier wordt bepleit, geen onderscheid naar onmiddellijke benadeling door de rechtshandeling en middellijke benadeling door het later verteren van de opbrengst door de schuldenaar.
De vierde aanbeveling ziet op het gegeven dat bij paulianeuze handelingen een onderscheid gemaakt kan worden tussen de benadeling van schuldeisers en de bevoordeling van de wederpartij. De Nederlandse pauliana maakt hier echter geen onderscheid en mist daardoor nuancering. Het uiteindelijke resultaat van het inroepen van de pauliana tegen rechtshandelingen met een waardeverschil, waarbij de wederpartij nog wel een prestatie heeft geleverd, is dat de wederpartij in de regel aanzienlijk slechter af is. Niet alleen dient hij de ontvangen prestatie af te staan, maar ook van de door hemzelf geleverde prestatie ziet hij in de regel niets terug.
De oorzaak van het rigide karakter van de pauliana op dit gebied is niet gelegen in de sanctie van vernietiging. De kern van de rigide benadering huist in artikel 51 lid 3 Fw. Artikel 51 lid 3 Fw combineert van rechtswege een aantal handelingen zonder dat hier rekening wordt gehouden met gebruikelijke vragen ten aanzien van causaal verband en toerekening. De wederpartij die een goed onder de marktprijs koopt heeft, zo bepaalt artikel 51 lid 3 Fw, slechts een boedelvordering voor zover de boedel daar nog bij gebaat is.1 Indien de schuldenaar de opbrengst reeds verbruikt heeft, dan heeft de wederpartij voor zijn eigen prestatie slechts een concurrente vordering.2 Hier wordt dus elke handeling van de schuldenaar ten aanzien van de ontvangen koopprijs toegerekend aan de wederpartij. De vraag of deze wist of behoorde te voorzien dat de schuldenaar de opbrengst zou verbruiken, wordt niet expliciet gesteld maar wel impliciet bevestigend beantwoord.
Wat zijn argumenten voor een dergelijke rigide benadering? Men kan een bewust afschrikwekkend effect noemen en ook de rechtszekerheid.3 Beide argumenten overtuigen geenszins. De sanctie is extra hard omdat ten aanzien van handelingen met een aanmerkelijk waardeverschil verricht binnen een jaar voor faillissement, de wetenschap ook nog eens vermoed wordt aanwezig te zijn.
Ik meen dat een bewust afschrikwekkend effect geplaatst in de zwaarte van sanctie eerder een boemerang zal zijn die de gezamenlijke schuldeisers raakt dan dat deze hun belangen beschermt. De gedwongen sanctie van artikel 51 lid 3 Fw zal een rechter namelijk afschrikken om in twijfelgevallen de curator in het gelijk te stellen. In het algemeen kan men verwachten dat wanneer een rechter geen vrijheid heeft bij het bepalen van de sanctie en deze sanctie dus niet kan afstemmen op de ernst van het verwijt, de rechter een toepasselijke bepaling restrictief interpreteert indien de sanctie de positie van de wederpartij aanzienlijk verslechtert. Bij de overdracht van een schilderij met een waarde van € 7 miljoen voor € 3 miljoen kan men dan ook verwachten dat een rechter eerder geneigd zal zijn om aan te nemen dat de wederpartij 'wist of behoorde te weten' dat van benadeling sprake is indien de wederpartij enkel en alleen het behaalde voordeel zal moeten afstaan dan wanneer de wederpartij zijn eigen prestatie geheel dreigt te verliezen. Vooral bij het invullen van de geobjectiveerde toets van het behoren te weten, ligt een restrictieve interpretatie voor de hand indien de gevolgen van een geslaagd beroep voor de wederpartij ingrijpend zijn.
Men zou ook kunnen oordelen dat de rechtszekerheid vergt dat partijen weten wat de sanctie zal zijn bij paulianeus handelen. Dit argument kan maar moeilijk overtuigen gezien de onduidelijkheid die in de regel gepaard gaat met een paulianaprocedure ten aanzien van de vraag of aan de voorwaarden voor een geslaagd beroep i berhaupt is voldaan.4 Het past niet om rechtszekerheid op detailniveau te vergen ten aanzien van de sanctie, maar de vraag of men i berhaupt aan de sanctie toekomt, onderwerp te laten zijn van open normen waarbij de rechter wel veel vrijheid heeft.
