Het vonnis is gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:RBNNE:2017:2948.
HR, 14-04-2026, nr. 25/00562
ECLI:NL:HR:2026:562
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
14-04-2026
- Zaaknummer
25/00562
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2026:562, Uitspraak, Hoge Raad, 14‑04‑2026; (Herziening)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:1194
Aanvraag tot herziening van: ECLI:NL:RBNNE:2017:2948
ECLI:NL:PHR:2025:1194, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 11‑11‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2026:562
Uitspraak 14‑04‑2026
Inhoudsindicatie
Herziening. Opzetheling, meermalen gepleegd (art. 416.2 Sr). Aangevoerd wordt dat Rb het OM n-o zou hebben verklaard in vervolging van aanvraagster (zoals hof deed in zaak tegen medeverdachte A) als Rb bekend was geweest met wat is gebleken bij behandeling van die zaak in hoger beroep over vormverzuimen i.v.m. verklaringen van medeverdachte B, art. 457.1.c Sv. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2020:1889 m.b.t. gevallen waarin ex art. 359a Sv niet-ontvankelijkverklaring van OM in vervolging in aanmerking kan komen. Stukken die aan aanvraag ten grondslag zijn gelegd, wekken ernstig vermoeden dat OM heeft verzuimd van het aan medeverdachte B verleende gunstbetoon een p-v a.b.i. art. 226g.4 Sv aan dossier in zaak Maggiora toe te voegen en dat aanvankelijk opgemaakt p-v is verwijderd uit systeem van politie, met aanpassing van nummering van 1 of meer pv’s. Van gesprek tussen medeverdachte B en o.a. zaaksOvJ is opname woordelijk uitgewerkt. Daardoor is inhoud van en gang van zaken rondom gunstbetoon bekend geworden. Daarmee is voornoemd verzuim in die mate hersteld dat geen grond bestaat om te oordelen dat, als Rb bekend was geweest met deze f&o, onderzoek van aanvraagsters zaak zou hebben geleid tot niet-ontvankelijkverklaring van OM in vervolging. Ook v.zv. aan aanvraag ten grondslag is gelegd dat OM ten onrechte niet in wet voorgeschreven procedure heeft doorlopen m.b.t. verklaringen die medeverdachte B heeft afgelegd in zaak Maggiora en dat OM medeverdachte B ervan zou hebben weerhouden openheid te verschaffen over zijn contacten met OM m.b.t. de door hem in zaak Maggiora afgelegde verklaringen, doet zich niet gegeven a.b.i. art. 457.1.c Sv voor. Ook als wordt uitgegaan van vormverzuimen die aan aanvraag ten grondslag zijn gelegd, zijn deze door inmiddels ontstane mate van duidelijkheid over totstandkoming van en gang van zaken rondom de door medeverdachte B afgelegde verklaringen, in die mate hersteld, dat niet ernstig vermoeden wordt gewekt dat, als Rb bekend was geweest met deze f&o, onderzoek van aanvraagsters zaak zou hebben geleid tot niet-ontvankelijkverklaring van OM. Aan voorgaande doet niet af dat hof in zaak tegen medeverdachte A o.g.v. zijn oordeel over begane vormverzuimen en zijn waardering van ernst van die vormverzuimen, OM no in vervolging heeft verklaard. In deze herzieningsprocedure ligt immers niet ’s hofs arrest ter beoordeling voor. In deze procedure gaat het erom of, in licht van wat in aanvraag naar voren wordt gebracht en gelet op wat bekend is geworden over totstandkoming en gang van zaken rondom de door medeverdachte B afgelegde verklaringen, naar oordeel van HR sprake is van gegeven dat bij onderzoek ttz. aan rechter niet bekend was en, zo ja, of als dit gegeven bekend zou zijn geweest, ernstig vermoeden bestaat dat onderzoek van zaak zou hebben geleid tot (v.zv. hier van belang) niet-ontvankelijkverklaring van OM. Afwijzing aanvraag. Samenhang met 25/00561 H en 25/00577 H.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 25/00562 H
Datum 14 april 2026
ARREST
op een aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 1 augustus 2017, nummer 18-930249-15, ingediend door de advocaten N. van Schaik en H. Brentjes,
namens
[aanvraagster] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,
hierna: de aanvraagster.
1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
De rechtbank heeft de aanvraagster veroordeeld voor ‘opzettelijk uit de opbrengst van enig door misdrijf verkregen goed voordeel trekken, meermalen gepleegd’ tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van een maand en een taakstraf van 120 uren.
2. De aanvraag tot herziening
2.1
De aanvraag tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2.2
De aanvraag berust op de stelling dat sprake is van een gegeven als bedoeld in artikel 457 lid 1, aanhef en onder c, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). In de aanvraag wordt daartoe in de kern aangevoerd dat sprake is van het ernstige vermoeden dat de rechtbank het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zou hebben verklaard in de vervolging van de aanvraagster – zoals het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden deed in de uitspraak in de zaak tegen medeverdachte [medeverdachte 1] (hierna: de medeverdachte) die is gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2024:7367 – als de rechtbank bekend was geweest met wat is gebleken bij de behandeling van die zaak in hoger beroep over de vormverzuimen in verband met de verklaringen van de medeverdachte [medeverdachte 2] .
3. De conclusie van de advocaat-generaal
3.1
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot afwijzing van de aanvraag tot herziening.
3.2
De raadslieden van de aanvraagster hebben daarop schriftelijk gereageerd.
4. Waar het in deze zaak om gaat
4.1
De conclusie van de advocaat-generaal houdt als beschrijving van de achtergrond van de aanvraag in:
“4. De zaak van de aanvraagster is één van de strafzaken die het Openbaar Ministerie startte op basis van het opsporingsonderzoek ‘Maggiora’. Dit onderzoek richtte zich op de internationale handel in cocaïne, de exploitatie van een amfetamine- en/of MDMA-laboratorium en het witwassen van de opbrengsten. Het Openbaar Ministerie stelde vervolging in tegen in totaal acht verdachten. Op 1 augustus 2017 deed de rechtbank Noord-Nederland uitspraak in dit cluster strafzaken en werd de aanvraagster veroordeeld. Zij ging niet in hoger beroep en haar veroordeling werd onherroepelijk. In het hoger beroep van vijf voormalige medeverdachten deed het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (hierna: het hof) op 28 november 2024 uitspraak.
5. In de uitspraak waarvan herziening wordt aangevraagd, baseerde de rechtbank de veroordeling van de aanvraagster mede op de verklaringen van [medeverdachte 2] . [medeverdachte 2] is in het onderzoek Maggiora een van de voormalige medeverdachten van de aanvraagster. Nadat [medeverdachte 2] op 18 september 2015 was aangehouden, beriep hij zich aanvankelijk bij verschillende verhoren op zijn zwijgrecht. Vanaf 14 oktober 2015 legde hij bekennende verklaringen af, waarbij hij tevens belastend verklaarde over de medeverdachten in het onderzoek. Ook [medeverdachte 2] werd op 1 augustus 2017 veroordeeld door de rechtbank Noord-Nederland. De officier van justitie [naam 1] (hierna ook: de zaaksofficier) had bij de inhoudelijke behandeling van de strafzaken in zijn requisitoir benadrukt dat er geen sprake was van een deal met [medeverdachte 2] .
6. Op [datum] 2019 zond het nieuws- en actualiteitenprogramma [...] op tv een reportage uit waaraan [medeverdachte 2] meewerkte en waarin [medeverdachte 2] vertelde dat hij contacten had gehad met het Openbaar Ministerie over een deal in het kader van het onderzoek Maggiora. Het hof heeft in het hoger beroep van de medeverdachten van de aanvraagster vervolgens nader onderzoek verricht naar de contacten tussen het Openbaar Ministerie en [medeverdachte 2] met betrekking tot (afspraken over) zijn verklaringen bij de politie en in het strafproces. Het proces in hoger beroep is in alle vijf de strafzaken van het onderzoek Maggiora geëindigd in de niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging van de betreffende verdachte. Tegen deze uitspraken heeft het Openbaar Ministerie géén cassatieberoep ingesteld.”
4.2.1
Bij de behandeling van de zaak tegen de medeverdachte door het hof is naar voren gekomen dat in de periode waarin [medeverdachte 2] zich in voorarrest bevond in verband met de zaak Maggiora, met hem ook gesprekken zijn gevoerd (aangeduid als ‘het TBG-traject’ (de Hoge Raad begrijpt: Team Bijzondere Getuigen)) om te bezien of [medeverdachte 2] kroongetuige kon worden in een aantal andere zaken, onder meer betreffende levensdelicten. Daarbij is aanvankelijk ook onderzocht of een verband kon worden gelegd met de zaak Maggiora, zodat (naar de Hoge Raad begrijpt: na uitbreiding van de tenlastelegging) in die zaak met [medeverdachte 2] een afspraak als bedoeld in artikel 226g lid 1 Sv gemaakt zou kunnen worden. Deze gesprekken hebben ertoe geleid dat [medeverdachte 2] in het TBG-traject kluisverklaringen heeft afgelegd. Een afspraak met [medeverdachte 2] overeenkomstig artikel 226g lid 1 of 226k Sv is niet tot stand gekomen. De kluisverklaringen zijn dus geheim gebleven, en vormen geen onderdeel van een (nieuwe) strafzaak. De verklaringen die [medeverdachte 2] in dezelfde periode heeft afgelegd over de zaak Maggiora zijn aan het dossier in die zaak toegevoegd.
4.2.2
Het hof heeft uitgebreid onderzoek gedaan naar de totstandkoming van de belastende verklaringen die [medeverdachte 2] heeft afgelegd over zijn medeverdachten in de zaak Maggiora en naar de verdere contacten tussen [medeverdachte 2] en het openbaar ministerie. In dat onderzoek door het hof is onder meer de officier van justitie in de zaak Maggiora op de terechtzitting van 13 oktober 2022 als getuige gehoord, waarna op 23 januari 2023 de opname van het gesprek van 14 oktober 2015 tussen [medeverdachte 2] en onder anderen de zaaksofficier van justitie woordelijk is uitgewerkt en aan het dossier is toegevoegd. Ook zijn in het onderzoek van het hof door politieambtenaren nader opgemaakte processen-verbaal aan het dossier toegevoegd over het verwijderen van een verklaring van [medeverdachte 2] uit het (digitale) systeem van de politie, het in verband daarmee hernummeren van één of meer processen-verbaal met een verklaring van [medeverdachte 2] en het opnieuw door hem ondertekenen van een verklaring. Daarnaast zijn over de gang van zaken diverse getuigen gehoord door de raadsheer-commissaris, onder wie [medeverdachte 2] zelf op 27 januari, 16 en 17 februari 2023, de officier van justitie van het landelijk parket die op enig moment de leiding over het TBG-traject kreeg op 20 februari 2023 en de rechercheofficier van het arrondissementsparket Noord-Nederland op 27 mei 2024. Op de terechtzitting van het hof van 3, 6 en 10 juni 2024 zijn onder anderen de officier van justitie van het landelijk parket die op enig moment de leiding over het TBG-traject kreeg en de zaaksofficier van justitie nogmaals als getuigen gehoord. De zaaksofficier van justitie is bij de inhoudelijke behandeling op de terechtzitting van 16, 17, 20, 23 en 24 september 2024 opnieuw door het hof als getuige gehoord. Ook zijn interne aantekeningen (mutaties uit het journaal van het TBG en mutaties uit het journaal van het arrondissementsparket Noord-Nederland) en e-mails van het landelijk parket over het traject rond de door [medeverdachte 2] afgelegde kluisverklaringen toegevoegd aan het dossier in de zaak van de medeverdachte.
