Einde inhoudsopgave
Aanvullen van subjectieve rechten (O&R nr. 109) 2019/5.3.5
5.3.5 Het bepalen van in aanmerking komende juridische posities
mr. drs. T.E. Booms, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. drs. T.E. Booms
- JCDI
JCDI:ADS302847:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Penner 1997, p. 29–30, 71; Merrill 1998, p. 739; Smith 2005, p. 79; Merrill & Smith 2011, p. 90; Merrill & Smith 2001b, p. 790.
Mossoff 2011, p. 262; Merrill & Smith 2001b, p. 791.
Merrill 2012, p. 152; Smith 2004b, p. 973.
Merrill & Smith 2011, p. 90. Investeren in een rechtsobject kan er ook in bestaan het rechtsobject te vervaardigen uit verschillende schaarse middelen; degene die op deze manier waarde toevoegt zal meestal ook gerechtigd worden tot het rechtsobject; zie Mackaay 2013b, p. 276.
Claeys 2011, p. 9; Smith 2012a, p. 1709–1710.
Smith 2013, p. 330.
Zie bijvoorbeeld Fennell 2012, p. 1966; Baron 2013, p. 70, die het debat over de mogelijke samenstellingen van juridische posities in het kader van de numerus clausus plaatsen.
Rudden 1987, p. 239.
Merrill & Smith 2000, p. 5; Hansmann & Kraakman 2002, p. 402; Parisi 2004a, p. 72.
Dorfman 2012, p. 605.
Smith 2014, p. 96.
Hun verklaring voor het bestaan van de numerus clausus aan de hand van transactiekosten lijkt inmiddels geaccepteerd te zijn in de literatuur Zie bijvoorbeeld Bell & Parchomovsky 2008, p. 1031; Ellickson 2011, p. 219; Fennell 2013, p. 1515; Pomeroy 2013, p. 526; Cooter & Ulen 2016, p. 165. In dezelfde zin (op dit punt), maar met aanpassingen Hansmann & Kraakman 2002, p. 399; Stern 2017, p. 1209. Niet overtuigd is Davidson 2008, p. 1628.
Voorbeeld afgeleid uit Merrill & Smith 2000, p. 27; Cooter & Ulen 2016, p. 164.
Zoals lijkt te worden gesteld door Hansmann & Kraakman 2002, p. 417; Bell & Parchomovsky 2005, p. 574.
Zoals gesteld door Douglas & McFarlane 2013, p. 236.
Zie in deze zin Stern 2017, p. 1209. Daarnaast is het, zoals al vermeld in randnummer 188 voor de positie van mogelijke inbreukmakers niet zo van belang wat de inhoud van het beperkte recht is.
Merrill & Smith 2000, p. 31.
Cooter & Ulen 2016, p. 165.
Merrill & Smith 2000, p. 33; Merrill & Smith 2001b, p. 796. Dit argument lijkt in de Verenigde Staten opmerkelijk genoeg niet te worden doorgetrokken naar de vestigingsformaliteiten bij beperkte rechten; zie Pomeroy 2013, p. 538.
In economische termen is er sprake van een ‘negative externality’, oftewel van externe kosten. Zie hierover Polinsky & Shavell 2008, p. 4–5; Cooter & Ulen 2016, p. 166–167; Kurz 2016, p. 99.
Merrill & Smith 2000, p. 33; Smith 2011a, p. 163. Dit geldt overigens slechts indien goed erenrechtelijke rechten per definitie tegenover iedereen werken; als bepaalde groepen – zoals consumenten – worden uitgezonderd van de werking van goederenrechtelijke rechten, is het mogelijk een groter aantal goederenrechtelijke rechten toe te laten. Zie hierover Dalhuisen 2016b, p. 13.
Merrill & Smith 2000, p. 69 merken op dat naar een optimale samenstelling gezocht dient te worden, maar laten in het midden wat die zou zijn. Hansmann & Kraakman 2002, p. 403 noemen het waarschijnlijk dat bestaande indelingen in beperkte rechten niet optimaal zijn. Fennell 2012, p. 1968 geeft aan dat het concept transactiekosten wel kan verklaren dat de numerus clausus bestaat, maar niet kan worden gebruikt om te bepalen welke goederenrechtelijke rechten erin dienen te worden opgenomen.
