HR, 12-09-2014, nr. 13/05881
13/05881
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
12-09-2014
- Zaaknummer
13/05881
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2014:2654, Uitspraak, Hoge Raad, 12‑09‑2014; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2013:3582
Beroepschrift, Hoge Raad, 12‑09‑2014
Beroepschrift, Hoge Raad, 04‑02‑2014
- Vindplaatsen
NTFR 2015/201
NTFR 2014/2369 met annotatie van mr. dr. N. Djebali
FutD 2014-2082
Viditax (FutD) 2014091205
Uitspraak 12‑09‑2014
Inhoudsindicatie
KB-Lux. Beoordeling boeten.
Partij(en)
12 september 2014
Nr. 13/05881
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 17 oktober 2013, nr. 11/00333, betreffende de ten aanzien van belanghebbende ter zake van de vermogensbelasting (hierna: VB) over de jaren 1992 tot en met 2000 en de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) voor het jaar 2001 gegeven beschikkingen inzake een verhoging dan wel boetebeschikkingen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend. Hij heeft tevens incidenteel beroep in cassatie ingesteld.
Het beroepschrift in cassatie en het geschrift waarbij incidenteel beroep in cassatie is ingesteld, zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft het incidentele beroep beantwoord. Tevens heeft hij in het principale beroep een conclusie van repliek ingediend.
2. Uitgangspunten in cassatie
2.1.
De bestreden verhogingen en boeten ter zake van de VB over de jaren 1992 tot en met 2000 en IB/PVV voor het jaar 2001 houden verband met het zogenoemde Rekeningenproject.
2.2.1.
Het Hof heeft bij uitspraak van 20 oktober 2011, nr. 11/00248, uitspraak gedaan op de beroepen inzake de navorderingsaanslagen in de VB over de jaren 1992 tot en met 2000 en de aanslag in de IB/PVV voor het jaar 2001. Het tegen deze uitspraak door belanghebbende ingestelde beroep in cassatie is bij arrest van de Hoge Raad van 14 september 2012, nr. 11/05179, ongegrond verklaard.
2.2.2.
In de hiervoor in onderdeel 2.2.1 vermelde uitspraak heeft het Hof tevens bij wijze van tussenuitspraak (hierna: de tussenuitspraak) iedere beslissing over de met de (navorderings)aanslagen verband houdende verhogingen en boeten aangehouden totdat de verhogingen en boeten ter zake van de IB/PVV over de jaren 1991 tot en met 2000 onherroepelijk vaststaan.
2.2.3.
In de thans in cassatie bestreden uitspraak van 17 oktober 2013 heeft het Hof reden gezien terug te komen van de in de tussenuitspraak vermelde beslissing tot aanhouding.
2.2.4.
Nadat het Hof de behandeling van het geschil over de verhogingen en boeten had hervat, heeft het de Inspecteur bij brief van 18 maart 2013 in de gelegenheid gesteld het bewijs van de door hem aangenomen beboetbare feiten te leveren.
2.2.5.
De Inspecteur heeft bij brief van 25 maart 2013 van de door het Hof geboden gelegenheid gebruik gemaakt en in die brief onder meer verwezen naar door belanghebbende bij brief van 14 april 2011 ingezonden stukken omtrent de rekening bij de Kredietbank Luxembourg (hierna: KB-Lux) waarvan belanghebbende de houder is (geweest).
2.2.6.
Het Hof heeft onder verwijzing naar een eerdere beslissing de hiervoor in onderdeel 2.2.5 bedoelde van KB-Lux afkomstige stukken met een beroep op een goede procesorde buiten beschouwing gelaten.
3. Beoordeling van de door belanghebbende voorgestelde middelen
3.1.
