Einde inhoudsopgave
De bij dode opgerichte stichting (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2020/5.5.1
5.5.1 Last en stichting zijn nauw verwant
mr. T.F.H. Reijnen, datum 01-09-2020
- Datum
01-09-2020
- Auteur
mr. T.F.H. Reijnen
- JCDI
JCDI:ADS232362:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Erfrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Stolz 2015, p. 339, spreekt ten aanzien van de testamentaire last van een wettelijke ontbindende voorwaarde.
Stolz 2015, p. 323, 328-329.
Zie ook 2.2.2.1 waar bleek dat in het verleden het vaak lastig was te onderscheiden tussen een legaat onder een last en een stichting.
Van de Velde 1937.
Kamerstukken II 1964-1965, 3771, nr. 8, p. 51 (Verslag van het mondeling overleg, tevens eindverslag).
H. Krätzsche in: Holger Krätzschel, Melanie Falkner & Dr. Christoph Döbereiner, Nachlassrecht. Erbfolge, Testament, Erbvertrag, Pflichtteilsrecht, Rechtspflege, Insolvenz, Verfahren, Erbschaftsteuer und IPR. Handbuch der Rechtspraxis: HRP 6, München: C.H. Beck, 11. Auflage 2019, § 10/Rn 99.
Van de Velde 1937. Zie ook Asser/Scholten 1-II 1940/p. 166.
Als een erflater zekerheid wil dat zijn nalatenschap wordt gebruikt ten behoeve van een in zijn ogen nastrevenswaardig doel, kan hij een erfgenaam of een legataris daartoe een testamentaire last op leggen. Wordt een testamentaire last opgelegd aan een erfgenaam of legataris, dan koppelt de wet een ontbindende voorwaarde aan diens recht.1 Bij niet nakoming van de testamentaire last, kan de making vervallen worden verklaard, zie artikel 4:131 lid 2 BW.2
De erflater had ook kunnen kiezen voor de oprichting bij dode van een stichting en de stichting gelijktijdig kunnen begunstigen met een making. Voor de jurist van de 21ste eeuw, mogen dat twee totaal verschillende constructies lijken, voor de jurist uit eerdere tijden was dat duidelijk anders.3 Zo schreef Van de Velde in 1937:
‘Iemand, die een doel door een ander wil zien nagestreefd, kan dit dus bereiken door het schenken of maken onder last of door het in leven roepen van eene stichting. In beide gevallen moet hij zich daarvoor opofferingen getroosten. Bij de schenking of making onder last is de last niet mogelijk zonder vermogensafstand (het geschonkene of gemaakte), bij de stichting is de verplichte naleving van het doel niet mogelijk zonder de afzondering van een kapitaal. Schenking en making onder last en stichting zijn dus nauw verwant.’4
De relatie tussen last en het doel van de stichting wordt ook opgemerkt door Perrick:
‘Worden de bevoordeelden bepaald door een algemeen doel, hetwelk de erflater zich met zijn last voorstelde, bijvoorbeeld vermindering der armoede bij een uitkering aan de armen, bevordering der wetenschap bij het uitschrijven van een prijsvraag, dan behoeft men geen bezwaar te maken tegen het feit dat de bevoordeelden niet bestaan op het tijdstip van overlijden van de testateur.
In dit laatste geval staat de last op één lijn met het in het leven roepen van een stichting. Slechts een blijvende organisatie ter bevordering van het doel ontbreekt om de last het karakter van een stichting te geven.’5
Ook uit de parlementaire geschiedenis blijkt dit verband waar de regering opmerkt dat bij constructies met een tijdelijk karakter de testamentaire last voor de hand ligt en bij een constructie met een meer duurzaam karakter een constructie met een bij dode opgerichte stichting.6
Ook in Duitsland worden de stichting en het legaat onder een last gezien als alternatieven. Zo schrijft Krätzsche:
‘Ein Vermächtnis unter einer Auflage eignet sich als Ersatz für eine rechtsfähige Stiftung (…).’7
Ik ben van mening dat de alternatieven testamentaire last en stichting zo nauw verwant zijn, dat ook bij de oprichting van een stichting bij dode met gelijktijdige begunstiging van die stichting, sprake is van een last. Het grootste verschil is opgemerkt door Van de Velde in 1937. Geparafraseerd schrijft Van de Velde dat bij de stichting sprake is van afzondering van persoon, de wil een rechtspersoon in het leven te roepen, terwijl dat bij de legaat onder een testamentaire last niet het geval is.8