5. Beoordeling van de aanvraag
5.1
Als grondslag voor een herziening kan, voor zover hier van belang, volgens artikel 457 lid 1, aanhef en onder c, Sv alleen dienen een met stukken onderbouwd gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was en dat het ernstige vermoeden wekt dat, als dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie.
5.2.1
De aanvraag is gebaseerd op als ‘nova’ aangeduide stukken die grotendeels zijn ontleend aan de behandeling in hoger beroep die heeft geleid tot voormeld arrest van het hof. Op grond van deze stukken, waarvan de inhoud samengevat is weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 9, wordt in de aanvraag, kort gezegd, aangevoerd dat sprake is van de volgende vormverzuimen.(i) De verbaliseringsplicht van artikel 226g lid 4 Sv is geschonden en het openbaar ministerie heeft bewust de waarheidsvinding gefrustreerd, omdat van het gunstbetoon waarvan blijkt uit de woordelijke uitwerking van het gesprek dat [medeverdachte 2] had met onder anderen de zaaksofficier van justitie op 14 oktober 2015 geen proces-verbaal bij de stukken is gevoegd, en omdat een proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 2] , waaruit bleek van dit gesprek, uit het door de politie voor dossiervorming gebruikte systeem is verwijderd, met aanpassing van de nummering van één of meer processen-verbaal.(ii) Het openbaar ministerie is niet transparant geweest tegenover de verdediging en de rechter over toezeggingen die aan [medeverdachte 2] zijn gedaan door de officier van justitie van het landelijk parket belast met getuigenbescherming over de strafeis in de zaak Maggiora, over de manier waarop [medeverdachte 2] de in die zaak opgelegde straf mocht uitzitten en over de aan die toezeggingen verbonden voorwaarden – te weten dat [medeverdachte 2] moest blijven meewerken in de zaak Maggiora en dat hij niet mocht verklaren over de contacten die hij met het openbaar ministerie had in het kader van de verklaringen die hij aflegde.(iii) Door de verklaringen van [medeverdachte 2] toe te voegen aan het dossier Maggiora heeft het openbaar ministerie wettelijke voorschriften met betrekking tot afspraken met (mede)verdachten omzeild die mede strekken tot bescherming van de belangen van de aanvraagster. Zo heeft de verdediging [medeverdachte 2] niet over zijn op grond van toezeggingen tot stand gekomen verklaringen kunnen ondervragen, omdat hij zich bij zaaksinhoudelijke vragen grotendeels op zijn verschoningsrecht beriep.
5.2.2
In de aanvraag in de zaak van de aanvraagster wordt gesteld dat de toetsing van de betrouwbaarheid van de verklaringen van [medeverdachte 2] door de verdediging en de rechtbank niet heeft kunnen plaatsvinden en dat, omdat het ook in hoger beroep in de zaak tegen de medeverdachte lang heeft geduurd voordat enig inzicht is verkregen in de gang van zaken rondom de totstandkoming van de verklaringen van [medeverdachte 2] , de waarheidsvinding door het openbaar ministerie is belemmerd en onmogelijk gemaakt. Door tijdsverloop zijn inmiddels de mogelijkheden voor de verdediging om kritische vragen te stellen aan de betrokken getuigen ernstig beperkt. Daarom compenseert de in hoger beroep bekend geworden informatie de gebreken in het handelen van het openbaar ministerie onvoldoende. Volgens de aanvraag heeft al met al in de zaak van de aanvraagster geen sprake kunnen zijn van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Dit moet volgens de aanvraagster tot het oordeel leiden dat het ernstige vermoeden bestaat dat de rechtbank in de zaak van de aanvraagster het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zou hebben verklaard in de vervolging als de rechtbank op de hoogte was geweest van de door de aanvraagster aangeleverde informatie.
5.3
In zijn arrest van 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889 heeft de Hoge Raad onder meer overwogen:
“2.5.1 De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533, rechtsoverweging 3.6.5 de volgende maatstaf geformuleerd met betrekking tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie:
“Niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging komt als in art. 359a Sv voorzien rechtsgevolg slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking. Daarvoor is alleen plaats ingeval het vormverzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.”
2.5.2
De Hoge Raad verduidelijkt de toepassing van deze maatstaf als volgt. De strekking van deze maatstaf is dat in het geval dat een zodanig ernstige inbreuk op het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak is gemaakt dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM, niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging plaatsvindt. Het moet dan gaan om een onherstelbare inbreuk op het recht op een eerlijk proces die niet op een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze is of kan worden gecompenseerd. Daarbij moet die inbreuk het verstrekkende oordeel kunnen dragen dat – in de bewoordingen van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens – “the proceedings as a whole were not fair”. In het zeer uitzonderlijke geval dat op deze grond de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging in beeld komt, hoeft echter niet – in zoverre stelt de Hoge Raad de eerder gehanteerde maatstaf bij – daarnaast nog te worden vastgesteld dat de betreffende inbreuk op het recht op een eerlijk proces doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte heeft plaatsgevonden. Aanleiding voor niet-ontvankelijkverklaring op deze grond kan bijvoorbeeld bestaan in het geval dat de verdachte door een opsporingsambtenaar dan wel door een persoon voor wiens handelen de politie of het openbaar ministerie verantwoordelijk is, is gebracht tot het begaan van het strafbare feit waarvoor hij wordt vervolgd, terwijl zijn opzet tevoren niet al daarop was gericht (vgl. HR 29 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL0655), of waarin gedragingen van politie en justitie ertoe hebben geleid dat de waarheidsvinding door de rechter onmogelijk is gemaakt (vgl. HR 8 september 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1239).
2.5.3
In gevallen waarin zich een of meerdere vormverzuimen hebben voorgedaan die aanvankelijk het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van de zaak in het gedrang hebben gebracht, maar die in voldoende mate zijn hersteld om het proces als geheel eerlijk te laten verlopen, biedt de onder 2.5.2 besproken maatstaf in beginsel geen ruimte voor niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging. Het is echter niet uitgesloten, zoals onder 2.3.4 is overwogen, dat in zo’n geval strafvermindering ter compensatie van het daadwerkelijk ondervonden nadeel plaatsvindt.”
5.4.1
De stukken die aan de aanvraag ten grondslag zijn gelegd, wekken het ernstige vermoeden dat het openbaar ministerie heeft verzuimd van het aan [medeverdachte 2] verleende gunstbetoon een proces-verbaal zoals bedoeld in artikel 226g lid 4 Sv, aan het dossier van de zaak Maggiora toe te voegen en dat een aanvankelijk opgemaakt proces-verbaal is verwijderd uit het systeem van de politie, met aanpassing van de nummering van één of meer processen-verbaal. Van het gesprek van 14 oktober 2015 tussen [medeverdachte 2] en onder anderen de zaaksofficier van justitie is een opname gemaakt, die woordelijk is uitgewerkt. Daardoor is de inhoud van en de gang van zaken rondom dit gunstbetoon bekend geworden. Daarmee is het verzuim om het genoemde proces-verbaal op te maken en de aanpassing van de nummering in die mate hersteld dat geen grond bestaat om te oordelen dat, als de rechtbank bekend was geweest met deze feiten en omstandigheden, het onderzoek van de zaak van de aanvraagster zou hebben geleid tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging.
5.4.2
Ook voor zover aan de aanvraag ten grondslag is gelegd, kort gezegd, dat het openbaar ministerie ten onrechte niet de in de wet voorgeschreven procedure heeft doorlopen in relatie tot de verklaringen die [medeverdachte 2] heeft afgelegd in de zaak Maggiora, en dat het openbaar ministerie [medeverdachte 2] ervan zou hebben weerhouden openheid te verschaffen over zijn contacten met het openbaar ministerie met betrekking tot de door hem in de zaak Maggiora afgelegde verklaringen, doet zich niet een gegeven als bedoeld in artikel 457 lid 1, aanhef en onder c, Sv voor. Daarvoor is van belang dat in de onder 4.2 genoemde strafzaak in hoger beroep tegen de medeverdachte onderzoek is gedaan naar de manier waarop de verklaringen van [medeverdachte 2] tot stand zijn gekomen en welke rol het openbaar ministerie daarbij heeft gespeeld. Zo is onder meer de officier van justitie van het landelijk parket die op enig moment de leiding over het TBG-traject kreeg als getuige gehoord, net als de zaaksofficier in de zaak Maggiora, de rechercheofficier van het arrondissementsparket Noord-Nederland en [medeverdachte 2] zelf. Verder zijn interne aantekeningen (mutaties uit het journaal van het TBG en mutaties uit het journaal van het arrondissementsparket Noord-Nederland) en e-mails van het landelijk parket over het traject rond de door [medeverdachte 2] afgelegde kluisverklaringen toegevoegd aan het dossier in de zaak van de medeverdachte. Ook als wordt uitgegaan van de vormverzuimen die aan de aanvraag ten grondslag zijn gelegd, zijn deze door de inmiddels ontstane mate van duidelijkheid over de totstandkoming van en de gang van zaken rondom de door [medeverdachte 2] afgelegde verklaringen, in die mate hersteld, dat niet het ernstige vermoeden wordt gewekt dat, als de rechtbank bekend was geweest met deze feiten en omstandigheden, het onderzoek van de zaak van de aanvraagster zou hebben geleid tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie.
5.4.3
Aan het vorenstaande doet niet af dat het hof in de zaak tegen de medeverdachte op grond van zijn oordeel over de begane vormverzuimen en zijn waardering van de ernst van die vormverzuimen, het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging heeft verklaard. In deze herzieningsprocedure ligt immers niet dit arrest van het hof ter beoordeling voor. Het gaat er in deze procedure om of, in het licht van wat in de aanvraag naar voren wordt gebracht en gelet op wat bekend is geworden over de totstandkoming en de gang van zaken rondom de door [medeverdachte 2] afgelegde verklaringen, naar het oordeel van de Hoge Raad sprake is van een gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was en, zo ja, of als dit gegeven bekend zou zijn geweest, het ernstig vermoeden bestaat dat het onderzoek van de zaak zou hebben geleid tot – voor zover hier van belang – de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie.
5.5
De aanvraag is dus ongegrond en moet op grond van artikel 470 Sv worden afgewezen.
6. Beslissing
De Hoge Raad wijst de aanvraag tot herziening af.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren C.N. Dalebout en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 april 2026.
Conclusie 11‑11‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Herzieningsverzoek in strafzaak uit opsporingsonderzoek Maggiora. Verdediging brengt nieuwe feiten in die afkomstig zijn uit het hoger beroep van de voormalige medeverdachten van aanvraagster, die zelf niet in hoger beroep is gegaan. Voorgestelde novum houdt in dat de rechtbank bij bekendheid met de ingebrachte gegevens tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie had beslist in verband met een schending van art. 6 EVRM. Conclusie strekt tot afwijzing van de aanvraag tot herziening. Samenhang met de zaken 25/00561 en 25/00577.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 25/00562 H
Zitting 11 november 2025
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[aanvraagster] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,
hierna: de aanvraagster.
Inleiding
1. De rechtbank Noord-Nederland heeft de aanvraagster bij vonnis van 1 augustus 2017 wegens “opzettelijk uit de opbrengst van enig door misdrijf verkregen goed voordeel trekken, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een gevangenisstraf van een maand, voorwaardelijk en met een proeftijd van twee jaren, en een taakstraf van 120 uur, subsidiair 60 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest.1.
