Einde inhoudsopgave
Aanvullen van subjectieve rechten (O&R nr. 109) 2019/5.3.2
5.3.2 De verhouding tussen schaarse middelen en rechtsobjecten, juridische posities en subjectieve rechten
mr. drs. T.E. Booms, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. drs. T.E. Booms
- JCDI
JCDI:ADS296773:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie het citaat van Scholten in randnummer 1 en voor het (Anglo-) Amerikaanse recht bijvoorbeeld Barrère 2004, p. 129; Mossoff 2011, p. 257; Dorfman 2012, p. 579; Merrill & Smith 2001b, p. 778; Mackaay 2013b, p. 237.
Om verwarring te voorkomen vermijd ik het gebruik van de termen ‘goederen’, ‘zaken’ en ‘vermogensrechten’, omdat deze een specifieke betekenis hebben naar Nederlands recht; zie hierover paragraaf 9.3.3.
Veel auteurs laten één of meer van de hierna te bespreken stappen impliciet, of richten zich in hun betoog slechts op één stap. Een uitzondering vormt Smith 2017, p. 153, die zowel de verhouding tussen de begrippen als de te zetten stappen noemt.
Munzer 2011, p. 268–269.
Een brede opvatting van het begrip schaarse middelen zoals ik hier hanteer leidt er bijvoorbeeld toe dat ook (bundels van) juridische posities schaarse middelen zijn en deze dus tot rechtsobject gemaakt kunnen worden. Zie meer uitgebreid randnummer 179.
Lee & Smith 2012, p. 152.
Merrill & Smith 2011, p. 94; Chang & Smith 2012, p. 31; Fennell 2013, p. 1492.
Heller 1999, p. 1201.
Smith 2017, p. 153.
Lee & Smith 2012, p. 148.
Zie over de relatie tussen de omvang van het subjectieve recht en het rechtsobject in algemene zin Smith 2009, p. 211.
Smith 2015, p. 2065.
In deze zin ook Stern 2017, p. 1206: “…the individual things that are used as the starting point in delineating particular property entitlements…”. Zie verder Smith 2007, p. 1752–1753; Chang & Smith 2012, p. 13, 31–32; Lee & Smith 2012, p. 152; Smith 2013, p. 336; Smith 2015, p. 2065; Smith 2012a, p. 1703; Merrill & Smith 2001b, p. 790.
Smith 2015, p. 2066. Zo ook Merrill & Smith 2001a, p. 393–394.
Merrill & Smith 2011, p. 95 stellen dat de vaststelling van het object van een goederenrechtelijk recht zorgt voor besparing op “delineation, understanding, and enforcement costs”. Deze voordelen zouden er niet zijn als begonnen wordt met te redeneren vanuit de juridische posities.
Chang & Smith 2012, p. 35; Smith 2015, p. 2066.
Het betreft het leerstuk ‘acquisition’ (verkrijging), dat op verschillende manieren wordt uitgewerkt. Zie hierover bijvoorbeeld Claeys 2013, p. 13–46; Mackaay 2013b, p. 271 e.v.
Zie over het verkrijgen van juridische posities door overdracht bijvoorbeeld Penner 1997, p. 80 e.v.; Penner 2013 en voor het verkrijgen van juridische posities door het vestigen van een beperkt recht Rudden 1987, p. 251; Douglas & McFarlane 2013, p. 235.
Booms 2019, p. [10]; Merrill & Smith 2001b, p. 790.
Zie in deze zin Merrill & Smith 2000, p. 3 in het kader van het verschil tussen de verbintenissen die voortvloeien uit goederenrechtelijke rechten en overeenkomsten.