185. De juridische posities waaruit een goederenrechtelijk recht bestaat, zijn niet willekeurig en kunnen niet zomaar worden veranderd (zie paragraaf 5.2.4). Een groot deel van de huidige (Anglo-) Amerikaanse literatuur bestaat eruit te verklaren waarom specifieke juridische posities aanwezig zijn in bepaalde goederenrechtelijke rechten. Die verklaringen hebben vaak zowel betrekking op de vraag waarom bepaalde juridische posities bestaan (hetgeen ik hieronder bespreek) als op de vraag waarom ze onderdeel zijn van een goederenrechtelijk recht (hetgeen ik daarna bespreek in paragraaf 5.3.6). Ik bespreek hier twee opvattingen die betrekking hebben op de vraag welke juridische posities aanwezig kunnen zijn in een goederenrechtelijk recht. Het betreft het bestaan van ‘claims’ om anderen uit te sluiten bij goederenrechtelijke rechten (randnummer 186) en de in hoge mate gestandaardiseerde set juridische posities bij beperkte goederenrechtelijke rechten (randnummer 187 e.v.).
186. De verklaring voor het bestaan van ‘claims’ om anderen uit te sluiten is al kort aan de orde gekomen (zie randnummer 162). Daar werd gesteld dat een belangrijke reden voor het bestaan van deze ‘claims’ is gelegen in de transactiekosten die gemoeid gaan met het maken van afspraken over een rechtsobject. Door de rechthebbende een set met ‘claims’ om anderen uit te sluiten toe te bedelen, wordt voorkomen dat hij afzonderlijke afspraken moet maken met alle personen die mogelijk inbreuk op zijn rechts-object zouden kunnen maken. In aanvulling daarop is de opvatting ontwikkeld dat de rechthebbende door het toebedelen van ‘claims’ om anderen uit te sluiten in staat is zich als ‘gatekeeper’ van het rechtsobject te gedragen.1 Hij kan beslissen wie wel en wie niet van het rechtsobject gebruik mag maken en op welke manier. Zo kan de eigenaar van een stuk grond deze grond aan een bepaald iemand verhuren of aan iemand een recht van overpad verlenen. Dit wordt wel aangeduid als het verschil tussen ‘exclusion strategies’ (het uitsluiten van anderen) en ‘governance strategies’ (het maken van afspraken over gebruik).2 De toevoeging die hier gedaan wordt aan de ‘right to a thing’-opvatting is dat een positieve verklaring wordt gevonden voor het bestaan van ‘claims’ om anderen uit te sluiten. Deze zijn niet alleen bedoeld om het (negatieve) gevolg van hoge transactiekosten te vermijden, maar ook om het (positieve) gevolg teweeg te brengen dat een rechthebbende als ‘gatekeeper’ in staat wordt gesteld het nut dat in zijn rechtsobject besloten ligt te gelde te maken.3 Dit zal ertoe leiden dat hij extra zal investeren in het rechtsobject, zodat het nut ervan wordt verhoogd.4 Dit is een verklaring die wellicht meer recht doet aan hoe mensen goederenrechtelijke rechten zien: mensen willen rechtsobjecten hebben om er gebruik van te maken, niet (louter) om anderen uit te sluiten.5 Het toebedelen van ‘claims’ om anderen uit te sluiten kan daarom het best gezien worden als een manier om ‘governance strategies’ mogelijk te maken.6 Bij het toebedelen van die ‘claims’ wordt aangesloten bij de mediërende rol die het rechtsobject speelt in de verhouding tussen de gerechtigde en anderen (zie randnummer 157 en 162).
187. De tweede opvatting over de vraag welke juridische posities betrekking hebben op een rechtsobject is ontwikkeld naar aanleiding van de vraag welke juridische posities onderdeel kunnen zijn van beperkte goederenrechtelijke rechten.7 Er is sprake van een zogenaamde numerus clausus van goederenrechtelijke rechten, wat inhoudt dat partijen geen goederenrechtelijke rechten in het leven kunnen roepen die niet door de wetgever zijn toegestaan. De wél toegestane goederenrechtelijke rechten bestaan daardoor steeds uit min of meer dezelfde juridische posities die worden ingenomen door de gerechtigde en anderen. Dit is anders in het verbintenissenrecht, waar partijen vrijwel onbeperkt zijn in wat zij kunnen afspreken. In de (rechts)economische literatuur is daarom de vraag aan de orde gesteld waarom het vrijelijk vestigen van nieuwe beperkte goederenrechtelijke rechten aan banden zou moeten worden gelegd.8 Het beperken van de mogelijkheid om zelf juridische posities onderdeel te maken van beperkte goederenrechtelijke rechten lijkt op het eerste gezicht namelijk in strijd te zijn met het uitgangspunt dat het bevorderen van transacties tussen partijen tot een efficiëntere verdeling van schaarse middelen leidt.9