2. De advocaten N. van Schaik en H. Brentjes (hierna: de verdediging) hebben namens de aanvraagster een verzoek ingediend tot herziening van de veroordeling die bij dit vonnis is uitgesproken. Er bestaat samenhang met de zaken 25/00561 en 25/00577, waarin de verdediging eveneens een herzieningsverzoek heeft ingediend. In die zaken zal ik vandaag ook concluderen.
3. In het vervolg van deze conclusie geef ik eerst een korte beschrijving van de zaak (randnummers 4 tot en met 6) en bespreek ik het herzieningsverzoek (randnummers 7 tot en met 12). Daarna geef ik een aantal uitgangspunten weer voor de beoordeling van het verzoek (randnummers 13 tot en met 24) en kom ik tot die beoordeling (randnummers 25 tot en met 38). Ik sluit af met het voorstel aan de Hoge Raad om het herzieningsverzoek af te wijzen (randnummer 39).
De zaak
4. De zaak van de aanvraagster is één van de strafzaken die het Openbaar Ministerie startte op basis van het opsporingsonderzoek ‘ Maggiora ’. Dit onderzoek richtte zich op de internationale handel in cocaïne, de exploitatie van een amfetamine- en/of MDMA-laboratorium en het witwassen van de opbrengsten. Het Openbaar Ministerie stelde vervolging in tegen in totaal acht verdachten. Op 1 augustus 2017 deed de rechtbank Noord-Nederland uitspraak in dit cluster strafzaken en werd de aanvraagster veroordeeld.2.Zij ging niet in hoger beroep en haar veroordeling werd onherroepelijk. In het hoger beroep van vijf voormalige medeverdachten deed het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (hierna: het hof) op 28 november 2024 uitspraak.3.
5. In de uitspraak waarvan herziening wordt aangevraagd, baseerde de rechtbank de veroordeling van de aanvraagster mede op de verklaringen van [betrokkene 1] . [betrokkene 1] is in het onderzoek Maggiora een van de voormalige medeverdachten van de aanvraagster. Nadat [betrokkene 1] op 18 september 2015 was aangehouden, beriep hij zich aanvankelijk bij verschillende verhoren op zijn zwijgrecht. Vanaf 14 oktober 2015 legde hij bekennende verklaringen af, waarbij hij tevens belastend verklaarde over de medeverdachten in het onderzoek. Ook [betrokkene 1] werd op 1 augustus 2017 veroordeeld door de rechtbank Noord-Nederland. De officier van justitie [Officier van Justitie 1] (hierna ook: de zaaksofficier) had bij de inhoudelijke behandeling van de strafzaken in zijn requisitoir benadrukt dat er geen sprake was van een deal met [betrokkene 1] .
6. Op [datum] zond het nieuws- en actualiteitenprogramma [… ] op tv een reportage uit waaraan [betrokkene 1] meewerkte en waarin [betrokkene 1] vertelde dat hij contacten had gehad met het Openbaar Ministerie over een deal in het kader van het onderzoek Maggiora . Het hof heeft in het hoger beroep van de medeverdachten van de aanvraagster vervolgens nader onderzoek verricht naar de contacten tussen het Openbaar Ministerie en [betrokkene 1] met betrekking tot (afspraken over) zijn verklaringen bij de politie en in het strafproces. Het proces in hoger beroep is in alle vijf de strafzaken van het onderzoek Maggiora geëindigd in de niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging van de betreffende verdachte. Tegen deze uitspraken heeft het Openbaar Ministerie géén cassatieberoep ingesteld.
Het herzieningsverzoek
7. Het herzieningsverzoek houdt in dat uit het onderzoek van het hof gegevens bekend zijn geworden die bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechtbank niet bekend waren en die (al dan niet in combinatie) het ernstige vermoeden doen ontstaan dat indien de rechtbank hiervan op de hoogte was geweest, het onderzoek van de zaak van de aanvraagster zou hebben geleid tot de niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie. De verdediging presenteert dus een novum, bedoeld in artikel 457 lid 1 aanhef en onder c Sv.
8. Het herzieningsverzoek bevat achttien als bijlage gevoegde stukken waarvan de inhoud volgens de verdediging (gezamenlijk) zo’n novum opleveren. Dit zijn (met name) producten van het nadere onderzoek dat het hof in het kader van het hoger beroep van de voormalige medeverdachten van de aanvraagster heeft bevolen. De verdediging sluit zich in het herzieningsverzoek in wezen aan bij de overwegingen van het hof in één van de arresten in de Maggiora -zaken van 28 november 2024,4.met dien verstande dat de verdediging zich er klaarblijkelijk (en m.i. met juistheid, daarop kom ik terug) van bewust is dat niet het oordeel van het hof in die zaak, maar alleen de gronden waarop dat oordeel berust eventueel een novum kunnen bijbrengen. Hieronder beschrijf ik de redenering van (het hof en) de verdediging.
9. De verdediging beroept zich op de volgende feiten:
(i) De zaaksofficier en de onderzoeksleider van de politie ( [betrokkene 2] ) hadden op 14 oktober 2015 een gesprek met [betrokkene 1] , die op dat moment onder zware beperkingen in voorarrest verbleef en tot dan toe bij meerdere verhoren van zijn zwijgrecht gebruik had gemaakt. Van dit gesprek is een audiovisuele registratie (AVR) gemaakt. Uit de woordelijke uitwerking daarvan blijkt dat de officier van justitie in dit gesprek opmerkt dat hij wat betreft detentieomstandigheden wat kan betekenen voor [betrokkene 1] als hij meewerkt in het onderzoek, namelijk (a) dat zijn kleding goed geregeld wordt, (b) dat er via de vader van [betrokkene 1] geld op zijn rekening komt, (c) dat hij naar een andere p.i. zou kunnen worden overgebracht en (d) dat de mediabeperkingen vervallen. Na dit gesprek begon [betrokkene 1] mee te werken aan het opsporingsonderzoek in Maggiora .5.
(ii) Bij zijn verhoor bij de raadsheer-commissaris van het hof van 27 januari 2023 merkte [betrokkene 1] op dat hij kort na zijn bekennende verklaring één of twee verklaringen opnieuw heeft moeten ondertekenen, omdat anders de nummering niet meer zou kloppen. Zijn verklaring houdt onder meer in: “De volgorde van de verhoren van mij is destijds veranderd. Ik moest mijn verklaringen opnieuw ondertekenen omdat er anders een gat zou ontstaan in de verhoren”6.en “Het had te maken met een ingebouwd opnamesysteem, daar was iets mee. Het gesprek werd opgenomen maar niet gevoegd in dossier. Dat is mij duidelijk gemaakt. Het had te maken met het gesprek met officier van justitie dhr. [Officier van Justitie 1] .”7.
(iii) Uit mutaties in het journaal van het team Speciale Getuigen/team Bijzondere Getuigen8.van de politie dat opereert onder verantwoordelijkheid van het Landelijk parket (hierna: TSG of TBG) blijkt dat het Openbaar Ministerie en [betrokkene 1] in november 2015 besloten de mogelijkheden voor een kroongetuigendeal te verkennen. Het Openbaar Ministerie regelde daarom dat de rest van de verhoren in onderzoek Maggiora onder verantwoordelijkheid van het Landelijk parket door het TSG zouden plaatsvinden. In december 2015 begon vervolgens het TSG/TBG-traject met een reeks verhoren. [betrokkene 1] legde in dat kader verschillende ‘kluisverklaringen’ af over feiten die buiten het Maggiora -onderzoek vallen.9.
(iv) Op 3 maart 2016 vond een gesprek plaats tussen het TSG, het Openbaar Ministerie, [betrokkene 1] en zijn advocaat. Een e-mail van officier van justitie [Officier van Justitie 2] van het Landelijk parket aan de advocaat van [betrokkene 1] ter voorbereiding op dat gesprek houdt in: “Wij hebben alles nog eens op een rijtje gezet en daar lijkt uit te volgen dat een zgn. "executiedeal" de meest praktische en voor uw cliënt de meest gunstige optie is. Ik heb daaromtrent nog geen vast format voorhanden, dus ik kan mijn toezegging om u die voor de afspraak toe te zenden helaas niet gestand doen.”10.In een mutatie van 9 maart 2016 van het TSG over dit gesprek staat: “Onderwerp: sessie advocaat/ [codenaam betrokkene 1] /OM en TSG […] Hem zijn de opties mbt de boterbriefjes voorgehouden en dat wij denken dat dit voor hem de beste optie is.11. Dealen in Maggiora ziet [betrokkene 3] niet (nauwelijks) zitten. De opties: cooperatieve houding in Maggiora en daardoor een lagere straf eisen om daarna in te gaan op een executieverzoek (GRATIE) positief te adviseren vond ook de advocaat ogenschijnlijk de beste optie […] de advocaat [vroeg] advies hoe zich te gedragen wanneer er doorgevraagd wordt op zekere thema/s waarbij [codenaam betrokkene 1] zelf weet dat hij dit al bij TSG heeft verklaard. Het risico bestaat dan dat niet antwoorden wordt gezien als niet cooperatief, wat dus zijn eerste boterbriefje niet ten goede komt. […] Aangegeven dat een deal in Maggiora niet tot de opties behoort maar dat er zeker kans van slagen is middels de boterbriefjes.”12.Bij de e-mails afkomstig van het Landelijk parket bevindt zich een ongedateerd stuk genaamd “OVEREENKOMST ALS BEDOELD IN DE AANWIJZING TOEZEGGINGEN AAN GETUIGEN IN STRAFZAKEN”. In deze conceptovereenkomst is opgenomen dat als de getuige zijn verplichtingen nakomt de officier van justitie bij de indiening van een gratieverzoek door de getuige een positief advies zal uitbrengen tot vermindering van de opgelegde straf met “[xxxx]” maanden.13.[betrokkene 1] verklaarde bij de raadsheer-commissaris dat door mr. [Officier van Justitie 2] is gezegd dat er sowieso een deal zou komen, maar dat hij geduld moest hebben en dat hij vanwege de kluisverklaringen 50% korting op zijn straf in Maggiora zou krijgen.14.
(v) Eind maart 2017 besloot het Openbaar Ministerie dat toch geen deal zou gaan plaatsvinden met [betrokkene 1] voor de kluisverklaringen die hij in het TBG-traject had afgelegd. Uit een mutatie van 8 juni 2017 met als onderwerp “overleg OM/advo/ [codenaam betrokkene 1] /TBG iz afketsen deal” blijkt dat er kort voor de aanvang van de inhoudelijke behandeling van de strafzaak tegen [betrokkene 1] in Maggiora nog een bijeenkomst plaatsvond. [Officier van Justitie 3] , de officier van justitie van het Landelijk parket die toen verantwoordelijk was voor het TBG-traject van [betrokkene 1] , was daar namens het Openbaar Ministerie aanwezig. In de mutatie staat: “ [codenaam betrokkene 1] had van de week contact gezocht met het LP om vervolgens door verbonden te worden met [Officier van Justitie 3] . Aldus geschiedde. Tot verrassing van [Officier van Justitie 3] had hij gelijk [codenaam betrokkene 1] aan de lijn. Boos en geëmotioneerd. Dit omdat hij zojuist had vernomen dat er voor hem geen deal in zat. […] in dit gesprek het onderscheid kunnen maken in het traject in magiore en bij ons. Begrijpelijkerwijze zien [codenaam betrokkene 1] en advocaat daar niet gelijk onderscheid in. Uiteindelijk gaat het om de uitkomst voor [codenaam betrokkene 1] en die leek niet hoopvol. [Officier van Justitie 3] had gister gesproken met [Officier van Justitie 1] . [Officier van Justitie 1] gaat voor een voorwaardelijke strafeis. Heeft hij toegezegd aan [Officier van Justitie 3] . [Officier van Justitie 3] heeft dit meegedeeld aan advocaat en aan [codenaam betrokkene 1] (in ons bijzijn uiteraard). Dit stemde [codenaam betrokkene 1] en advo een stuk milder.”15.