Vanuit deze preciserende functie van het rechtsobject geredeneerd (zie randnummer 157) is het niet nodig dat subjectieve rechten die op dit rechtsobject betrekking hebben zelf óók weer een rechtsobject vormen. Elk van de subjectieve rechten die op deze manier ‘gestapeld’ worden, geeft (indirect) namelijk recht op hetzelfde rechtsobject, althans hetgeen uit dat rechtsobject voortvloeit (zoals de betaling van een vordering). Dit neemt niet weg dat het vermogensrechtelijk systeem gevolgen kan verbinden aan het tenietgaan van ‘tussenliggende’ subjectieve rechten (en dat het daarbij handig is om te doen ‘alsof’ de tussenliggende subjectieve rechten ook rechtsobjecten vormen); dat is echter een keuze van de wetgever en geen noodzakelijkheid. Ik werk dit onderwerp verder niet uit. Zie over de voordelen van het ‘reïficeren’ van subjectieve rechten in algemene zin Bell & Parchomovsky 2008, p. 1046-1049.
164. In de voorgaande hoofdstukken heb ik de begrippen ‘schaarse middelen’, ‘rechtsobjecten’, ‘juridische posities’ en ‘subjectieve rechten’ gebruikt. Vaak wordt gesteld dat schaarse middelen worden ‘ontsloten’ door aan iemand die er gebruik van wenst te maken, een subjectief recht toe te kennen.1 Dat is wat te kort door de bocht, omdat daarmee de rechtsobjecten en juridische posities buiten beschouwing worden gelaten. Om dat te laten zien bespreek ik hieronder eerst de termen ‘schaarse middelen’ en ‘juridische posities’ en geef ik vervolgens aan hoe zij verband houden met de termen ‘rechtsobjecten’ en ‘subjectieve rechten’.2 De conclusie is dat schaarse middelen worden samengevoegd tot rechtsobjecten en dat juridische posities die op deze rechtsobjecten zien bij elkaar worden gevoegd tot subjectieve rechten. Niet alle auteurs gaan uit van dit stramien.3 Om de bespreking van de (Anglo-) Amerikaanse literatuur te vergemakkelijken deel ik alle literatuur toch in deze stappen in.
165. Het begrip ‘schaarse middelen’ dient in een (rechts)economische context ruim te worden opgevat. Het betreft alles van economische waarde waarvan de hoeveelheid niet onbeperkt is en dat nog niet in een juridisch jasje gegoten is.4 Deze omschrijving omvat niet alleen fysieke schaarse middelen, zoals grond, maar ook prestaties die partijen voor elkaar kunnen verrichten, zoals het verrichten van arbeid. Voor de rest van dit hoofdstuk ga ik er – tenzij anders aangegeven – voor het gemak even van uit dat schaarse middelen van fysieke aard zijn; het nadenken over schaarse middelen van andere aard wordt al snel complex.5
166. Juridische posities bepalen, zoals we gezien hebben in hoofdstuk 3, in welke relatie partijen tot elkaar staan. Ze bepalen wat er in de relatie tussen partijen toegestaan, niet toegestaan, verplicht, mogelijk, onmogelijk of noodzakelijk is. Het is daarvoor soms nodig dat specifieke schaarse middelen worden aangewezen waarop de relatie betrekking heeft (zie randnummer 98). Zo kunnen juridische posities bijvoorbeeld bepalen dat iemand jegens een ander gebruik mag maken van een bepaald stuk grond.
167. De begrippen ‘schaarse middelen’ en ‘juridische posities’ zouden voldoende zijn om alle vermogensrechtelijke posities van alle partijen weer te geven in een transactiekostenloze wereld (zie randnummer 109).6 In zo’n fictieve wereld maakt het niet uit hoe lang er wordt onderhandeld over wie er precies op welke manier gebruik mag maken van welke schaarse middelen.7 Het kost niets om deze afspraken te maken, dus als het nodig zou zijn zou over elke aanspraak op elke zandkorrel apart kunnen worden onderhandeld. Het is in zo’n wereld niet nodig om schaarse middelen of juridische posities verder te definiëren of bij elkaar te voegen (zie randnummer 110).8 Als iemand die van bepaalde schaarse middelen gebruik kan maken er graag andere schaarse middelen bij zou hebben, dan kan hij daar kosteloos een afspraak over maken. In het echte leven is het maken van afspraken echter nooit kosteloos. Daarom maken we gebruik van twee ‘trucs’ om het maken van afspraken over de juridische posities die mensen innemen ten aanzien van schaarse middelen gemakkelijker en goedkoper te maken.9
168. De eerste truc is om schaarse middelen samen te voegen waarvan we vinden dat ze bij elkaar horen, zodat we de werkelijkheid in handige rechtsobjecten kunnen indelen. Dat is bijvoorbeeld het geval bij een fiets. Verschillende onderdelen worden samengevoegd om dit rechtsobject te vormen: een stuur, trappers, zadel, etc. vormen samen de fiets. Door schaarse middelen te combineren in één rechtsobject, kan in één keer over een grote hoeveelheid ervan worden beschikt. Dat voorkomt transactiekosten. Ook maakt dit het voor derden eenvoudiger om zich van inbreuk te onthouden (zie randnummer 162).
