De autonomie van de leraar
Einde inhoudsopgave
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/6.3.1.2:6.3.1.2 Schoolexamen (1920-1963)
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/6.3.1.2
6.3.1.2 Schoolexamen (1920-1963)
Documentgegevens:
J.S. Buiting, datum 07-02-2024
- Datum
07-02-2024
- Auteur
J.S. Buiting
- JCDI
JCDI:ADS949479:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Bartels 1963, p. 118.
S. Parvé, ‘De hoogere burgerscholen in 1874’, De Economist 1875, deel II, p. 934 en 935.
Hubrecht 1890, 228.
Hubrecht 1890, p. 229.
A. Van Berkum, Staatscommissie tot reorganisatie van het onderwijs, Sub-commissie “middelbaar onderwijs”, rapport met bijlagen, Amsterdam: Subcommissie Middelbaar Onderwijs, 1907.
Koninklijk Besluit van 26 juli 1920, Stb. 1920, 617.
Artikel 15 Reglement voor de eindexamens der hoogere burgerscholen met vijfjarigen cursus (vastgesteld bij Koninklijk Besluit van 26 juli 1920, Stb. 1920, 617).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Niet lang na invoering van de Wet op het middelbaar onderwijs kwam er kritiek op de omvang van het eindexamen.1 Het eindexamen moest alle vakken omvatten waarin onderwijs was gegeven. De grote omvang van het examen had tot gevolg dat in de hoogste klassen voortdurend gerepeteerd moest worden om de leerlingen de benodigde uitgebreide feitenkennis bij te brengen. Volgens Inspecteur Parvé werd hierdoor het vormende karakter van het onderwijs wel eens uit het oog verloren.2 Ook leidde de omvangrijke examens tot uitval onder de leerlingen.
Hubrecht betoogde dat het eindexamen als staatsexamen zich niet goed verhield tot het doel van de Wet op het middelbaar onderwijs, namelijk de algemene vorming van de leerling.3 Bij het staatsexamen staan de examinator en de examinandus als onbekenden tegenover elkaar.4 De examinator onderzoekt of de examinandus voldoende kennis bezit om te worden opgeleid voor een bepaald beroep. Het schoolexamen zou volgens Hubrecht beter passen bij het toetsen van de algemene vorming van de leerling. De examinator bij het schoolexamen is immers de leraar en de examinandus de leerling. Beiden zijn reeds met elkaar bekend en de leraar weet doorgaans in hoeverre de leerling zich heeft ontwikkeld. Bij het afnemen en beoordelen van het schoolexamen kan de leraar rekening houden met de kennis die hij al heeft over de leerling. Hierdoor kan de leraar, beter dan de staatsexaminator, een oordeel vellen over de algemene vorming van de leerling.
Ook de Ineenschakelingscommissie, ingesteld om een algehele vernieuwing van het onderwijsstelsel te onderzoeken, kwam tot de conclusie dat het eindexamen niet langer een staatsexamen moest zijn, maar een schoolexamen moest worden.5 Het al dan niet uitreiken van een getuigschrift zou echter niet geheel afhankelijk moeten worden van de ervaringen van de leraren met de leerlingen gedurende het laatste jaar. Om die reden werd voorgesteld om het cijfer van het eindexamen te baseren op het gemiddelde van het cijfer van de leerling van het afgelopen jaar en het cijfer van de leerling voor het schoolexamen. Het schoolexamen zou afgenomen moeten worden door de leraren van de school onder toezicht van een regionale commissie.
Het duurde tot 1920 voor het schoolexamen daadwerkelijk (deels) werd ingevoerd. Minister Visser schreef in de bijbehorende memorie van toelichting dat de voordelen van de schoolexamens zo voor de hand liggen dat deze niet uitvoerig toegelicht hoeven te worden.6 Niemand is beter in staat te beoordelen of zijn leerling over de vereiste bekwaamheden beschikt dan de leraar. Daarnaast zou door de afschaffing van de staatsexamens een grote kostenbesparing verwezenlijkt worden.
Het schoolexamen werd slechts deels ingevoerd. De mondelinge examens zouden afgenomen worden door de leraren van de hoogere burgerschool en waren dan ook zuivere schoolexamens. De schriftelijke eindexamens werden afgenomen door een examencommissie bestaande uit leraren en deskundigen, die werden voorgezeten door de directeur van de school. De deskundigen werden aangesteld door de minister. De schriftelijke opgaven waren voor alle scholen gelijk. Hiermee werd een belangrijk bezwaar tegen het schoolexamen ondervangen, namelijk dat examens niet langer van gelijkwaardig niveau zouden zijn.7 Wel bleef hierdoor het schriftelijk examen een staatsexamen.
Het reglement van het eindexamen werd vastgesteld bij koninklijk besluit.8 Hierin werd geregeld dat vijf deskundigen plaats zouden nemen in de examencommissie. Zij zouden zich niet alleen bezighouden met het beoordelen van de schriftelijke examens, maar hadden ook een stem in de mondelinge examens. Zo konden zij het mondelinge examen van een leerling verlengen als zij dit nodig achten. Ook kon de deskundige de leraar verzoeken om aan een leerling bepaalde vragen te stellen.9 Bij een verschil van mening tussen de leraar en de deskundige over de hoogte van het cijfer, werd het cijfer vastgesteld van degene wiens cijfer het dichtst bij het rapportcijfer lag.