(vi) [betrokkene 1] heeft over dit gesprek het volgende verklaard bij de raadsheer-commissaris. Hij heeft, toen hij hoorde dat er geen deal zou komen, direct boos gebeld naar mr. [Officier van Justitie 3] . Hij heeft toen gezegd dat hij alles op zitting zou gaan vertellen. Ze wilden niet dat het bekend zou worden en zouden het op een andere manier oplossen. Door de officier van justitie van het Landelijk parket is gezegd dat hij met de zaaksofficier zou regelen dat er een mooie eis zou komen en dat hij zou regelen dat [betrokkene 1] geen straf hoefde uit te zitten.16.
(vii) In een mail van de toenmalig raadsman van [betrokkene 1] (datum onbekend, waarbij boven de mail is opgenomen 'zitting vrijdag 16 juni’) na de zitting, schrijft hij aan [betrokkene 1] : “De Ovj berichtte mij na de zitting nog dat het goed was gegaan. Lees: je hebt je keurig aan de voorwaarden gehouden. Nu het OM nog.”17.[betrokkene 1] verklaarde bij de raadsheer-commissaris dat met ‘voorwaarden’ werd bedoeld: “niks over andere dingen zeggen”.18.
(viii) Op de zitting eiste de zaaksofficier een gevangenisstraf van drieënhalf jaar en benadrukte hij dat geen sprake was van een deal met [betrokkene 1] (in de strafzaak Maggiora ). Op 1 augustus 2017 veroordeelde de rechtbank Noord-Nederland [betrokkene 1] tot een gevangenisstraf van drie jaar, met aftrek van het voorarrest. Daarbij hield de rechtbank er onder meer rekening mee dat [betrokkene 1] had meegewerkt aan het opsporingsonderzoek.19.Nadien heeft [betrokkene 1] nog steeds contact met het Openbaar Ministerie onderhouden, in het bijzonder met de eerder genoemde officier van justitie van het Landelijk parket die de verantwoordelijkheid had over het TBG-traject, [Officier van Justitie 3] . Uit die contacten blijkt dat het Openbaar Ministerie [betrokkene 1] tegemoetkwam door afspraken te maken over de executie van zijn gevangenisstraf (in twee delen), door de executie herhaaldelijk uit te stellen en de advocaatkosten die [betrokkene 1] in verband met dit contact met het Openbaar Ministerie maakte, te betalen.20.
(ix) Naast het voorgaande beroept de verdediging zich op het procesverloop. Uit het procesverloop volgt dat het Openbaar Ministerie in het strafproces van de aanvraagster en in de zaken van de medeverdachten niet uit zichzelf openheid van zaken heeft gegeven over de contacten en afspraken met [betrokkene 1] met betrekking tot zijn verklaringen in Maggiora en het TBG-traject. De bovenstaande informatie is pas boven water gekomen nadat hiernaar in hoger beroep (door het hof en op instigatie van de verdediging) nader onderzoek was verricht. Door het tijdsverloop is niet al het gewenste onderzoek meer mogelijk geweest. De eerder genoemde onderzoeksleider van de politie kon vanwege zijn gezondheidssituatie niet meer worden gehoord. Verder waren herinneringen van getuigen verbleekt.21.
10. Aan deze feiten verbindt de verdediging de volgende conclusies:
(i) In het gesprek tussen de zaaksofficier, de onderzoeksleider van de politie en [betrokkene 1] op 14 oktober 2015 was sprake van gunstbetoon zoals omschreven in artikel 226g lid 4 Sv. Van het gesprek op 14 oktober 2015 was oorspronkelijk een proces-verbaal opgemaakt, maar dit proces-verbaal is uit het systeem verwijderd en het Openbaar Ministerie heeft in ieder geval de nummering van één proces-verbaal in het dossier aangepast, om te voorkomen dat de verwijdering van het proces-verbaal aan de hand van de nummering van de processen-verbaal in het dossier kon worden achterhaald. Hierdoor is de in artikel 226g lid 4 Sv opgenomen verbaliseringsplicht ten aanzien van het gunstbetoon niet nagekomen.
(ii) Tijdens het onderzoek Maggiora heeft [betrokkene 1] in het TBG-traject kluisverklaringen afgelegd over andere zaken dan Maggiora . Hoewel het volgens het Openbaar Ministerie afzonderlijke trajecten betreffen, moest al vrij snel duidelijk zijn geweest dat een eventuele beloning in de vorm van een lagere eis of een positief gratieadvies waarschijnlijk alleen kon volgen in de strafzaak Maggiora . In het TBG-traject heeft het Openbaar Ministerie [betrokkene 1] een ‘executiedeal’ in Maggiora in het vooruitzicht gesteld. Deze deal hield in dat een lagere straf zou worden geëist en dat positief zou worden geadviseerd op een executieverzoek in Maggiora , terwijl hiervoor in ruil niet alleen medewerking werd verlangd in het TBG-traject, maar ook in het onderzoek Maggiora . Het Openbaar Ministerie heeft op deze manier (in strijd met de wet) de kroongetuigenregeling en de daarin opgenomen waarborgen omzeild door in ruil voor een lagere strafeis en een positief gratieadvies (de executiedeal) een coöperatieve houding te verwachten in zowel het TBG-traject als in de strafzaak Maggiora en door vervolgens meteen gebruik te maken van de verklaringen die [betrokkene 1] in Maggiora had afgelegd, namelijk door deze in het dossier te voegen.
(iii) Nadat aan [betrokkene 1] was medegedeeld dat er toch geen deal zou plaatsvinden voor zijn kluisverklaringen in het TBG-traject, heeft het Openbaar Ministerie hem de voorwaarde gesteld dat hij (in zijn strafzaak) niet mocht verklaren over de contacten die hij met het Openbaar Ministerie onderhield over zijn verklaringen in Maggiora en het TBG-traject. Daar werd een toezegging over een (voordelige) strafeis in Maggiora tegenovergesteld. Deze gang van zaken vormt een ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde.
11. De verdediging is van oordeel dat hierdoor een zodanig ernstige inbreuk is gemaakt op de volledigheid van de waarheidsvinding dat het Openbaar Ministerie ernstig tekort is geschoten in het bewerkstelligen van een eerlijk proces. Daarnaast voert de verdediging aan dat het tijdsverloop dat door het gebrek aan transparantie van het Openbaar Ministerie is ontstaan, tot gevolg heeft gehad dat het verdedigingsbelang, het ondervragingsrecht en het uitgangspunt van equality of armszijn geschonden. Uit de ingebrachte informatie kan verder niet worden afgeleid dat de inbreuken op de verdedigingsrechten voldoende zijn hersteld om het proces van de aanvraagster in zijn geheel als eerlijk aan te merken, zo begrijp ik de verdediging.
12. Nu de verklaringen van [betrokkene 1] ook in de zaak van de aanvraagster in de bewijsvoering een prominente rol speelden, moet het voorgaande tot het eindoordeel leiden dat zich in haar zaak een zodanig ernstige en onherstelbare inbreuk op het recht op een eerlijke behandeling heeft voorgedaan dat de doelen van artikel 6 EVRM niet meer kunnen worden verwezenlijkt. Dit betekent dat het ernstige vermoeden bestaat dat de rechter in de zaak van de aanvraagster het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk zou hebben verklaard, als hij op de hoogte was geweest van de thans door de verdediging aangeleverde informatie, aldus de verdediging.
Uitgangspunten bij de beoordeling van het herzieningsverzoek
13. Ik bespreek een aantal uitgangspunten voor de beoordeling van het herzieningsverzoek. Eerst richt ik me op criteria die direct deel uitmaken van de herzieningsprocedure en daarna ga ik in op de maatstaf voor de beslissing van de rechter tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging op grond van schending van de beginselen van artikel 6 EVRM.
De herzieningsprocedure
14. In artikel 457 lid 1 aanhef en onder c Sv wordt de meest voorkomende grond voor herziening omschreven: het zogenoemde ‘novum’. In deze wettelijke omschrijving liggen drie voorwaarden voor het aannemen van een novum besloten. Een novum is (1) een ‘gegeven’ (2) dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter die de veroordeling uitsprak niet bekend was en (3) dat het ernstige vermoeden wekt dat indien dit gegeven bij de rechter bekend zou zijn geweest, het onderzoek in de strafzaak zou hebben geleid tot vrijspraak, ontslag van alle rechtsvervolging, de toepassing van een minder zware strafbepaling, of – zoals hier van belang – de niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie.22.
15. Op grond van artikel 460 Sv moet de herzieningsaanvraag de gronden vermelden waarop deze rust, met bijvoeging van de stukken waaruit die gronden kunnen blijken. Het is de aanvrager die tot op zekere hoogte aannemelijk moet maken dat en waarom de eerder oordelende rechter tot een van de in artikel 457 lid 1 aanhef en onder c Sv genoemde beslissingen zou zijn gekomen indien hij ten tijde van de behandeling van de strafzaak op de hoogte was geweest van de in het herzieningsverzoek naar voren gebrachte gegevens. De beoordeling van het verzoek door de Hoge Raad beperkt zich tot de gronden die in de aanvraag worden aangevoerd. De voormalige verdachte kan na een afwijzing immers een nieuw herzieningsverzoek indienen dat op andere gronden steunt.23.
16. Het oordeel van een andere rechter, dat afwijkt van het oordeel van de hiervoor bedoelde rechter die de veroordeling uitsprak, is op zichzelf niet als een novum aan te merken. De Hoge Raad is in de procedure tot herziening immers niet gebonden aan de vaststellingen en oordelen van andere rechters en heeft zich op basis van de aan hem overgelegde gegevens een zelfstandig oordeel te vormen. De feitelijke gronden (gegevens) waarop het afwijkende oordeel van die andere rechter steunt, kunnen daarentegen wel geschikt zijn om als novum te dienen.24.
Het criterium voor niet-ontvankelijkheid in verband met een (dreigende) schending van artikel 6 EVRM
17. Het vormverzuim waarvan de verdediging thans gewag maakt, kenmerkt zich door het verwijt dat justitie – hoewel daartoe op grond van artikel 226g Sv gehouden – de rechter niet volledig en juist heeft ingelicht over de omstandigheden waaronder een (mogelijk) cruciaal bewijsmiddel, de getuigenverklaring van [betrokkene 1] , tot stand is gekomen. Als gevolg daarvan kon de zittingsrechter de rechtmatigheid en betrouwbaarheid van die verklaring niet adequaat inschatten en is de waarheidsvinding in het gedrang gekomen. Dit tast de beginselen van een eerlijk proces aan, want in dat geval kan ook de verdediging de inhoud van een (mogelijk) cruciaal bewijsmiddel onvoldoende toetsen en zo nodig aanvechten. Vooruitlopend op het geding na herziening betoogt de verdediging in essentie dat aan dit verzuim na verwijzing alsnog het rechtsgevolg van de niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie moet worden verbonden. Hierover het volgende.