Middel 1 komt op tegen ’s Hofs hiervoor onder 2.2.6 weergegeven beslissing. Het middel slaagt. Blijkens de tussenuitspraak was iedere beslissing over de verhogingen en boeten aangehouden. Nadat het Hof de behandeling van het geschil over de verhogingen en boeten had hervat, heeft het de Inspecteur in de gelegenheid gesteld bewijs van de door hem aangenomen beboetbare feiten te leveren. Daartoe heeft de Inspecteur vervolgens verwezen naar van KB-Lux afkomstige stukken omtrent de KB-Luxrekening van belanghebbende. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, is niet begrijpelijk dat de Inspecteur hiermee zou hebben gehandeld in strijd met een goede procesorde. Daartoe is onvoldoende de omstandigheid dat het Hof die stukken toen die door belanghebbende bij brief van 14 april 2011 werden ingebracht buiten beschouwing heeft gelaten omdat zij te laat waren ingebracht.
3.2.
Uit de gegrondbevinding van middel 1 volgt dat middel 2 geen behandeling behoeft.
4. Beoordeling van de in het incidentele beroep in cassatie aangevoerde klacht
4.1.
Het Hof heeft met betrekking tot de verhogingen ter zake van de VB over de jaren 1992 en 1993 het bewijs van beboetbare feiten door de Inspecteur niet geleverd geacht. Hiertegen keert zich de klacht in het incidentele beroep in cassatie met het betoog dat het Hof ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de door belanghebbende vóór de tussenuitspraak bij brief van 14 april 2011 overgelegde informatie waaruit zou blijken dat reeds vanaf juli 1990 sprake is geweest van een saldo van ƒ 85.000.
4.2.
De klacht slaagt. In meergenoemde brief van de Inspecteur van 25 maart 2013 is onder meer vermeld dat uit het overzicht in de brief van belanghebbende van 14 april 2011 “blijkt dat de rekening al in het oudste thans in geschil zijnde jaar (…) werd aangehouden”. ’s Hofs oordeel dat het bewijs van beboetbare feiten ter zake van de VB over de jaren 1992 en 1993 niet is geleverd, is daarom zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk.
5. Slotsom
Gelet op het hiervoor in de onderdelen 3.1 en 4.2 overwogene kan ’s Hofs uitspraak niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.
6. Proceskosten
Wat betreft het cassatieberoep van belanghebbende zal de Staatssecretaris worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
Wat betreft het cassatieberoep van de Staatssecretaris acht de Hoge Raad geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
7. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart beide beroepen in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissingen omtrent het griffierecht en de proceskosten,
verwijst het geding naar het Gerechtshof ’s‑Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,
gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 118, en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1948 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer C. Schaap als voorzitter, en de raadsheren Th. Groeneveld en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 12 september 2014.
Beroepschrift 12‑09‑2014
Edelhoogachtbare dames, heren,
1.
Namens belanghebbende heb ik de eer hierbij ex artikel 28 Algemene Wet inzake Rijksbelastingen bij uw Raad het beroepschrift in cassatie in te dienen tegen bovenvermelde uitspraak van de Vijfde Enkelvoudige Belastingkamer van het Gerechtshof te Amsterdam, waarvan het afschrift ter post is bezorgd op 22 oktober 2013 (Productie 1). Het Gerechtshof heeft zijn hiervoor vermelde uitspraak gedaan op het door appellant ingestelde beroep tegen de uitspraken van de Inspecteur betreffende de aan appellant opgelegde navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) voor de jaren 1991 tot en met 2000 en in de vermogensbelasting (hierna: VB) voor de jaren 1992 tot en met 2000 (hierna gezamenlijk: de navorderingsaanslagen) en het beroep dat is ingesteld tegen de uitspraak van de Inspecteur betreffende de aan appellant opgelegde aanslag (IB/PVV) 2001.
2.
In deze procedure heeft het Hof bij uitspraak van 27 januari 2011 (Kenmerk: P 04/02856) en 05/00645 het beroep van appellant gegrond verklaard, de bij dit beroep bestreden uitspraken vernietigd, de navorderingsaanslagen IB/PVV 1991 tot en met 2000 verminderd en de boetes verminderd tot 64% van de belasting- en premiebedragen zoals die na de vermindering kwamen te luiden en ook de heffingsrenten verminderd.
3.
Het Hof heeft voorts in de vorm van een tussenuitspraak de Inspecteur opgedragen om de vermogens voor de vermogensbelasting en de aanslag IB/PVV 2001 opnieuw te berekenen. Het Hof heeft de verdere beslissing inzake de navorderingsaanslagen VB en IB/PVV 2001 en de daarop betrekking hebbende beschikkingen aangehouden.