169. Iets soortgelijks gebeurt bij juridische posities: hier is de truc dat deze worden samengevoegd tot één subjectief recht.10 Dat gebeurt op verschillende manieren, die te maken hebben met de inhoud van de juridische posities en met de partijen waartegen ze kunnen worden ingeroepen. Het combineren van de inhoud van juridische posities is te zien wanneer verschillende ‘kleinere’ juridische posities samen tot één grotere juridische positie worden gemaakt: de ‘duty’ om een fundering te storten, muren te metselen, een dak te plaatsen, etc. vormen samen de ‘duty’ om een huis te bouwen. Het is ook te zien wanneer juridische posities met een verschillende inhoud ten opzichte van één persoon samen onderdeel van een subjectief recht worden gemaakt. Zo bestaat een vordering tot betaling van een geldsom op een in de toekomst gelegen datum uit een ‘claim’ en ‘liberty’ om het bedrag op die datum te ontvangen en een ‘no-right’ om het bedrag terstond op te eisen. Het combineren van juridische posities ten opzichte van verschillende partijen, ten slotte, gebeurt bijvoorbeeld door een subjectief recht te voorzien van een ‘perimeter of protection’, die bestaat uit ‘claims’ en ‘immunities’ jegens derden. Al deze samenvoegingen maken het eenvoudiger om in één keer over een grote hoeveelheid juridische posities te beschikken. Dat voorkomt wederom transactiekosten.
170. In het vermogensrecht hebben we het dus – normaal gesproken – over rechtsobjecten en subjectieve rechten, in plaats van over schaarse middelen en juridische posities. De volgorde waarin rechtsobjecten en subjectieve rechten worden vastgesteld zou aanleiding kunnen geven tot enige moeilijkheden. De reden daarvoor is dat de keuze om bepaalde juridische posities wel of niet in een subjectief recht op te nemen, afhankelijk kan zijn van de vraag op welk rechtsobject de juridische posities zien, terwijl de vraag of bepaalde schaarse middelen in een rechtsobject opgenomen moeten worden, afhankelijk kan zijn van de juridische posities die op dat rechtsobject zien.11 Subjectief recht en rechtsobject bepalen elkaar dus in wederkerigheid. De eenvoudigste oplossing om te voorkomen dat de ideale samenstelling van een subjectief recht en het rechtsobject waarop dat recht ziet steeds blijft veranderen omdat er een ‘feedback loop’ ontstaat, is om één van beide ‘vast te zetten’ zodat aan de hand daarvan de ander kan worden bepaald. Omdat de juridische posities die partijen in relatie tot elkaar innemen worden gedefinieerd met verwijzing naar het rechtsobject van deze juridische posities, is het logisch het rechtsobject als eerst te definiëren. Zo ook Smith:
“In property law, things are the lynchpin of the architecture. […] property is more than the relation between an owner and a thing. Nonetheless, it is the very complexity of the problem of horizontal interactions and its interpersonal nature that requires a method of making the problem more manageable. That method is to modularize the system, starting with the definition of legal things.”12
171. Dat betekent dat wordt vastgesteld wat de omvang van het rechtsobject is waarop de juridische posities betrekking hebben en dat deze omvang medebepalend is voor welke juridische posities onderdeel van een subjectief recht uitmaken (maar niet andersom).13 Ook om andere redenen is het voordelig om éérst de omvang van het rechtsobject te bepalen. Dit zorgt namelijk voor een eenvoudiger manier van communiceren naar derden, omdat het rechtsobject altijd volgens een vaste set met regels kan worden vastgesteld:
“Employing things as a starting point also makes defining in rem rights easier because communicating the boundaries of a thing – especially when that thing emerges through spontaneous possessory customs – is easier than promulgating lists of permitted and forbidden actions with respect to resources and parties.”14
172. Dit maakt het eenvoudiger om een deel van de juridische posities direct vast te stellen op basis van het rechtsobject.15 Ten slotte zorgt het éérst vaststellen van het rechtsobject ervoor dat het rechtsobject niet wordt samengesteld op basis van de juridische posities van de partijen die toevalligerwijs het eerst met het rechtsobject geassocieerd zijn. Het rechtsobject is in andere woorden ‘gedepersonaliseerd’, wat ervoor zorgt dat het eenvoudiger zal zijn de subjectieve rechten te verhandelen die op het rechtsobject betrekking hebben.16
173. Uit het bovenstaande blijkt dat de aanhangers van de ‘right to a thing’-opvatting (impliciet) uitgaan van de volgende vier stappen om subjectieve rechten vast te stellen:
Het bepalen van in aanmerking komende schaarse middelen
Het combineren van schaarse middelen tot rechtsobjecten
Het bepalen van in aanmerking komende juridische posities
Het combineren van juridische posities tot subjectieve rechten
174. Ik neem deze vier stappen voor dit onderzoek over, zij het dat ik in paragraaf 5.4 nog een toevoeging doe om het toedelen en veranderen van juridische posities door de overheid een plek te geven. Op dit ‘stappenschema’ kom ik nog meermaals in dit onderzoek terug. Ik maak er hier alvast twee opmerkingen over die voor de rest van het onderzoek van belang zijn.
175. De eerste opmerking is dat ik niet alle literatuur die op de stappen van het stappenschema betrekking heeft bespreek, omdat niet alle literatuur in het kader van dit onderzoek even relevant is. Ik ben uiteindelijk op zoek naar de manieren waarop subjectieve rechten kunnen worden aangevuld. Om dat te weten is het (enkel) nodig om in abstracte zin te weten hoe subjectieve rechten in elkaar zitten. Zo bespreek ik bij stap 1 en stap 3 welke schaarse middelen, respectievelijk juridische posities, aan iemand toe kunnen komen. Hoe diegene daar in een concreet geval aan gekomen is, is voor dit onderzoek niet relevant. Daarom bespreek ik de literatuur die gaat over de wijze waarop schaarse middelen worden verkregen niet.17 Hetzelfde geldt voor literatuur die gaat over de wijze waarop juridische posities worden verkregen.18
176. De tweede opmerking heeft betrekking op het verschil tussen goederenrechtelijke rechten en andere subjectieve rechten. De eerste twee stappen van het stappenschema zijn slechts van toepassing bij goederenrechtelijke rechten. Subjectieve rechten die niet verwijzen naar een rechtsobject, zoals het vorderingsrecht tot betaling van een geldsom, worden direct vastgesteld door de relevante juridische posities te bepalen en samen te voegen.19 In zulke gevallen zullen partijen vaak een grotere vrijheid hebben om hun juridische posities onderling te bepalen, omdat ze niet gebonden zijn aan een rechtsobject waarop de posities betrekking dienen te hebben.20 Subjectieve rechten die niet verwijzen naar een rechtsobject, kunnen wél zelf het ‘rechtsobject’ vormen van een ander subjectief recht (als in: nodig zijn om juridische posities te kunnen omschrijven).21 Een voorbeeld daarvan is dezelfde vordering tot betaling van een geldsom, die het rechtsobject kan zijn van een erop gevestigd beperkt recht.