18. Centraal staat dat de rechter die over de feiten gaat met inachtneming van de regels van een eerlijk proces, zoveel als mogelijk een inhoudelijk oordeel geeft over de beschuldiging die jegens de verdachte wordt geuit en zodoende rechtspreekt in de aan hem voorgelegde zaak. Vanwege het ingrijpende karakter daarvan, kan de niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging van een verdachte alleen in (zeer) uitzonderlijke gevallen in beeld komen als reactie op (i) onherstelbare vormverzuimen die bij het voorbereidend onderzoek zijn begaan, in de zin van artikel 359a Sv, en (ii) buiten het bereik van artikel 359a Sv vallende inbreuken op de verdedigingsrechten van de verdachte.25.Bij de beoordeling of aan het vormverzuim of aan deze inbreuk de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Miniserie dan wel enige andere sanctie moet worden verbonden, zal de rechter mede acht moeten slaan op (1) de aard, (2) de ernst en (3) de gevolgen van het verzuim, respectievelijk van deze inbreuk.
19. De aard van het verzuim in kwestie, waarbij het belang dat het geschonden voorschrift dient van betekenis is, is hiervoor reeds onder randnummer 17 omschreven. Wat betreft de ernst van het verzuim, vergt de toepassing van de sanctie van niet-ontvankelijkheid sedert HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889, géén opzet of grove schuld van de zijde van met opsporing of vervolging belaste ambtenaren, en wordt met name niet (meer) geëist dat door het verzuim “doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.”26.
De gevolgen van het verzuim zijn in dit verband doorslaggevend. De Hoge Raad heeft uitgemaakt dat voor de niet-ontvankelijkverklaring (alleen) plaats is wanneer een zodanig ernstige inbreuk op het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak is gemaakt dat een ‘eerlijk proces’ in de zin van artikel 6 EVRM niet meer kan worden verwezenlijkt.27.
20. Bij het ontwerp van deze toets heeft de Hoge Raad zich voor een belangrijk deel laten inspireren door rechtspraak van het EHRM. Voor de vraag of ontoelaatbare beperkingen zijn aangebracht op de verdedigingsrechten van de verdachte, slaat het EHRM acht op het verloop van de procedure als geheel,28.waarbij het EHRM betrekt of die inbreuken voldoende zijn hersteld en/of gecompenseerd.29.In de kern gaat het erom of de verdachte zich per saldo behoorlijk en effectief heeft kunnen (laten) verdedigen.30.
21. In deze toets is (dus) een belangrijke rol weggelegd voor de noties van (a) reparatie en (b) compensatie. Die twee noties mogen niet worden vereenzelvigd. ‘Reparatie’ is het herstel in de rechtmatige toestand, d.w.z. het ongedaan maken van de nadelige gevolgen en het terugbrengen naar de situatie die zou bestaan als het verzuim niet was begaan. ‘Compensatie’ vindt plaats wanneer de rechter de verdachte tegemoetkomt door tegenover het nadeel een ongelijksoortig voordeel te stellen. De eerste notie neemt in artikel 359a Sv de gedaante van een drempelvoorwaarde aan. Voor de toepassing van die bepaling (de sanctionering van vormverzuimen) is alleen plaats als het verzuim onherstelbaar is gebleken. Waar het verzuim bestaat in het niet, onvolledig of onjuist inlichten van de rechter omtrent omstandigheden rond de totstandkoming van een (cruciaal) bewijsmiddel, kunnen de onwenselijke gevolgen in principe ongedaan gemaakt worden (en leent het verzuim zich dus voor herstel) door de rechter alsnog volledig en juist te informeren.
22. De rol die reparatie en compensatie kunnen spelen bij het realiseren van een eerlijk proces, is goed te zien in de rechtspraak over gevallen waarin de politie en het Openbaar Ministerie de rechter en de verdediging onjuist of onvolledig hadden ingelicht. Die omstandigheid is normaal gesproken geen reden voor de niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie (ook niet wanneer sprake is van doelbewust handelen).31.De rechter of het Openbaar Ministerie kan deze verzuimen herstellen door de juiste of missende informatie alsnog in het proces te (laten) brengen, zo volgt uit de rechtspraak van de Hoge Raad.‘Herstel’ moet in deze rechtspraak worden begrepen als het voorkomen van het (verdere) nadeel dat de verdachte door het vormverzuim in de uitoefening van zijn verdedigingsrechten zou ondervinden.32.Waar de verdachte voorafgaand aan het herstel al moeilijkheden heeft ervaren bij het voeren van de verdediging, kan de rechter compensatie bieden door toepassing van strafvermindering.33.Een definitieve schending van artikel 6 EVRM doet zich slechts voor wanneer het Openbaar Ministerie of de politie de waarheidsvinding onomkeerbaar onmogelijk heeft gemaakt.34.
23. Ook wanneer er geen mogelijkheden voor herstel of compensatie bestaan, wordt de rechter niet geacht direct over te gaan tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie. De rechter moet onderzoeken of minder vergaande reacties mogelijk zijn. Zo kan de rechter – als dat noodzakelijk is om een schending van artikel 6 EVRM te voorkomen – het kwestieuze bewijsmateriaal (als sanctie) uitsluiten van het bewijs en eventueel tot vrijspraak beslissen.35.
24. Ten slotte merk ik op dat als tijdsverloop een complicatie heeft gevormd bij de vergaring en/of de waardering van het bewijsmateriaal, de rechter daarmee ook rekening zal (moeten) houden bij de beoordeling van de bruikbaarheid en betrouwbaarheid van het bewijsmateriaal in kwestie en bij de beslissing over de bewijsvraag als bedoeld in artikel 350 Sv. Als de bewijsvoering anders op gespannen voet zou komen met de fairness of the proceedings as a whole, kan de rechter tot een vrijspraak komen.36.
De beoordeling van het herzieningsverzoek
25. De verdediging stelt zich op het standpunt dat het ernstige vermoeden bestaat dat de rechter bij bekendheid met de ingebrachte nieuwe gegevens tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie had beslist wegens een (dreigende) schending van artikel 6 EVRM. De verdediging beroept zich daartoe op vormverzuimen die het gevolg zijn van (a) een gebrek aan transparantie bij het Openbaar Ministerie en de politie en (b) tijdsverloop. Ik houd dat onderscheid aan bij de beoordeling van het verzoek. Nadat ik die twee onderwerpen heb besproken, kom ik tot een conclusie over het herzieningsverzoek.
(a) Het gebrek aan transparantie van het Openbaar Ministerie en de politie
26. De verdediging leidt uit de stukken uit het hoger beroep in Maggiora af (i) dat de politie niet heeft voldaan aan de verbaliseringsplicht voor wat betreft het gesprek van 14 oktober 2015 tussen de zaaksofficier, de onderzoeksleider van de politie en [betrokkene 1] , (ii) dat het Openbaar Ministerie de kroongetuigenregeling heeft omzeild door de verklaringen van [betrokkene 1] in het onderzoek Maggiora in het dossier te voegen terwijl deze onderdeel uitmaakten van een overeenkomst in de zin van de kroongetuigenregeling en (iii) dat het Openbaar Ministerie aan [betrokkene 1] de voorwaarde heeft opgelegd dat hij niet mocht verklaren over zijn contacten met het Openbaar Ministerie. Verder stelt de verdediging dat deze verzuimen niet voldoende zijn hersteld.
27. Hieronder bespreek ik deze vormverzuimen per geval. Ik betrek daarbij zo nodig allereerst de feitelijke vraag of er een ernstig vermoeden bestaat dat de rechter met kennis van de nieuwe gegevens zou hebben geoordeeld dat de gestelde vormverzuimendaadwerkelijkhebben plaatsgevonden en dus feitelijke grondslag hebben. De Hoge Raad is in de procedure tot herziening immers niet gebonden aan de vaststellingen van het hof en heeft zich hierover op basis van het overgelegde feitenmateriaal een zelfstandig oordeel te vormen. Ongeacht het antwoord op die vraag bespreek ik in de tweede plaats telkens of er een ernstig vermoeden bestaat dat de rechter zou hebben geoordeeld dat de gestelde vormverzuimen (aangenomen dat zij hebben plaatsgevonden) onvoldoende zijn hersteld.
(i) De schending van de verbaliseringsplicht
28. Uit de stukken blijkt dat geen definitief proces-verbaal van het gesprek op 14 oktober 2015 is opgemaakt.37.Wat mij betreft is voldoende aannemelijk geworden dat sprake was van ‘gunstbetoon’ door de officier van justitie (artikel 226g lid 4 Sv), terwijl het gesprek overigens ook de opsporing van strafbare feiten betrof (artikel 152 Sv).De uitwerking van de AVR van dat gesprek geeft daarop zicht.38.Met het beschikbaar komen van die uitwerking is wat mij betreft echter ook direct het herstel van het vormverzuim gegeven.
(ii) Het omzeilen van de kroongetuigenregeling
29. De verdediging voert verder aan dat het Openbaar Ministerie onvoldoende openheid van zaken heeft gegeven door ten aanzien van de verklaringen van [betrokkene 1] in de strafzaak Maggiora niet het traject van de kroongetuigenregeling te doorlopen.39.Die stelling is gebaseerd op de feitelijke conclusie dat het Openbaar Ministerie [betrokkene 1] heeft voorgespiegeld dat een deal zou kunnen plaatsvinden, waarbij het Openbaar Ministerie een lagere straf zou eisen in zijn strafzaak in Maggiora en positief zou adviseren op een verzoek om gratie ter zake van de in die zaak opgelegde straf. In ruil daarvoor zou het Openbaar Ministerie van [betrokkene 1] hebben verlangd dat hij zou meewerken aan het onderzoek in de strafzaak in Maggiora en dat hij zou meewerken aan het TBG-traject. Deze uitleg van de feiten baseert het hof in de kern op de mutatie van 9 maart 2016 in het journaal van het TBG. Bij die uitleg betrekt de verdediging de aan dat overleg voorafgaande e-mail van mr. [Officier van Justitie 2] aan de advocaat van [betrokkene 1] , de verklaring(en) van [betrokkene 1] bij de raadsheer-commissaris en de inhoud van de (niet aan [betrokkene 1] verstrekte) conceptovereenkomst die zich bevond bij de door het Landelijk parket verstrekte stukken.40.
30. Ik meen echter dat een andere uitleg van de feiten goed verdedigbaar is. Het gaat hier om de duiding van een opmerking in het verslag van het overleg van 3 maart 2016. Die opmerking houdt in:“Dealen in Maggiora ziet [betrokkene 3][DA: officier van justitie mr. [Officier van Justitie 2] ]niet (nauwelijks) zitten. De opties: coöperatieve houding in Maggiora en daardoor een lagere straf eisen om daarna in te gaan op een executieverzoek (GRATIE) positief te adviseren vond ook de advocaat ogenschijnlijk de beste optie.” In haar e-mail aan de advocaat van [betrokkene 1] voorafgaand aan het overleg omschrijft mr. [Officier van Justitie 2] de beoogde overeenkomst als een ‘executiedeal’. Die term duidt er op zichzelf op dat een eventuele deal uitsluitend zou zien op een positief advies op een gratieverzoekin de executiefase, en dat een lagere strafeis in de Maggiora -strafzaak daarvan (dus) geen onderdeel zou zijn. Die uitleg sluit aan bij de genoemde conceptovereenkomst, waarin het Openbaar Ministerie een positief advies op een gratieverzoek aanbiedt in ruil voor de door [betrokkene 1] afgelegde kluisverklaringen. Een lagere strafeis maakt geen onderdeel uit van de overeenkomst.
