Het juridische begrip van godsdienst
Einde inhoudsopgave
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/20.3:20.3 Nadere duiding
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/20.3
20.3 Nadere duiding
Documentgegevens:
mr. drs. A. Vleugel, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. drs. A. Vleugel
- JCDI
JCDI:ADS450450:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Hoewel in het kader van de formuleringen van de grondrechtsobjecten van artikel 9 EVRM en artikel 6 Grondwet en de vaste rechtspraak hierover gesteld kan worden dat het juridische begrip van godsdienst een aantal aspecten bevat die objectief van aard zijn en geassocieerd kunnen worden met het ideaaltype van het liberaal gezindtepluralisme, kunnen we op basis van de analyse van verschillende onderwerpen met een religieus karakter concluderen dat er in het recht een uiteenlopend begrip van godsdienst bij verschillende onderwerpen wordt gehanteerd. Ook zien we dat het begrip godsdienst ten aanzien van één specifiek onderwerp kan variëren. De rechter hanteert dan bijvoorbeeld een wat andere benadering dan de wetgever. In het bovenstaande heb ik getracht algemene lijnen te ontwaren. Vanuit dat perspectief heb ik de verschillende onderwerpen gecategoriseerd.
De legitimaties voor de verschillende manieren waarop het begrip godsdienst wordt uitgelegd kunnen worden geassocieerd met verschillende politiek-filosofische ideaaltypen. Men zou kunnen zeggen dat het juridische begrip van godsdienst als een lappendeken van verschillende politiek-filosofische perspectieven aan elkaar hangt. Dat is ook niet verwonderlijk gezien het feit dat het recht een neerslag vormt van langdurige maatschappelijke en politieke ontwikkelingen. Uiteindelijk doe ik vier constateringen:
Er zijn een aantal onderwerpen waarbij in lijn met de maatschappelijke ontwikkelingen van individualisering en multiculturalisering een verschuiving plaatsvindt van een objectiverende naar een subjectiverende uitleg van het begrip godsdienst. Deze ontwikkeling kunnen we duiden als het gevolg van een meer accommodationistische benadering die aan invloed wint ten koste van een benadering die past bij het ideaaltype van het liberaal gezindtepluralisme, dat uitgaat van historisch gevestigde collectiviteiten. Voor deze onderwerpen geldt dat de accommodatie van religieuze pluriformiteit en de daarbij behorende subjectiverende uitleg weinig weerstand van de overheid oproept en tot weinig praktische problemen leidt. Veelal betreffen dit onderwerpen waarbij de mogelijke (financiële) consequenties van een meer subjectiverende uitleg voor de staat beperkt zijn. Het gaat om de eedsaflegging in gerechtelijke procedures, de reikwijdte van de term kerkgenootschap en de strafrechtelijke bescherming van groepen tegen discriminatie.
Er zijn een aantal onderwerpen die we kunnen beschouwen als restanten van het zuilensysteem. Daarbij wordt een een collectief-subjectiverende uitleg van het begrip godsdienst gehanteerd die kan worden geassocieerd met het communautaristische ideaaltype. Het kerkgenootschap en het bijzonder onderwijs hebben tot op zekere hoogte de vrijheid om voor hun leden, respectievelijk leerlingen/docenten te bepalen wat telt als godsdienst. In hoeverre de communautaristische benadering toekomstbestendig is, zal afhangen van de mate waarin de maatschappij blijft ondersteunen dat godsdienst een legitimatie vormt voor een vergaande autonomie van instellingen. Mogelijk dat dit gezien de wegebbende invloed van de christelijke politieke principes van ‘soevereiniteit in eigen kring’ en ‘subsidiariteit’ minder wordt. De laatste jaren lijkt deze steun in ieder geval ten aanzien van het bijzonder onderwijs af te nemen. Aan de andere kant zijn er nog steeds groepen in de samenleving die zich op deze traditionele wijze organiseren. Zolang deze groepen bestaan zullen hun rechten niet zomaar worden afgenomen en in dat geval zal ook de bij deze rechten behorende collectief-subjectiverende uitleg van het begrip godsdienst blijven bestaan.
Het gevolg is dat bij een botsing tussen een collectief en een individueel recht binnen een religieuze gemeenschap, er geheel tegen de tendens van een individualiserende samenleving in, door het recht aan de zelfdefinitie van de religieuze groep een groter belang wordt toegekend dan aan de zelfdefinitie van het individu.
Er zijn een aantal onderwerpen waarbij in lijn met de maatschappelijke ontwikkelingen van individualisering en multiculturalisering een subjectiverende uitleg van het begrip godsdienst gangbaarder wordt maar waarin men ten aanzien van een louter individuele (singuliere) godsdienstuitoefening nog wel een objectiverende uitleg hanteert. Dit valt te duiden als een accommodationistische benadering die niet tot het uiterste wordt gevolgd, aangezien men op sommige punten vasthoudt aan een benadering die past bij het ideaaltype van het liberaal gezindtepluralisme. De rechtsorde lijkt op het gebied van kleding en omgangvormen, rituele slacht, de aanvraag asiel een uitsluitend singuliere wijze van godsdienstuitoefening niet te willen accommoderen. Waarschijnlijk is dat bij deze onderwerpen een volledig accommodationistische benadering onwenselijk wordt geacht wegens angst voor misbruik van het recht of voor situaties waarbij het recht onhanteerbaar zou worden. Men kan denken aan de situatie dat een individu op basis van een zelfverzonnen geloof het recht claimt om ritueel te slachten of stelt in het kader van een ontslag gediscrimineerd te worden wegens het om godsdienstige redenen dragen van een absurde ‘outfit’ (een vergiet?) in een functie waar representativiteit belangrijk is. Ook kan de terughoudendheid worden ingegeven vanwege het feit dat bepaalde kwesties politiek gevoelig liggen, bijvoorbeeld het verlenen van verblijfsvergunningen. Mogelijk is men bevreesd dat een benadering waarbij men de religieuze perspectieven van asielzoekers volledig accommodeert (bij het niet uitfilteren van onoprechte claims) zou kunnen leiden tot een toename van het aantal vluchtelingen.
Er zijn een aantal onderwerpen waarbij ondanks de maatschappelijke ontwikkelingen van individualisering en multiculturalisering een meer objectiverende uitleg van het begrip godsdienst wordt gehandhaafd. Het begrip van godsdienst kan binnen deze onderwerpen worden geassocieerd met het liberaal gezindtepluralisme. Men gaat het liefst uit van de traditionele en algemeen erkende godsdiensten. Bovendien moeten deze godsdiensten welbepaald zijn. We komen deze benadering tegen in het belastingrecht terzake van de ANBI-regeling en de kerkenvrijstelling en in het onderwijs terzake van de uitleg van de term richting. De nadruk op objectivering binnen deze onderdelen van het recht is mogelijk te verklaren vanuit de gedachte dat het hier gaat om rechtssubjecten die een financiële gunst verlangen van de overheid. Dat is evident voor de belastingvoordelen van kerkgenootschappen maar geldt ook voor het bestaan van het bijzonder onderwijs. Het betreft dan de regeling voor de vervoerskosten naar de dichtstbijzijnde school van de gewenste richting en de bekostiging van een nieuw te stichten school. Denkbaar is dat de staat ten aanzien van deze onderwerpen vreest dat een subjectief begrip van godsdienst tot hoge kosten zal leiden en zich daarom objectief-restrictief opstelt.