4.
Bij uitspraak van 20 oktober 2011 met kenmerk P/00248 heeft het Hof het beroep van appellant gegrond verklaard, de bestreden uitspraken betreffende de in de navorderingsaanslagen VB begrepen belasting, de ter zake van deze navorderingsaanslagen genomen beschikkingen heffingsrente en de aanslag IB/PVV vernietigd en de navorderingsaanslagen VB aanslag IB/PVV 2001 verminderd. Het Hof heeft iedere beslissing inzake de in voornoemde aanslagen begrepen verhogingen c.q. boetes aangehouden.
5.
Appellant heeft tegen de beide voormelde uitspraken beroep in cassatie ingesteld.
6.
Uw Raad heeft bij arrest van 14 september 2012 (nr. 11/01019) het tegen de uitspraak van het Hof van 27 januari 2011 ingestelde beroep gegrond verklaard en deze uitspraak uitsluitend voor wat betreft de verhogingen voor de jaren 1991 tot en met 1997 en de opgelegde boeten voor de jaren 1998 tot en met 2000 vernietigd en het geding naar het Gerechtshof 's‑Gravenhage verwezen.
7.
Uw Raad heeft voorts bij arrest van 14 september 2012 (nr. 11/05179) het tegen de uitspraak van het Hof van 20 oktober 2011 ingestelde beroep, in cassatie onder verwijzing naar art. 81 RO ongegrond verklaard.
8.
Het Gerechtshof 's‑Gravenhage als verwijzingshof heeft bij uitspraak var 26 april 2013 (nummer 12/00731) — kort samengevat — geoordeeld, dat de Inspecteur onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld die de conclusie rechtvaardigen dat belanghebbende voor enig jaar het feit ter zake waarvan de verhoging of boete is opgelegd, heeft begaan en heeft de boetebeschikkingen vernietigd.
9.
De Inspecteur heeft tegen deze uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Dit beroep in cassatie is bij uw Raad aanhangig onder kenmerk F 13/02865.
10.
Bij de in dit beroepschrift bestreden uitspraak van 17 oktober 2013 heeft het Hof in r.o. 5.3.4. en 5.3.5. geoordeeld over de door appellant bij brief van 14 april 2011 ingezonden afschriften van de KB-Lux. Het Gerechtshof heeft daartoe in r.o. 5.3.5. overwogen dat het in strijd met de goede procesorde zou zijn om terug te komen op het eerdere, oordeel over in de eerdere uitspraak van 20 oktober 2011, nu dat oordeel expliciet mede betrekking had op de boeten.
11.
Het Hof heeft verder het beroep van appellant gegrond verklaard, de uitspraken die betrekking hebben op het bezwaar tegen de in de navorderingsaanslagen 1992 tot en met 1998 begrepen verhogingen en de ter zake van de navorderingsaanslagen VB 1999 en 2000 en de aanslag IB/PVV 2001 genomen boetebeschikkingen vernietigd de navorderingsaanslagen VB 1992 en 1993 verminderd met de daarin begrepen verhogingen, de in de navorderingsaanslagen VB 1994 tot en met 1998 begrepen verhogingen verminderd tot 64% van de nagevorderde belasting en de bij beschikking vastgestelde, boeten ter zake van de navorderingsaanslagen VB 1999 en 2000 en de aanslag IB/PVV 2001 tot 64% van de nagevorderde belasting c.q. op aanslag verschuldigde belasting.
12
Het Hof heeft daartoe in r.o. 5.4.4. geoordeeld onder verwijzing naar het arrest van uw Raad van 28 juni 2013 dat het door uw Raad in dit arrest geformuleerde bewijsvermoeden voor de jaren 1992 en 1993 zou neerkomen met een met art. 6, tweede lid EVRM strijdige omkering van de bewijslast. Ten aanzien van de jaren 1994 en volgende heeft het Hof echter geoordeeld dat de Inspecteur in zijn bewijslast was geslaagd.