31. Dat een deal in Maggiora , dus voor de verklaringen die [betrokkene 1] heeft afgelegd of zal afleggen over de feiten in Maggiora , door het Openbaar Ministerie vanaf het begin is uitgesloten blijkt uit mutaties in het journaal van het arrondissementsparket (AP) Noord-Nederland en het journaal van het TBG.41.Tegen die achtergrond kan ook uit het gesprek van 14 oktober 2015 worden afgeleid dat de zaaksofficier daar aan [betrokkene 1] meedeelde dat een deal in Maggiora een afgesloten traject is.42.Dat is in overeenstemming met de opmerkingen in het verslag van het overleg van 3 maart 2016, die inhouden:“Dealen in Maggiora ziet [betrokkene 3] niet (nauwelijks) zitten”en“aangegeven dat een deal in Maggiora niet tot de opties behoort”. Wel heeft de zaaksofficier in het gesprek op 14 oktober 2015 [betrokkene 1] erop gewezen dat hij in zijn eis rekening kan houden met een meewerkende proceshouding en dat de rechter daarover vervolgens beslist, zodat meewerken in zijn voordeel kan zijn.43. De zinsnede: “coöperatieve houding in Maggiora en daardoor een lagere straf eisen” laat zich goed op dezelfde manier uitleggen. Dit wil zeggen dat daaruit kan worden afgeleid dat [betrokkene 1] tijdens dat gesprek (nogmaals) is voorgehouden dat een meewerkende houding eventueel tot een lagere straf zou kunnen leiden in zijn strafzaak, zonder dat voor wat betreft die verklaringen sprake zou zijn van (de verdergaande waarborg van) een overeenkomst als bedoeld in artikel 226g Sv.44.Dat past bij de hierboven genoemde aanwijzingen dat een lagere strafeis in Maggiora geen onderdeel uitmaakte van de besproken ‘executiedeal’. In die lezing heeft het Openbaar Ministerie de verdachte niet voorgehouden dat het afleggen van (verdere) bekennende verklaringen in Maggiora een voorwaarde zou zijn voor het sluiten van een deal voor zijn kluisverklaringen.
32. Gelet op het voorgaande is in het herzieningsverzoek naar mijn mening niet voldoende aannemelijk gemaakt dat (het ernstige vermoeden bestaat dat) de rechter, als hij had geweten van de nieuwe informatie, zou hebben vastgesteld dat het Openbaar Ministerie de kroongetuigenregeling heeft omzeild. Als toch wordt uitgegaan van deze gang van zaken, leidt dat overigens nog niet tot de conclusie dat de rechtbank zou hebben geoordeeld dat geen eerlijk proces meer mogelijk is. In mijn ogen heeft de verdediging niet voldoende aannemelijk gemaakt dat de rechter deze vormverzuimen als onvoldoende hersteld zou hebben beschouwd. Dat licht ik toe.
33. De vraag is of de aanvraagster in haar strafproces bij de rechtbank door de vormverzuimen onherstelbaar zou zijn geraakt in de uitoefening van haar verdedigingsrechten voor zover die betrekking hebben op de verklaringen van [betrokkene 1] . Daarbij is volgens mij bepalend of zij aldaar over voldoende informatie had kunnen beschikken om op de terechtzitting verweer te voeren over de rechtmatigheid en betrouwbaarheid van die verklaringen. Zoals hiervoor is gebleken is op dit vlak in het hoger beroep van de medeverdachten veel nieuwe informatie boven water gekomen. Deze informatie bevindt zich bij de door de verdediging aangeleverde stukken.45.Het herzieningsverzoek bevat geen onderbouwing van de stelling dat de vormverzuimen (desondanks) onvoldoende zijn hersteld. Dit terwijl de door de verdediging geciteerde overwegingen van het hof ook inhouden dat (na veel gesleur van de verdediging en het hof) “een meer volledig beeld tot stand [is] gekomen van de aspecten die een rol hebben gespeeld bij de totstandkoming van de verklaringen van [betrokkene 1] ”.46.Bij die stand van zaken kan ik hier volstaan met de opmerking dat de beschikbaar gekomen gegevens het naar mijn idee voldoende mogelijk maken de rechtmatigheid en betrouwbaarheid van de verklaringen van [betrokkene 1] te onderzoeken en te bekritiseren.
(iii) Het aan [betrokkene 1] als voorwaarde opleggen dat hij niet mag verklaren over zijn contacten met het Openbaar Ministerie
34. Ten derde gaat het om de vaststelling dat het Openbaar Ministerie tegen [betrokkene 1] heeft gezegd dat hij niet mocht verklaren over zijn contacten en afspraken met het Openbaar Ministerie, en dat het Openbaar Ministerie daar een toezegging over een bepaalde strafeis tegenover heeft gezet. Dat baseert de verdediging in de kern op de verklaringen van [betrokkene 1] .47.De verdediging ziet voor de verklaringen concrete bevestiging in (een aan [betrokkene 1] verstuurd bericht van de advocaat van [betrokkene 1] over) een bericht van de zaaksofficier na een van de zittingen bij de rechtbank en het contact tussen de verantwoordelijke officier van justitie van het Landelijk parket en [betrokkene 1] na het vonnis.48.
35. Ik houd rekening met het volgende. In de mutatie in het journaal van het TBG over het gesprek kort voor de inhoudelijke behandeling van de zaken in Maggiora staat niet vermeld dat de officier van justitie van het Landelijk parket toen tegen [betrokkene 1] heeft gezegd dat hij diende te zwijgen over zijn contacten met het Openbaar Ministerie in het kader van het TBG-traject en dus ook niet dat in ruil daarvoor een bepaalde strafeis in zijn strafzaak zou volgen. Dit blijkt ook niet uit de verklaring die deze officier van justitie als getuige op de terechtzitting van het hof heeft afgelegd. Die verklaring houdt verder in dat hij [betrokkene 1] geen beloftes heeft gedaan over een strafeis in zijn strafzaak.49.De zaaksofficier ontkende als getuige bij het hof dat sprake zou zijn van een voorwaarde voor een bepaalde strafeis. Hij verklaarde dat hij slechts bij de advocaat heeft aangegeven dat het niet in het belang van [betrokkene 1] is als hij verklaart over het TBG-traject, zo begrijp ik.50.Ik zie daarom geen directe bevestiging voor de verklaring van [betrokkene 1] in het bericht van de zaaksofficier aan de raadsman na de zitting dat kennelijk inhield “dat het goed was gegaan”. Over de contacten tussen de officier van justitie van het Landelijk parket en [betrokkene 1] na het vonnis gaf de officier van justitie bij zijn verhoor als getuige bij het hof in mijn ogen een begrijpelijke verklaring, namelijk dat hij het zuur vond voor [betrokkene 1] dat de deal buiten diens schuld om niet van de grond was gekomen.51.Die contacten zijn daarmee niet per se zo uit te leggen dat [betrokkene 1] nog iets van het Openbaar Ministerie tegoed had op de grond dat hij volgens afspraak had gezwegen over zijn contacten met het Openbaar Ministerie en dat moest blijven doen.
36. Ik merk op dat de zaaksofficier en de officier van justitie van het Landelijk parket het bestaan van de voorwaarde voor een bepaalde strafeis tegenspreken. Gezien het voorgaande ben ik daarnaast niet van mening dat voor de verklaringen van [betrokkene 1] concrete bevestiging is te vinden in de aangeleverde stukken. De verdediging heeft daarom m.i. onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de rechter bij bekendheid met de nieuwe gegevens (ook) tot de conclusie zou zijn gekomen dat het Openbaar Ministerie in ruil voor een lagere strafeis aan [betrokkene 1] de voorwaarde heeft gesteld dat hij moest zwijgen over zijn contacten met het Openbaar Ministerie. Als wel wordt uitgegaan van dit vormverzuim, dan moet worden aangenomen dat de rechtbank zou hebben geoordeeld dat dit (voldoende) is hersteld. Ik wijs op mijn opmerkingen onder 32; die gelden ook voor dit vormverzuim.
(b) Het tijdsverloop
37. Waar de verdediging de aandacht vestigt op het tijdsverloop in relatie tot verschillende inbreuken op de verdedigingsrechten van de aanvraagster, kan ik kort zijn. Dit kan geen grond bieden voor niet-ontvankelijkheid. Eventuele complicaties moet de rechter oplossen in het kader van de beslissing over de bewijsvraag.52.
Conclusie
38. Ik kom op basis van het bovenstaande tot de conclusie dat de aangeleverde gegevens niet het ernstige vermoeden wekken dat de eerder oordelende rechter, als hij daarvan op de hoogte was geweest, zou hebben geoordeeld dat een eerlijk proces niet meer tot de mogelijkheden behoort en dat het Openbaar Ministerie daarom niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Andere gronden voor de vernietiging van de bestreden veroordeling, zijn niet aangevoerd.
Slotsom
39. Deze conclusie strekt tot afwijzing van de aanvraag tot herziening.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 11‑11‑2025
Zie het persbericht op rechtspraak.nl:https://www.rechtspraak.nl/Organisatie-en-contact/Organisatie/Rechtbanken/Rechtbank-Noord-Nederland/Nieuws/Paginas/Hoofdverdachte- Maggiora -drugszaak-krijgt-8-jaar-cel.aspx.https://www.rechtspraak.nl/Organisatie-en-contact/Organisatie/Rechtbanken/Rechtbank-Noord-Nederland/Nieuws/Paginas/Hoofdverdachte- Maggiora -drugszaak-krijgt-8-jaar-cel.aspx
Zie het persbericht op rechtspraak.nl:https://www.rechtspraak.nl/Organisatie-en-contact/Organisatie/Gerechtshoven/Gerechtshof-Arnhem-Leeuwarden/Nieuws/Paginas/Openbaar-Ministerie-niet-ontvankelijk-in- Maggiora -drugszaak.aspx.
Dit arrest is gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2024:7367. In alle arresten van het hof Arnhem-Leeuwarden die zijn gewezen in het cluster strafzaken van het onderzoek Maggiora kwam het hof op grond van dezelfde overwegingen tot de beslissing het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren. Zie verder ECLI:NL:GHARL:2024:7362, ECLI:NL:GHARL:2024:7367, ECLI:NL:GHARL:2024:7364, ECLI:NL:GHARL:2024:7363, ECLI:NL:GHARL:2024:7365.
Zie herzieningsverzoek, productie H, p. 7, en par. 2.2.1 van het arrest van het hof.
Zie herzieningsverzoek, productie J, p. 4.
Herzieningsverzoek, productie J, p. 10.
Het Team Speciale Getuigen is de voorloper van het Team Beschermde Getuigen.
Herzieningsverzoek, productie N, p. 1-16.
Herzieningsverzoek, productie O, ongenummerd.
Opmerking D.A.: ‘ [codenaam betrokkene 1] ’ is de codenaam van [betrokkene 1] in het TSG/TBG-traject.
Herzieningsverzoek, productie N, p. 21-22.
Herzieningsverzoek, productie O, ongenummerd.
Zie herzieningsverzoek, productie K, p. 10 en 17.
Herzieningsverzoek, productie N, p. 31.
Zie het arrest van het hof onder 2.2. Zie herzieningsverzoek, productie J, p. 16 en 17.
Herzieningsverzoek, productie D, ongenummerd. Het zijn stukken die zijn gevoegd bij de in het hoger beroep in Maggiora ingediende appelschriftuur van de advocaat van een van de medeverdachten.
