Executele
Einde inhoudsopgave
Executele (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2007/II.C.4.1:II.C.4.1 Het beginsel van de nader te noemen meester als erfrechtelijke Gleichgültigkeit
Executele (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2007/II.C.4.1
II.C.4.1 Het beginsel van de nader te noemen meester als erfrechtelijke Gleichgültigkeit
Documentgegevens:
Prof.mr. B.M.E.M. Schols, datum 07-12-2007
- Datum
07-12-2007
- Auteur
Prof.mr. B.M.E.M. Schols
- JCDI
JCDI:ADS410491:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie over art. 3:67 BWook J.J. DAMMINGH, Bemiddeling door de makelaar bij de koop en verkoop van onroerende zaken (diss. Nijmegen), Deventer: Kluwer 2002, p. 186.
A.C.VAN SCHAICK,Volmacht, Deventer: Kluwer 1999, p. 39.
Zoals de 'taxi-centrale'er uiteindelijk tussenuit valt, zo valt ook de executeur er tussenuit en is de erfgenaam partij bij de overeenkomst. Dat is de gedachte.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De vraag in hoeverre er bij de vertegenwoordiging van erfgenamen niet nog meer aandacht dient te zijn voor het Gleichgultigkeitsprinzip van Schoordijk, blijft zich ook vanuit een andere invalshoek opdringen en wel vanuit de hiervoor reeds kort aangestipte gedachte van de 'nader te noemen meester' als bedoeld in art. 3: 67 BW. Dit omdat wij bij de afwikkeling van een nalatenschap niet alleen van doen hebben met een 'overledene' die uberhaupt geen rechtshandelingen meer kan stellen, maar met name vanwege het feit dat na het overlijden niet van meet af aan bekend hoeft te zijn wie zijn rechtsopvolger is. Niet zelden dienen erfgenamen na het overlijden nog te worden opgespoord. Een executeur dient echter in het belang van een voortvarende boedelafwikkeling zijn wederpartij reeds aan deze onbekende rechtsopvolger van erflater te kunnen binden. De wederpartij handelt met de executeur en kan in beginsel worden gebonden zonder dat hij in die fase (zonder meer) recht heeft de identiteit van zijn contractspartij te kennen. Niet alleen zou onbekend kunnen zijn wie de erfgenamen zijn, maar het zou zich ook voor kunnen doen dat de erfgenaam de nalatenschap verwerpt. Desalniettemin blijft de wederpartij aan de met de executeur aangegane overeenkomst gebonden. Gesteld zou kunnen worden dat de executeur door het gebruik, impliciet dan wel expliciet, van de term executeur zich als onmiddellijk vertegenwoordiger van een nader te noemen rechtsopvolger van zijn erfrechtelijke meester heeft gedragen.
Het nadeel van deze redenering zou kunnen zijn dat de executeur te snel zelf gebonden zou kunnen raken aan de handeling als hij de identiteit van de betreffende erfgenaam niet tijdig kenbaar zou kunnen maken als bedoeld in art. 3:67 lid 2 BW. Hier zouden echter de flexibele woorden 'tenzij uit de overeenkomst anders voortvloeit' uitkomst kunnen bieden. Ook zou gesteld kunnen worden dat de woorden 'redelijke termijn' in art. 3:67 lid 1 voldoende speelruimte bieden voor het erfrecht. Van een erfgenaam die niet gevonden kan worden na opsporingen met doelmatige middelen in de zin van art. 4:150 juncto art. 4:225 lid1 BW kan immers ook niet de naam genoemd worden. Ook al is er gehandeld 'in zijn naam'. Het sluitstuk van de redenering zou wellicht gevonden kunnen worden in art. 4:226 lid 1 BW waar bepaald is dat als er geen erfgenamen zijn, het niet bekend is of er erfgenamen zijn, of de erfgenamen niet bereid zijn de goederen in ontvangst te nemen, de executeur deze nadat de vereffening voltooid is aan de Staat afgeeft. Blijkens art. 4:189 BW wordt de Staat niet aansprakelijk voor de schulden.