188. Het enkele feit dat het handig is om in één keer een rechtspositie vast te stellen jegens alle anderen – door te bepalen dat anderen zich van inbreuk dienen te weerhouden – lijkt geen afdoende verklaring te zijn voor de numerus clausus.10 Dat argument ziet namelijk op de ‘perimeter of protection’ waarmee een goederenrechtelijk gerechtigde anderen buiten kan sluiten. Voor een potentiële inbreukmaker maakt het al dan niet bestaan van de numerus clausus (en hoe deze wordt ingevuld) geen verschil. Hij hoeft van de inhoud van een goederenrechtelijk recht namelijk niets te weten; het is voldoende dat hij weet dat hij op de rechtsobjecten van een ander geen inbreuk mag maken.11
189. Wederom onder aanvoering van de (rechts)economen Merrill en Smith is gezocht naar een andere verklaring voor het bestaan van de numerus clausus.12 Deze verklaring is gevonden in het verlagen van transactiekosten. Ditmaal niet voor de rechthebbende die een ‘perimeter of protection’ wenst te hebben jegens derden, maar voor partijen die overwegen een goed te kopen. Een voorbeeld maakt duidelijk hoe dat werkt:
Stel dat in een maatschappij 100 mensen, waaronder A, eigenaar zijn van een horloge. B heeft wel interesse in het dragen van een horloge, maar alleen om zijn familie te imponeren tijdens het kerstdiner. Hij sluit daarom met A een overeenkomst die erop neerkomt dat A het horloge het gehele jaar mag gebruiken, maar dat B gerechtigd is om het horloge te dragen tijdens de kerstdagen. Dit gaat jaar na jaar goed, totdat A het horloge verkoopt en overdraagt aan C, die niets weet van de afspraak tussen A en B. Als B hem met zijn recht om het horloge tijdens de kerstdagen te dragen confronteert, weigert C het horloge aan hem af te staan. Wat kan B nu doen jegens C? Het antwoord is niets. B kan A aanspreken tot een schadevergoeding, maar C heeft met de afspraak tussen A en B niets te maken. Als B dit van tevoren ziet aankomen, zou het dan mogelijk zijn dat hij samen met A een goederenrechtelijk recht bedenkt dat zijn gebruik van het horloge veilig zou stellen jegens derden, inclusief C? Een ‘kerstrecht’ bijvoorbeeld, dat inhoudt dat B voor twee dagen per jaar eigenaar is en dat niet door derdenbescherming teniet kan gaan. De kosten die A als gevolg hiervan draagt zijn verwaarloosbaar. Hij kan het horloge twee dagen per jaar niet dragen, maar wordt daarvoor gecompenseerd door B. A kan hierbij eventueel ook rekening houden met het feit dat zijn horloge een lagere verkoopprijs zal opleveren als het bezwaard is met een ‘kerstrecht’. Zodra het nieuws zich echter verspreidt dat er horloges in omloop zijn die bezwaard zijn met een ‘kerstrecht’, betekent dit dat transacties tussen alle andere 99 eigenaren van horloges en hun potentiële kopers bemoeilijkt worden. Deze kopers zullen zich ervan willen vergewissen dat het horloge dat zij op het oog hebben niet is bezwaard met een ‘kerstrecht’.13
190. De reden voor het bestaan van de numerus clausus is dus niet (hoofdzakelijk) gelegen in het beschermen van de originele partijen die bij het vestigen van een beperkt recht betrokken waren.14 Zij kunnen elkaar voldoende compenseren voor de verplichtingen die zij wederzijds op zich nemen. De bescherming van de numerus clausus geldt juist voor partijen die niét bij het vestigen van het beperkte recht betrokken waren. Het gaat er daarbij niet (hoofdzakelijk) om dat deze derden nu opeens verplicht zijn zich van inbreuk te onthouden (een ‘duty’ hebben jegens de beperkt gerechtigde).15 Zij moesten zich vóór het vestigen van het beperkte recht al onthouden van inbreuk jegens de moedergerechtigde; ze mogen nu dus niet minder dan eerst.16 In plaats daarvan dient de numerus clausus ertoe partijen te beschermen die mogelijkerwijs in de toekomst een soortgelijk goed willen aanschaffen. Voor hen verlaagt de numerus clausus de transactiekosten die gemoeid zijn met het aanschaffen van een goed, meer specifiek de kosten van het doen van onderzoek naar eventuele beperkte rechten die gebruik van het goed belemmeren.17
191. Voor het soepel verlopen van het handelsverkeer is het noodzakelijk dat kopers zekerheid hebben over hetgeen dat zij aanschaffen.18 De reden dat een externe partij – in dit geval de wetgever – de numerus clausus dwingend moet opleggen, is dat de originele partijen die bij het vestigen van een beperkt recht betrokken zijn, zich de belangen van al deze derden niet zullen aantrekken.19 Zij hebben wel de voordelen van het creëren van nieuwe vormen van beperkte rechten, maar niet de nadelen.20 Omdat de nadelen door een grote groep van derden zouden worden gevoeld en de voordelen maar gelden voor twee partijen, is het waarschijnlijk dat de samenleving als geheel slechter af zou zijn zonder de numerus clausus.21 Welke goederenrechtelijke rechten in de numerus clausus zouden moeten worden opgenomen, is onderwerp van discussie.22