Herzieningsverzoek, productie K, p. 8.
Zie r.o. 1.2 van het arrest van het hof en de overwegingen onder het opschrift “Geen overeenkomst 226g Sv, maar wel toezeggingen over strafeis”. Zie Rb. Noord-Nederland 1 augustus 2017, ECLI:NL:RBNNE:2017:2947.
Herzieningsverzoek, productie D, ongenummerd.
Zie het arrest van het hof onder 1.2, 1.3 en 3.1.3.
Vgl. mijn conclusie van 29 augustus 2023, ECLI:NL:PHR:2023:742, onder 27-28. Zie ook HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:633, r.o. 6.2.2, NJ 2022/41 m.nt. P.A.M. Mevis. Zie nader over art. 457 lid 1, aanhef en onder c, Sv en de beslissing van niet-ontvankelijkheid de conclusie van A-G Harteveld van 10 maart 2020, ECLI:NL:PHR:2020:644, onder 8-11.
Zie HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:633, NJ 2022/41 m.nt. P.A.M. Mevis, r.o. 6.2.3.
Zie mijn conclusie van 11 juni 2013, ECLI:NL:PHR:2013:CA2549, onder 7.4, met verwijzingen. Zie ook de conclusie van A–G Harteveld van 10 maart 2020, ECLI:NL:PHR:2020:644, onder 12-14.
Zie met betrekking tot art. 359a Sv het overzichtsarrest van de Hoge Raad uit 2020, waarin de maatstaf voor niet-ontvankelijkheid werd verduidelijkt (HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889, NJ 2021/169 m.nt. N. Jörg, r.o. 2.5.1-2.5.3). Zie in relatie tot inbreuken op verdedigingsrechten buiten het bereik van art. 359a Sv: HR 13 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2059, NJ 2017/51 m.nt. T. Kooijmans. Met de nuancering en bijstelling van de maatstaf voor de toepassing van niet-ontvankelijkheid via art. 359a Sv in het arrest van 1 december 2020 heeft de Hoge Raad dat criterium gelijkgetrokken aan de maatstaf voor niet-ontvankelijkheid als sanctie op schendingen van de verdedigingsrechten. De tot niet-ontvankelijkheid leidende vormverzuimen van art. 359a Sv zijn daarmee enkel nog te zien als een speciaal geval van de tot niet-ontvankelijkheid leidende inbreuken op verdedigingsrechten (zie mijn conclusie van 3 september 2024, ECLI:NL:PHR:2024:879, onder 10 en in voetnoot 5).
Zie HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889, NJ 2021/169 m.nt. N. Jörg, r.o. 2.5.2.
Vgl. over het principe van subsidiariteit bij toepassing van art. 359a Sv ook HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889, NJ 2021/169 m.nt. N. Jörg, r.o. 2.1.3. Datzelfde uitgangspunt is terug te zien in HR 13 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2059, NJ 2017/51 m.nt. T. Kooijmans, r.o. 2.3.4. Dit past bij de verstrekkende aard van het rechtsgevolg van niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. In zijn conclusie van 7 juli 2020, ECLI:NL:PHR:2020:654, onder 123, die voorafging aan bovengenoemd overzichtsarrest van de Hoge Raad van 1 december 2020, verwoordde (toenmalig) A-G Bleichrodt het als volgt: “Het rechtsgevolg is naar zijn aard grof en laat geen ruimte recht te doen aan de belangen die de samenleving en eventuele slachtoffers hebben bij de berechting. Niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie brengt tot uitdrukking dat andere belangen zwaarder moeten wegen dan het tot de hoofddoelstellingen van het strafproces te rekenen belang van een juiste toepassing van het materiële strafrecht. Voor een dergelijk ingrijpend rechtsgevolg is slechts plaats in uitzonderlijke omstandigheden.” Er bestaat wel discussie over de vraag of er in de huidige lijn van de Hoge Raad in zeer uitzonderlijke gevallen toch niet ook ruimte bestaat voor niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie wanneer het recht van de verdachte op een eerlijk proces niet onomkeerbaar is aangetast. Sanctionering heeft dan met name te maken met de verwijtbaarheid van het handelen van justitie. Volgens Bleichrodt bestaat die ruimte wel in extreme gevallen waarin door het vormverzuim voortzetting van de vervolging zozeer in strijd moet worden geacht met een goede procesorde, dat de met voortzetting van de vervolging gemoeide belangen daarvoor moeten wijken. Daarbij kan worden gedacht aan bewuste misleiding van de rechter. In zijn zojuist genoemde conclusie nodigde Bleichrodt de Hoge Raad uit om dit uitgangspunt te expliciteren (zie randnummers 129-133 en 188). Dat deed de Hoge Raad niet. Volgens Samadi wijst dit erop dat volgens de Hoge Raad (toch) geen ruimte is voor niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie zonder onherstelbare schending van art. 6 EVRM (zie M. Samadi, ‘Een nieuw beoordelingskader voor de sanctionering van vormverzuimen: een stap in de goede richting?’, NTS 2022/05, p. 30). Van Kempen merkt op dat de Hoge Raad nog een kleine opening lijkt te bieden voor gevallen waarin het recht op een eerlijke behandeling aanvankelijk in het gedrang is gekomen maar vervolgens voldoende mate herstel heeft plaatsgevonden om het proces als geheel toch eerlijk te laten verlopen. In dit soort gevallen is, zo stelt de Hoge Raad, ‘in beginsel’ geen ruimte voor de niet-ontvankelijkverklaring (zie P.H.P.H.M.C van Kempen, ‘Politiegeweld en -racisme als (structureel) vormverzuim’, DD 2021/9, p. 96). De deur is in ieder geval niet luid en duidelijk dichtgegooid, zou ik zeggen. Ik merk op dat de verdediging in het herzieningsverzoek geen beroep doet op deze (eventuele) uitzonderlijke grond voor niet-ontvankelijkheid.
Zie EHRM 13 september 2016, nrs. 50541/08, 50571/08, 50573/08 en 40351/09, par. 250-251 (Ibrahim e.a./VK). Zie verder EHRM 16 februari 2000, nr. 28901/95, par. 66. (Rowe en Davis/VK), en EHRM 22 mei 2012, nr. 5826/03, par. 179-181 (Idalov/Rusland). Vgl. HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889, NJ 2021/169 m.nt. N. Jörg, r.o. 2.5.2, en HR 13 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2059, NJ 2017/51 m.nt. T. Kooijmans, r.o. 2.3.4.
Vgl. bijvoorbeeld M. Samadi, ‘Herstel of compensatie van vormverzuimen? De invloed van het dominante kader van artikel 6 EVRM voor artikel 359a Sv.’, in: P. van Berlo e.a. (red.), Over de grenzen van de discipline. Interactions between and within criminal law and criminology, Den Haag: Boom Juridisch 2017, par. 10.4, onder verwijzing naar R. Goss, Criminal Fair Trial Rights. Article 6 of the European Convention on Human Rights, Oxford and Portland: Hart Publishing 2014, p. 115 e.v. Zie F.P. Ölçer, ‘Eerlijk proces en tuchtrechtelijke procedures’, AA 2016/7, par. 2.
Vgl. D. Vitkauskas & G. Dikov, ‘Protecting the right to a fair trial under the European Convention on Human Rights’, Council of Europe, September 2017, p. 13, onder verwijzing naar EHRM 6 december 2002, nr. 53254/99 (Karalevičius/Litouwen), par. 3.
De ernst van het verwijt dat justitie kan worden gemaakt speelt immers in principe geen rol in de vraag of de verdachte zijn in art. 6 EVRM gewaarborgde verdedigingsrechten heeft kunnen uitoefenen (vgl. bijvoorbeeld M.J. Borgers, ‘De toekomst van artikel 359a Sv’, DD 2012/25). Of de laakbaarheid van het handelen van justitie überhaupt kan leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie is niet helemaal duidelijk, zoals ik uitleg in voetnoot 27.
Zie M. Samadi, Normering en toezicht in de opsporing. Een onderzoek naar de normering van het strafvorderlijk optreden van opsporingsambtenaren in het voorbereidend onderzoek en het toezicht op de naleving van deze normen (diss. Leiden), Den Haag: Boom juridisch 2020, p. 191-192 en F.C.W. de Graaf & L. Kesteloo, ‘Welke mogelijkheden bestaan er om op grond van artikel 359a Sv rechtsgevolgen te verbinden aan fouten in het strafdossier?’, DD 2016/21, par. 3.1. Van herstel is niet alleen sprake bij het één-op-één rechtzetten van de fout door bijvoorbeeld het in hoger beroep alsnog toevoegen aan het dossier van eerder in strijd met art. 152 Sv niet gevoegde stukken (zie HR 1 juli 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF9417, NJ 2003/695 m.nt. P.A.M. Mevis) of het (laten) opmaken van een herstelproces-verbaal (zie HR 18 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:639, NJ 2014/190, r.o. 2.6), maar ook wanneer de juiste of ontbrekende informatie kenbaar wordt door toevoeging aan het dossier van informatie uit andere bronnen (zie HR 5 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:9, NJ 2016/153 m.nt. F. Vellinga-Schootstra, HR 11 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2305, en meer recent HR 26 augustus 2025, ECLI:NL:HR:2025:1204 (81.1 RO)). Zie verder de conclusie van Bleichrodt van 7 juli 2020, ECLI:NL:PHR:2020:654, onder 105-117, Samadi, a.w. 2017, en Kuiper, a.w. 2014, p. 207-210.
Vgl. HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889, NJ 2021/169 m.nt. N. Jörg, r.o. 2.3.4, 2.5.3 en 3.4.2: “toepassing van strafvermindering [is] niet uitgesloten in gevallen waarin, als gevolg van een of meerdere vormverzuimen, in het verloop van de strafprocedure complicaties zijn opgetreden die het voeren van de verdediging ernstig hebben bemoeilijkt, maar waarbij die vormverzuimen vervolgens in voldoende mate zijn hersteld om het proces als geheel eerlijk te laten verlopen” en “de Hoge Raad neemt hierbij in aanmerking dat […] schending van de lichamelijke integriteit bij de toepassing van dwangmiddelen, grond kan bieden voor compensatie in de vorm van strafvermindering. Daarbij kan in voorkomende gevallen ook rekening worden gehouden met complicaties die het voeren van de verdediging in relatie tot dergelijke verzuimen ernstig hebben bemoeilijkt.” Op deze manier is de Hoge Raad volgens mij tegemoetgekomen aan de kritiek van Bleichrodt onder randnummer 109 van zijn aan dit arrest voorafgaande conclusie, over de “onbevredigende situatie dat hetzij de valse informatie niet wordt opgehelderd en de misleiding van de rechter dus is voltooid, hetzij dat deze wel wordt opgehelderd maar een rechtsgevolg in de zin van art. 359a Sv evenmin in beeld komt, omdat het verzuim voor hersteld wordt gehouden.” Vgl. hierover ook onderdeel 4 van de noot van M.J. Borgers onder: HR 29 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT7104, NJ 2012/146.
Een voorbeeld daarvan is te vinden in een zaak die de Hoge Raad in 1998 behandelde. Het Openbaar Ministerie had in die zaak aan CID-rechercheurs de opdracht gegeven tijdens hun verhoor als getuigen bij de rechter-commissaris en op het onderzoek ter terechtzitting van het hof bepaalde vragen niet te beantwoorden. Het hof had het Openbaar Ministerie naar aanleiding daarvan niet-ontvankelijk in de vervolging verklaard, omdat (met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte) aan het recht van de verdachte op een eerlijk proces tekort was gedaan. Die beslissing liet de Hoge Raad in stand. Zie HR 8 september 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1239, NJ 1998/879 m.nt. T.M. Schalken.