De schakelbepaling van art. 3:78 BW dwingt ons de vraag te stellen in hoeverre het beginsel van de nader te noemen meester op executele van toepassing is oftewel vertegenwoordiging uit anderen hoofde dan volmacht. Daarnaast heeft toepassing van dit beginsel het voordeel dat dit aansluit bij de gedachte van art. 4:145 lid 2 BW dat de executeur een onmiddellijk vertegenwoordiger is. Iemand die handelt voor een nader te noemen meester handelt 'in naam van'. Dat er enige rek of anders gezegd op zijn minst 'reflexwerking' in het betreffende beginsel zit, kan mijns inziens ook afgeleid worden uit de recente conclusie van A-G Verkade die vooraf ging aan HR 14 april 2006, JOL 2006, 238 (Redaco/Multiwal), waar recht gevonden wordt in het licht van art. 3:67 BW.Van grote vindingrijkheid getuigt, nadat hij de 'Kribbebij-ter' een voorloper van het Haviltex-arrest genoemdheeft, de volgende passage:
'Ik ontkom er niet aan om bij het bovenstaande te denken aan het alledaagse geval waarbij aspirant-passagier A een taxi-centrale B belt, met het verzoek om (bijv.) ''een taxi naar Schiphol om 07.00 uur''. Of de taxicentrale een eigen taxi met een eigen werknemer stuurt ( gesteld dat de taxi-centrale die heeft), ofeen taxi met een werknemer van een derde onderneming (C) maakt - zo mag men doorgaans aannemen - A niet uit. Als de zich bij A aandienende taxi een taxi is van de A nog niet bekende onderneming C, komt er toch een overeenkomst tussen A en C tot stand, ook al is het niet B die C als de "meester" noemt, maar de chauffeur van C die dat bovendien pas na de rit doet, wanneer hij als vertegenwoordiger van C de rekening aan A presenteert en daarmee C als de meester aan A bekend maakt. Iets dergelijks zal zich voordoen als de naam van C bekend wordt (bekend moet worden) indien er tijdens de rit iets misgaat, wat tot een claim van A op C of van C op A aanleiding geeft. Ook dit alles lijkt mij ''Havil-tex-conform", mede in het licht van art.3:67 BW.' (Curs. BS)
Zo zal het de wederpartij van de executeur in beginsel niet uitmaken wie de erfgenamen zijn oftewel wie de rechtsopvolger van de erfrechtelijke meester van de executeur is: 'Dit, mede in het licht van art. 3:67 BW.' Ook de Hoge Raad lijkt de materie met soepel juridisch gemoed te benaderen:
'een overeenkomst [...] tussen Multiwal en een door [betrokkene 1] in te schakelen wederpartij is totstandgekomen, wier identiteit eerst later aan Mulitwal bekend zou worden gemaakt, en wel door de vermelding daarvan in de ter zake van de terbeschikkingstelling aan Mulitwal te zenden factuur.' (Curs. BS)
De gedachte dat de Hoge Raad, afgezien van het bepaalde in art. 4:145 lid 2 BW, het gebruik van het erfrechtelijk beladen woord: executeur, als het handelen voor een nader (later) te noemen rechtsopvolger van een erfrechtelijk meester zou kunnen bestempelen, lijkt mij gelet op bovenstaandarrest niet ondenkbeeldig. Net zoals wellicht in de term 'taxi-centrale' besloten ligt dat men voor een nader te noemen meester handelt, die zich pas in latere fase 'zelf' meldt, zo kan in het gebruik van de term 'execüteür' besloten liggen dat men een onbekende erfgenaam vertegenwoordigt die pas in een latere fase gevonden wordt en zich dan ook pas in een latere fase meldt. De wederpartij heeft door de erfrechtelijke lading iets 'gleichgultigs'.1 Van Schaick2 ziet, in navolging van het Franse recht, het handelen voor zichzelf of een nader te noemen meester als een vorm van voorwaardelijke vertegenwoordiging, waarbij een der contractspartijen vooralsnog onbepaald is. Dankzij 'een voorbehoud' van de feitelijke contractspartij (BS lees: executeur) kan een ander alsnog contractspartij worden. Dit voorbehoud zou met een soepel juridisch gemoed gelezen kunnen worden in de titel: executeur.
Het zoeken van aansluiting bij art. 7:423 BW blijft onverminderd van belang, niet alleen gelet op het eventuele privatieve karakter van lastgeving, maar ook voor de gevallen waarin de executeur zijn functie niet afdoende kenbaar maakt en men aan de 'nader te noemen meester' en de daarop eventueel te baseren onmiddellijke vertegenwoordiging niet zou toekomen. In dat geval is met name van belang dat aansluiting bij art. 7:420 BWen art. 7:421 BW kan worden gezocht, bij het handelen'op eigen naam'.
Dat de 'meester' van de executeur niet de erfgenaam is, maar 'erflater' volgt zoals hiervoor gezien uit art. 3:77 BW.Wie het beginsel: 'erflater leeft' combineert met het beginsel: 'van de nader te noemen meester in art. 3:67 BW', spreekt van vertegenwoordiging door de executeur van de nader te noemen rechtsopvolger van de erfrechtelijke meester.
Door het vertegenwoordigingsbeginsel 'nader te noemen meester' kan ook verklaard vorden dat de executeur in beginsel geen middellijke vertegenwoordiger is, doch een onmiddellijke vertegenwoordiger.3 De onbevoegdheid van de erfgenamen als bedoeld in art. 4:145 BW kan verklaard worden door het bewindsaspect van privatieve lastgeving.
In de volgende paragraaf zal zoals aangekondigd nog een uitstapje gemaakt worden naar het fenomeen'kwaliteitsrekening' door de bril van executele. Bij het doorgronden van de aard van een kwaliteitsrekening speelt eveneens het beginsel 'nader te noemen meester' een rol, zo leren wij van Belgische zijde.