Mijns inziens zou het een verbetering van de faillissementspauliana zijn indien lid 3 van artikel 51 Fw wordt geschrapt. Rechters zijn dan niet langer gedwongen te kiezen tussen het in stand laten van de bevoordeling enerzijds en het voor rekening laten komen van de gehele benadeling voor de wederpartij, hoe ver verwijderd ook, anderzijds.
Hoe zou het Nederlandse recht eruitzien zonder lid 3 van artikel 51 Fw? De eerste stap die bij de beoordeling van een geschil gezet zou moeten worden is de beoordeling of sprake is van benadeling. In geval van een verkoop onder de marktwaarde zal hier in de regel sprake van zijn. De vraag wat moet gebeuren met de prestatie van de wederpartij zal slechts relevant zijn, indien deze de boedel niet langer baat. Anders zal ook zonder een lid 3 kunnen worden aangenomen dat de wederpartij in elk geval een boedelvordering heeft. Voor zover de boedel niet langer gebaat is, kan zich een aantal scenario's voordoen en zijn eveneens een aantal te onderscheiden sancties mogelijk.
Indien de rechter oordeelt dat het verbruiken of doorbetalen van de opbrengst ook aan de wederpartij kan worden toegerekend, zal de uitkomst in de regel dezelfde zijn als onder het huidige artikel 51 lid 3 Fw. Wel zal een rechter dan moeten vaststellen dat de benadeling die verder gaat dan de enkele bevoordeling van de wederpartij, ook aan deze wederpartij kan worden toegerekend. Hier dient dan eenvoudigweg vastgesteld te worden of de wederpartij wist of behoorde te weten dat de schuldeisers benadeeld zouden worden door het niet volledig voorhanden zijn van de opbrengst. Indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord, zal de wederpartij slechts een concurrente faillissementsvordering hebben voor zijn prestatie.
Het is echter ook mogelijk dat een rechter oordeelt dat een wederpartij die een goed (ver) onder de marktprijs koopt weliswaar wist of behoorde te weten dat de schuldeisers van de schuldenaar zouden worden benadeeld, maar niet oordeelt dat de wederpartij wist of behoorde te voorzien dat zijn prestatie de boedel niet zou baten. In dat geval is er onvoldoende grond om de wederpartij voor zijn prestatie slechts met een concurrente faillissementsvordering achter te laten. Hier dienen zich twee mogelijkheden aan. De rechter kan ten eerste oordelen dat de wederpartij een boedelvordering heeft voor de waarde van zijn prestatie. Het goederen-rechtelijk effect van de vernietiging blijft gehandhaafd, zij het dat de wederpartij de afgifte kan opschorten totdat de curator aan de boedelverplichting voldoet.5 Een tweede mogelijkheid is dat de wederpartij (in subsidiair verband) stelt, dat zo reeds aangenomen moet worden dat deze wetenschap van benadeling had ten aanzien van de overdracht, deze enkel zag op de waardediscrepantie en niet tevens op de omstandigheid dat de boedel niet gebaat zou zijn door zijn prestatie. Hij kan dan aanbieden om de benadeling die het gevolg is van de overdacht onder de marktwaarde sec ongedaan te maken door het verschil alsnog te betalen. Indien de rechter oordeelt dat de wederpartij enkel en alleen wetenschap van benadeling had door de overdracht onder de marktwaarde, wordt deze benadeling tenietgedaan, en kan de curator de overdracht niet meer vernietigen.
Indien artikel 51 lid 3 Fw wordt geschrapt, biedt het algemene vermogensrecht voldoende mogelijkheden om een sanctie te bepalen die de belangen van de verschillende partijen verdisconteert alsmede de feiten die aanleiding geven tot het beroep op de pauliana.6 De sanctie van de pauliana blijft vernietiging van de rechtshandeling. De onnodig scherpe randen worden dan echter verwijderd.
Ik zou dan ook willen oordelen dat het Nederlandse recht nuancering ontbeert door de rechter voor een alles of niets beslissing te plaatsen. Verwacht mag worden dat deze rigide bepaling zich tegen de schuldeisers keert, wier positie de pauliana juist beoogt te beschermen. Het is moeilijk voor een rechter om aan de dwingende tekst van artikel 51 lid 3 Fw voorbij te gaan. Ingrijpen van de wetgever is dan ook geboden. Ik stel dan ook voor dat de Nederlandse wetgever de boemerang besloten in artikel 51 lid 3 Fw uit het Nederlandse recht gooit.