Zie HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889, NJ 2021/169 m.nt. N. Jörg, r.o. 2.4.1, en HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5321, NJ 2013/308, m.nt. B. Keulen, r.o. 2.4.4. Zie verder HR 13 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2059, NJ 2017/51 m.nt. T. Kooijmans, r.o. 2.3.4. Vrijspraak (als gevolg van bewijsuitsluiting) moet niet tot (procedurele) compensatie worden gerekend omdat na bewijsuitsluiting van de vaststelling van een inbreuk en schending van een bepaald deelrecht geen sprake meer kan zijn. Zie onderdeel 4 van de noot van T. Kooijmans bij HR 13 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2059, NJ 2017/51.
Zie HR 12 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:1009, r.o. 2.4.2. Vgl. ook in verband met het recht op tegenonderzoek: HR 18 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:217, NJ 2025/175 m.nt. J.M. Reijntjes.
Of er eerst een proces-verbaal is opgemaakt en vervolgens weer is verwijderd (met vernummering van andere processen-verbaal) is voor de omvang van het nadeel dat de aanvraagster in de uitoefening van haar verdedigingsrechten heeft ondervonden niet van belang. Op dat punt ga ik hier dus niet in.
De bewuste opname is op bevel van het hof door het Openbaar Ministerie aangeleverd en uitgewerkt door de raadsheer-commissaris in samenwerking met een officier van justitie.
Zie art. 226g-226k Sv.
Zie randnummer 9, onder iv. Zie voor de relevante overwegingen het arrest van het hof onder het opschrift: “Coöperatieve houding in het onderzoek Maggiora vereist voor deal”.
Een mutatie in het journaal van het AP houdt in: “Dinsdag 6 oktober jl. overleg […] Doel: verkennen van de mogelijkheden om een dealgetuigetraject of een TBG-traject in te gaan in dit onderzoek. […] Conclusie Geen inzet dealgetuigentraject of TBG traject.” Dit is productie P van het herzieningsverzoek. Uit mutaties in het journaal van het TSG/TBG blijkt dat in het onderzoek Maggiora : “is besloten het Protocol Bijzondere Getuigen te onderbreken. Daarbij speelde tevens mee dat de positie van dealgetuige in de zin van artikel 226g Wetboek van Strafvordering niet haalbaar was, gelet op de aanwezigheid van ander bewijsmateriaal en het feit dat de verklaring van [betrokkene 1] niet hét enige bewijsmateriaal zou opleveren.” Zie herzieningsverzoek, productie N, p. 3.
“Officier: Even los daarvan [… ] [FON]. […] Je hebt toen een gesprek gehad in de raadkamer, dat is gewoon een afgesloten traject. Dat ene specifieke is een afgesloten traject.” Zie herzieningsverzoek, productie H, p. 2.
“Officier: Kijk, dus we hebben het over iets. Het is een belangrijke zaak. Jouw procespositie, je moet weten, en dat is niet iets waarmee we jou iets voorspiegelen. Dat is meer een… Voorlichting die ik geef. Het is gewoon zo, en ik weet wel dat dingen vaak anders gezegd worden: 'Als je meewerkt dan ben je vaak slechter af.’’ Dat is gewoon niet zo. En dat kan als je meewerkt, kan het zeker ook in je voordeel zijn. Uiteindelijk bij de rechtbank. Ik kan daar natuurlijk ook aangeven uiteindelijk in mijn requisitoir. En uiteindelijk is het aan de rechter om daarover te beslissen.” Zie herzieningsverzoek, productie H, p. 4.
Het Openbaar Ministerie meende hier blijkbaar dat sprake was van “een toezegging die niet meer behelst dan hetgeen de officier van justitie onder normale omstandigheden met toepassing van het bestaande beleid zou hebben besloten (bij voorbeeld sepot gering feit).” Dat is volgens de Aanwijzing toezeggingen aan getuigen in strafzaken van het College van procureurs-generaal, Stcrt. 2020, 28135, onder 2.6. geen toezegging als bedoeld in art. 226g en 226k Sv.Uit rechtspraak van de Hoge Raad valt af te leiden dat het enkele voorhouden van het vage vooruitzicht dat een coöperatieve proceshouding bij het bepalen van de strafeis op waarde zal worden geschat, niet is te kwalificeren als een toezegging in de zin van de wettelijke regeling. Zie J.H. Crijns, M.J. Dubelaar & K.M. Pitcher, Collaboration with Justice in the Netherlands, Germany, Italy and Canada. A comparative study on the provision of undertakings to offenders who are willing to give evidence in the prosecution of others, Leiden: Leiden University/WODC 2017 (de Nederlandse versies van de hoofdstukken 2, 3 en 8). Vgl. verder HR 2 april 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD8948, en HR 19 maart 1996, NJ 1997/59.
Voor de volledigheid wijs ik hier nogmaals op de uitwerking van de AVR van het gesprek van 14 oktober 2015. De verdediging heeft daarnaast verschillende soorten relevant berichtenverkeer ingebracht, die behoorden bij een appelschriftuur in de zaken van een van de voormalige medeverdachten. Verder zijn er mutaties uit het journaal van het TBG en e-mails van het Landelijk parket over het traject rond de door [betrokkene 1] afgelegde kluisverklaringen in het geding gebracht. Ook de door het Openbaar Ministerie verstrekte mutaties van het journaal van het arrondissementsparket Noord-Nederland bevatten informatie op dit punt. Daarnaast is de officier van justitie van het Landelijk parket die op enig moment de leiding over het TBG-traject kreeg ter terechtzitting gehoord over dit onderwerp, net als de zaaksofficier in Maggiora en de rechercheofficier ( [betrokkene 4] ) van het arrondissementsparket Noord-Nederland. Tot slot is natuurlijk relevant dat ook [betrokkene 1] zelf bij de raadsheer-commissaris uitgebreid is gehoord over zijn contacten met het Openbaar Ministerie in verband met het afleggen van verklaringen in het onderzoek Maggiora en in het TBG-traject.
Zie r.o. 4 van het arrest van het hof.
Zie randnummer 9, onder (vi).
Zie randnummer 9, onder (vii) en (viii). Zie de overwegingen van het hof onder het opschrift: “Geen overeenkomst 226g, maar wel toezeggingen over strafeis” en “2.3 Tussenconclusie”: “Het hof ziet geen aanleiding te twijfelen aan de verklaring van [betrokkene 1] dat hem te kennen was gegeven dat hij zijn mond moest houden over afspraken. Dat deze afspraak is gemaakt, vindt concreet bevestiging in het bericht van mr. [Officier van Justitie 1] na een van de zittingen bij de rechtbank en de latere appberichten met mr. [Officier van Justitie 3] over onder meer advocaatkosten. Telkens weer gaat het Openbaar Ministerie in op verzoeken van [betrokkene 1] dat daarmee bevestigt dat het nog steeds een belang heeft bij het zwijgen van [betrokkene 1] .”
Bij dat verhoor is aan de officier van justitie kennelijk niet gevraagd naar de verklaringen van [betrokkene 1] dat tegen hem zou zijn gezegd dat hij moest zwijgen over de contacten met het Openbaar Ministerie. De verklaring van de officier van justitie houdt in: “ [Officier van Justitie 1] heeft nooit tegen mij gezegd dat hij een voorwaardelijke straf zou eisen. Ik denk dat de politiemensen dat niet goed hebben genoteerd. Ik heb wel met hem gesproken, niet eens over de eis, want ik kende de zaak Maggiora niet en wist ook niet welke eis hij van plan was om te stellen. Ik heb wel met hem gesproken over dat hij best rekening zou mogen houden met het gegeven dat [betrokkene 1] bereid is geweest verklaringen af te leggen in andere zaken, ook al komt er geen deal. Het gesprek in de Bunker was vooral om [betrokkene 1] duidelijk te maken dat er geen deal was. Dat was hem ook al eerder gezegd door mr. [Officier van Justitie 2] , maar hij wilde daar toen niet aan. […] Ik heb nooit iets concreets toegezegd. Ik zal ongetwijfeld gezegd hebben, ik weet het niet zeker, dat ik nog wel met de officier van justitie zou praten om hem tot mildheid te stemmen. […] Ik heb contact gehad met [Officier van Justitie 1] en DJI. Maar ik heb nooit gezegd “dit en dit beloof ik je”. Ik kon alleen maar beloven dat ik met hen zou praten, want ik had er niets over te zeggen.” Uit het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting waarop de officier van justitie is gehoord, valt op te maken dat hij eerder ook schriftelijke vragen heeft beantwoord en bij de raadsheer-commissaris is gehoord. Aangezien de verdediging die stukken niet heeft ingebracht in de herzieningsprocedure, ga ik ervan uit dat dit ook niet blijkt uit die verklaringen. Zie herzieningsverzoek, productie S, p. 12 en 13.
“U houdt mij voor dat er dus staat dat [betrokkene 1] zich aan de voorwaarden heeft gehouden. De raadsman mag ook bij zichzelf te rade gaan. Er is nooit gezegd als voorwaarde: als je dit doet, dan doe ik dat. Dat is niet aan de orde geweest. Nee. Ik heb alleen gezegd zorg nou dat hij zich bij zijn verhaal over Maggiora houdt. Het is niet in zijn belang als hij daarover vertelt. Ik vind het ook reëel om dat bij de raadsman aan te geven. De raadsman vertaalt dit dan als een voorwaarde, maar het is helemaal geen voorwaarde voor de eis die ik zal neerleggen. Ik heb rekening gehouden met zijn detentieomstandigheden en zijn meewerkende houding en dat heb ik in mijn requisitoir ook aan de rechter voorgelegd.” Zie herzieningsverzoek, productie S, p. 31-32.
“U merkt op dat in de appberichten te zien is dat ik het gesprek met [betrokkene 1] aanga en vraagt waarom ik hiertoe de noodzaak voelde. Omdat ik het uiteindelijk ook wel zuur voor hem vond. Het lag buiten zijn invloed dat de deal niet was doorgegaan. Dit kwam doordat ik er geen klandizie voor kon vinden. De parketten waren niet geïnteresseerd. [betrokkene 1] had verder wel meegewerkt. Ik besef mij ook dat het voor een kroongetuige niet makkelijk is. Zij komen uit de criminele wereld, hebben geen vertrouwen in justitie en ineens horen zij dat ze op justitie moeten vertrouwen. Tegen hen wordt gezegd dat ze alles moeten vertellen, ook alles over hun eigen betrokkenheid en dat de verklaringen pas worden gebruikt als er een deal is gesloten. Als er geen deal komt verdwijnen de verklaringen in het archief of worden ze vernietigd. Dat vraagt nogal wat van mensen. Ik heb dat met meerdere kroongetuigen meegemaakt. Zij moeten hun houding ten opzichte van politie en justitie helemaal veranderen.” Zie herzieningsverzoek, productie S, p. 9-10.
Overigens kan nog worden opgemerkt dat met het tijdsverloop na het vonnis in deze herzieningsprocedure geen rekening kan worden gehouden. Het strafproces tegen de aanvraagster is hierdoor immers niet aangetast en de belangen van de aanvraagster kunnen door deze verzuimen niet zijn geschaad.