13.
Appellant meent dat de uitspraak niet in stand kan blijven en wenst daartegen de navolgende middelen aan te voeren.
Middel 1
Schending en/of verkeerde toepassing, van het Nederlands recht, Waaronder mede begrepen schending van enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur en/of verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming uitdrukkelijk met nietigheid is bedreigd of ten aanzien waarvan de nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen doordat het Hof ten onrechte dan wel onvoldoende draagkrachtig met redenen omkleed het in r.o. 5.3.5. in strijd met de goede procesorde heeft geacht om terug te komen op zijn eerdere in de voormelde uitspraak van 20 oktober 2011 gegeven oordeel, te weten dat de door de gemachtigde van belanghebbende bij brief van 14 april 2011 aan het Hof verzonden van de van de KB-Lux afkomstige documenten.
Toelichting
1.1.
Appellant had bij de brief van 14 april 2011 de van de KB-Lux afkomstige bankafschriften overgelegd, waarin de daadwerkelijk door hem bij deze bank over de in het geding zijnde jaren aangehouden tegoeden waren vastgelegd.
1.2.
Het is de bedoeling van de wetgever dat aan de op te leggen (navorderings-)aanslagen IB/PVV en VB en de daarin begrepen verhogingen c.q. daarbij opgelegde boetebeschikkingen, het daadwerkelijk aangehouden vermogen en daaruit genoten inkomsten ten grondslag wordt gelegd.
1.3.
Het zou derhalve met de bedoeling van de wetgever stroken, indien de in de litigieuze navorderingsaanslagen vermogensbelasting begrepen verhogingen c.q. de daarbij opgelegde boetebeschikkingen niet zouden worden gebaseerd op het daadwerkelijk door appellant gehouden vermogen en daaruit genoten inkomsten.
1.4.
In de onderhavige procedure heeft appellant de voornoemde van de KB-Lux afkomstige documenten overgelegd terwijl het Hof het rechterlijk onderzoek nog niet had gesloten.
1.5.
Gelet op de hiervoor omschreven bedoeling van de wetgever heeft het Gerechtshof het ten onrechte in strijd met de goede procesorde geacht om deze documenten in behandeling te nemen.
1.6.
Het Hof had de in de navorderingsaanslagen VB 1994 tot en met 1998 begrepen verhogingen dienen te verminderen tot bedragen zoals die moeten worden vastgesteld op basis van het door belanghebbende daadwerkelijk bij de KB-Lux aangehouden vermogen.
1.7.
Het Hof had de bij beschikking vastgestelde boeten ter zake van de navorderingsaanslagen VB 1999 en 2000 en de aanslag IB/PVV 2001 dienen te verminderen tot bedragen zoals die moeten worden vastgesteld op basis van het door belanghebbende daadwerkelijk bij de KB-Lux aangehouden vermogen.
Middel 2
Schending en/of verkeerde toepassing van het Nederlands recht, waaronder mede begrepen schending van enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-inachtneming uitdrukkelijk met nietigheid is bedreigd of ten aanzien waarvan de nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen doordat het Hof ten onrechte dan wel onvoldoende draagkrachtig met redenen omkleed het in r.o. 5.6.5. bij de vaststelling van de hoogte van de boete de daadwerkelijk nagevorderde belasting als grondslag heeft gehanteerd.
Toelichting
2.1.
Uw Raad heeft in een arrest van 15 april 2011 (ECLI:NL:HR:BN6324) in r.o. 4.6.3. overwogen dat in zaken die tot het Rekeningenproject behoren er voor wat betreft de boeten rekening mee moet worden gehouden dat de berekening van de verschuldigde belasting gebaseerd is op de hoogste inkomens- en vermogenscorrecties binnen een vergelijkingsgroep, dat bij de beoordeling van de rechtmatigheid van deze grondslag in aanmerking is genomen dat de Inspecteur door toedoen van de rekeninghouder over minimale gegevens beschikt, maar dat bij de beoordeling van de proportionaliteit van de boete aan het gebrek echter niet een zodanige betekenis toegekend kan worden.
2.2.
