Vastgoedtransacties in de Europese btw
Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/8.2.4.1.2:8.2.4.1.2 Status belastingplichtige
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/8.2.4.1.2
8.2.4.1.2 Status belastingplichtige
Documentgegevens:
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291185:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
R.F.W. van Brederode, ‘De scheidslijn tussen consumptie en productie in de BTW’, WFR 1998/1577.
HvJ EG 14 februari 1985, zaak 268/83, BNB 1985/315, m.nt. Simons (Rompelman).
HvJ EG 3 maart 2005, zaak C-32/03, V-N 2005/15.8 (Fini H).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Zoals het Hof van Justitie naar mijn mening terecht uit art. 167 jo. art. 168 Btw-richtlijn afleidt, is aftrek slechts mogelijk indien de goederen en diensten zijn afgenomen door een belastingplichtige. Voor deze vernauwing van de ‘aftrekpoort’ bestaat derhalve een juridische grondslag.1 Het hebben van de status van belastingplichtige op het moment waarop de goederen of diensten worden afgenomen, is dus noodzakelijk voor het ontstaan van het recht op btw-aftrek. In het licht van de fiscale neutraliteit is het daarom van groot belang dat het Hof van Justitie het begrip ‘belastingplichtige’ ruim uitlegt. In het Rompelman-arrest heeft het Hof geoordeeld dat de belastingplicht reeds aanvangt op het moment dat de eerste voorbereidende handelingen worden getroffen (zie paragraaf 3.4.1.2.2.1).2 Hierdoor heeft het Hof er een stokje voor gestoken dat een startende belastingplichtige de btw op de kosten voor een voorgenomen belaste handeling moet voorfinancieren, hetgeen in strijd zou zijn met de ratio van het aftrekrecht (zie paragraaf 8.2.3). In het Rompelman-arrest betekende de ruime uitleg van het begrip ‘belastingplichtige’ dat het echtpaar Rompelman reeds bij aankoop van (het recht op) een in aanbouw zijnde showroom recht had op (volledige) btw-aftrek vanwege de voorgenomen belaste verhuur en niet pas bij de aanwending van de showroom voor de belaste verhuur. Daarnaast heeft het Hof van Justitie in het Fini H-arrest geoordeeld dat ook in de liquidatiefase – dus na beëindiging van de belastbare handelingen – nog sprake is van belastingplicht (zie paragraaf 3.4.1.2.2.1). In het Fini H-arrest betekende dit dat de btw op de huur en de bijkomende kosten van een gebouw dat door Fini H was gebruikt voor haar restaurantactiviteit, na de beëindiging van die activiteit op dezelfde wijze aftrekbaar was als tijdens de periode tussen de voorbereiding en de stopzetting van deze activiteit.3 Met voormelde ruime uitleg van het begrip ‘belastingplichtige’ waarborgt het Hof van Justitie derhalve dat de belastingplichtige zowel in de voorbereidende, de operationele als de liquidatiefase volledig ontlast kan worden van de btw op de kosten die hij voor belaste handelingen maakt.