Uw Raad heeft met andere woorden aangegeven dat in het geval van een redelijke schatting van de verschuldigde belasting de hoogste inkomens- en vermogenscorrecties binnen een vergelijkingsgroep een rechtmatige grondslag opleveren, maar dat dit geen rechtmatige grondslag is voor de boete.
2.3.
De onderhavige zaak behoort tot het rekeningenproject. Het Hof heeft dan ook ten onrechte de daadwerkelijk nagevorderde belasting tot grondslag voor de boete genomen. Het Hof had er goed aan gedaan om aansluiting te zoeken bij de grondslag die het Gerechtshof 's‑Hertogenbosch, uitgaande van het reële belastingverlies, in soortgelijke gevallen binnen het Rekeningenproject heeft gehanteerd in onder meer een uitspraak van 29 december 2011 (LJN:BW7409). Dit Hof is uitgegaan van het bekende saldo per 31 januari 1994, een vermogensgroei van 10% per jaar en een rendement van 6% per jaar.
Conclusie:
Op grond van het bovenstaande ben ik van oordeel, dat de zienswijze van het Hof op een onjuiste rechtsopvatting berust.
Met het vorenstaande moge ik uw Raad in overweging geven de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam, waarvan beroep in cassatie, te vernietigen en een ander Gerechtshof op te dragen eert nieuwe beschikking te geven na belanghebbenden in de gelegenheid te hebben gesteld in persoon de feiten en omstandigheden toe te lichten waarom de ingediende gronden van beroep gegrond moeten worden verklaard.
Voorts verzoek ik uw Raad om de Inspecteur te veroordelen in de proceskosten van beide instanties.
Beroepschrift 04‑02‑2014
Den Haag, [— 4 FEB 2014]
Kenmerk: DGB 2013-6762
Verweerschrift inzake het beroep in cassatie (rolnummer 13/05881) van [X] te [Z] tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 17 oktober 2013, nr. 11/00333, betreffende de navorderingsaanslagen vermogensbelasting voor de jaren 1992 tot en met 2000.
AAN DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Naar aanleiding van het bovenvermelde beroep in cassatie heb ik de eer het volgende op te merken.
In casu is sprake van een saldo per 31 januari 1994 op het fiche van ruim ƒ 155.000. Voorts blijkt uit de door belanghebbende overgelegde informatie en gegevens dat het werkelijke saldo hoger was. Ook blijkt uit de overgelegde informatie dat reeds vanaf juli 1990 sprake is geweest van een saldo van ƒ 85.000. Het saldo is in de loop van de tijd steeds verder gestegen.
Uit het arrest HR 24 januari 2014, nr. 13/02856, ECLI:NL:GHDHA:2013:2459 volgt dat op de later verstrekte gegevens ook acht geslagen mag worden. De Hoge Raad overwoog namelijk:
‘Opmerking verdient dat in dit verband tevens acht dient te worden geslagen op de door de Inspecteur bij het Hof overgelegde gegevens omtrent de door belanghebbende bij de Kredietbank Luxembourg aangehouden rekening die door belanghebbende na de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam aan de Inspecteur zijn verstrekt (vgl. HR 16 november 2012, nr. 12/00967, ECLI:NL:HR:2012:BY3272, BNB 2013/29, onderdeel 4.8).’
Incidenteel beroep
In zoverre heeft het Hof ten onrechte geen rekening gehouden met deze gegevens. Het Hof heeft daardoor de verhogingen van de jaren 1992 en 1993 ten onrechte tot nihil verminderd. In zoverre verzoek ik u om dit aan te merken als een incidenteel beroep mijnerzijds.
Uit het arrest HR 31 januari 2014, nr. 12/05571, ECLI:NL:HR:2014:169 volgt dat voor het jaar 1993 ook het aanzienlijke saldo per 31 januari 1994 reeds voldoende is om de verhoging te handhaven. In zoverre ondersteunt dat mijn incidentele beroep voor dat jaar. Voor de verhoging van het jaar 1992 heeft de inspecteur vanwege de overgelegde informatie meer dan alleen een bewijsvermoeden.
Verweer inzake de middelen
Voor de overige jaren heeft het Hof de verhogingen en boeten gehandhaafd op 64%. Daarbij is rekening gehouden met de toegepaste omkering van de bewijslast en de bijbehorende redelijke schatting en de overschrijding van de redelijke termijn. Uit het arrest HR 31 januari 2014, nr. 12/05571, ECLI:NL:HR:2014:169 volgt dat bij een saldo op 31 januari 1994 van meer dan ƒ 100.000 deze in stand kunnen blijven. Ook in die zaak was sprake van verhogingen/boeten van 64%, gebaseerd op de op basis van een redelijke schatting nagevorderde belasting. De Hoge Raad overweegt dienaangaande:
‘Het middel faalt voor zover het betrekking heeft op de verhogingen ter zake van de IB/PVV over de jaren 1993 tot en met 1997 en de boeten ter zake van de IB/PVV over de jaren 1998 tot en met 2000 op grond van hetgeen is overwogen in de onderdelen 3.5, 3.6 en 3.8.4 van het arrest van 28 juni 2013. Daarbij verdient opmerking dat belanghebbendes tegoed bij de Kredietbank Luxembourg op 31 januari 1994 meer dan ƒ 100.000 bedroeg en derhalve is aan te merken als aanzienlijk, zoals bedoeld in onderdeel 3.5.1 van het arrest van 28 juni 2013. De middelen kunnen voor het overige niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling. Gelet op het hiervoor in onderdeel 3.2 overwogene kan 's Hofs uitspraak niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. De uitspraak van het Hof en de stukken van het geding bevatten geen aanwijzingen dat de Inspecteur het bewijs van een beboetbaar feit met betrekking tot de verhogingen ter zake van de IB/PVV over de jaren 1991 en 1992 op andere wijze dan door middel van een bewijsvermoeden heeft geleverd, zoals bedoeld in onderdeel 3.8.5 van het arrest van 28 juni 2013. Deze verhogingen dienen daarom volledig te worden kwijtgescholden.’
Voor zover de Hoge Raad van mening mocht zijn dat de later overlegde gegevens naast gebruik voor het boetebewijs ook gebruikt mogen worden voor de beoordeling van het aspect of de verhogingen/boeten passend en geboden zijn, wil ik er op wijzen dat de overlegde informatie niet volledig is. Er zijn wat bankafschriften betreft alleen gegevens vanaf 1997 verstrekt. Voor de jaren daarvoor heeft belanghebbende zelf een door hem opgesteld overzicht verstrekt, zonder de daarbij behorende bewijsstukken. Ook ontbreekt bijvoorbeeld de staat van tegoeden per 31 december 1998. Er zijn dus nog vraagpunten wat betreft de werkelijke omvang van de banktegoeden. Daarmee wordt het lastig om uitsluitend op basis van de verstrekte gegevens te toetsen of de verhogingen/boeten passend en geboden zijn.
De door belanghebbende in het tweede middel verdedigde methode leidt tot lagere verhogingen/boeten dan op basis van de door belanghebbende zelf verstrekte gegevens. Die benadering kan reeds om die reden worden afgewezen.
Ik concludeer dat het Hof:
- —
de verhogingen van de jaren 1994 tot en met 1998 terecht op 64% van de nagevorderde belasting heeft gehandhaafd;
- —
de boeten van de jaren 1999 en 2000 terecht op 64% van de nagevorderde belasting heeft gehandhaafd;
- —
de verhogingen van de jaren 1992 en 1993 ten onrechte heeft verminderd tot nihil. Ook deze verhogingen dienen vastgesteld te worden op 64% van de nagevorderde belasting.
Op grond van het vorenstaande ben ik van oordeel dat het door belanghebbende ingestelde beroep niet tot cassatie van de aangevallen uitspraak zal kunnen leiden. Op grond van het door mij ingestelde incidentele beroep ben ik van oordeel dat de uitspraak van het Hof niet in stand zal kunnen blijven.
Hoogachtend,
DE MINISTER VAN FINANCIËN,
namens deze,
DE DIRECTEUR-GENERAAL BELASTINGDIENST,
loco