Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/4.3.1.3
4.3.1.3 De verhouding tussen de rechtspersoonrechtelijke regels en contractuele regels van de deelrechtsorde
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS367269:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie par. 4.2.7.3. Een uitputtende bespreking van deze literatuur valt buiten het bestek van dit onderzoek. Op deze plek volstaat een beperkt aantal observaties.
HR 30 juni 1944, NJ 1944, 465 (Wennex), HR 13 november 1959, NJ 1960, 472 (Distilleerderij Melchers) en HR 19 februari 1960, NJ 1960, 473 (Aurora).
Zie ook Handboek 2013, p. 438 en 440.
Mohr 1997.
Zie par. 4.5.2.2. Zie ook Rechtbank ’s Gravenhage 1 augustus 2012, JOR 2012/286 (Vanka/ Kawat) en de noot van Blanco Fernandez daarbij en de daarin genoemde literatuur, alsmede Handboek 2013, nr. 217 en Van Veen 2011, par. 4. Zie ook HR 29 november 1996, NJ 1997, 345 (Landinvest/Chipshol)).
HR 20 februari 1998, NJ 1998, 493 (Weena Zuid): “Voor toepassing van art. 6:258 is alleen plaats wanneer de onvoorziene omstandigheden van dien aard zijn dat de wederpartij van degene die herziening van de overeenkomst verlangt, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet mag verwachten. Aan dit vereiste zal niet spoedig zijn voldaan; redelijkheid en billijkheid verlangen immers in de eerste plaats trouw aan het gegeven woord en laten afwijking daarvan slechts bij hoge uitzondering toe (vgl. Parl. Gesch. Boek 6, p. 969).” Ook Van Schilfgaarde (2002, p. 640) omschrijft de vennootschappelijke werking van (aandeelhouders)overeenkomsten als onontkoombaar.
Zie bijvoorbeeld HR 28 april 2000, NJ 2000, 430, m.nt. Bloembergen en HR 24 maart 2006, NJ 2007, 377, m.nt. Brunner. Zie echter ook HR 30 juni 2000, NJ 2000, 675.
Art. 2:15 lid 1 sub b en c BW.
Hof Amsterdam (handelskamer) 13 januari 2015, JOR 2015/69 m.nt. Nowak, r.o. 3.7 en 3.8. Bovendien kan de omstandigheid dat een duurovereenkomst is gesloten ter uitvoering van een statutaire bepaling meebrengen dat de bij de organisatie van de rechtspersoon betrokkenen deze niet kunnen opzeggen. HR 15 april 2016, JOR 2016/189 m.nt. Blanco Fernandez (Stichting Gooisch Natuurreservaat).
Vgl. de beschikkingen van Hof Amsterdam (OK) van 20 mei 1999 (JOR 2000/72, Versatel), 8 mei 2002 (JOR 2002/112, Broadnet) en 30 december 2008 (JOR 2009/128, S Energy).
HR 4 april 2014, NJ 2014, 286 m.nt. Van Schilfgaarde, JOR 2014/290 m.nt. De Haan (Cancun).
Zie bijvoorbeeld de beschikkingen van Hof Amsterdam (OK) van 6 oktober 2010 (ARO 2010/151, De Leeuw), r.o. 3.6 en 31 januari 2011 (JOR 2011/140, m.nt. Josephus Jitta, A&D Pharma Holdings), r.o. 3.8.
HR 9 oktober 2009, NJ 2009, 595 m.nt. Van Schilfgaarde en JOR 2009/286 m.nt. Leijten.
HR 9 juli 2004, NJ 2004, 519 m.nt. Maeijer, JOR 2004/266, m.nt. van den Ingh (Duplicado).
Art. 2:14 lid 1 BW.
Art. 3:40 lid 1 BW. Boek 2 BW bevat nauwelijks bepalingen die het sluiten van bepaalde overeenkomsten zelf verbieden, zodat art. 3:40 lid 2 BW op dit punt nauwelijks een rol speelt. Vgl. echter Van Veen 2011, par. 3.1.
HR 1 juni 2013, NJ 2013, 172 m.nt. Tjong Tjin Tai (Esmilo/Mediq).
Vgl. de conclusie van A-G Timmerman bij HR 23 oktober 2009, JOR 2010/4 (Toog c.s./Ramsley). Zie ook Van Veen 2011, p. 123.
In de praktijk komt het geregeld voor dat bij vennootschappen betrokken partijen hun onderlinge rechtsverhouding nader regelen in een overeenkomst. Dergelijke overeenkomsten leiden bij veel juridische auteurs tot nogal wat hoofdbrekens.1 Dergelijke overeenkomsten en de verhouding daarvan tot rechtspersoonrechtelijke regels (zoals bijvoorbeeld Boek 2 BW en de statuten) is het voorwerp van een gestage stroom juridische literatuur.
Uit genoemde literatuur blijkt enerzijds dat overeenkomsten omtrent de gang van zaken in de rechtspersoon losstaan van de rechtspersoonrechtelijke regels, maar dat er anderzijds ook een wisselwerking is tussen deze regels. Ter illustratie daarvan geldt het volgende.
Een voorbeeld dat overeenkomsten ten aanzien van de gang van zaken binnen de rechtspersoon losstaan van de deelrechtsorde biedt de rechtspraak2 van de Hoge Raad ten aanzien van stemovereenkomsten. Daarin heeft de Hoge Raad zich onder meer uitgelaten over de situatie dat een aandeelhouder zich verbindt om in de aandeelhoudersvergadering op een bepaalde manier te stemmen, maar vervolgens toch anders stemt (dus in strijd met de desbetreffende overeenkomst). De Hoge Raad oordeelde dat een aldus uitgebrachte stem geldig is. Dat oordeel is nog steeds actueel: stemmen zijn immers slechts nietig in de gevallen dat een eenzijdige rechtshandeling nietig is,3 terwijl strijdigheid met een contractuele verplichting geen nietigheidsgrond is. Dat neemt echter niet weg dat de desbetreffende aandeelhouder wel tekort komt in de nakoming van de stemovereenkomst.4 Naar aanleiding van de hierboven besproken arresten heeft Mohr opgemerkt dat ‘contractuele gebondenheid een verschijnsel is dat zich afspeelt buiten de vennootschappelijke deelrechtsorde’ en dat het vennootschaps- en contractenrecht ‘elkaar ongelijkvloers kruisen’.5
Een voorbeeld van dat overeenkomsten niet geheel los hoeven te staan van de deelrechtsorde is dat de aandeelhouders en de vennootschap een overeenkomst kunnen sluiten die zij (dan wel stilzwijgend dan wel expliciet) tevens bedoelen als een reglement in de zin van art. 2:15 lid 1 sub c BW. Ongeacht of een dergelijke overeenkomst kwalificeert als een reglement, geldt voorts dat de inhoud daarvan van invloed kan zijn op hetgeen de redelijkheid en billijkheid van art. 2:8 BW vordert van de rechtspersoon en de bij zijn organisatie betrokkenen.6 Dat lijkt ook onvermijdelijk, omdat de redelijkheid en billijkheid in beginsel trouw aan het gegeven woord vorderen.7 Evenwel zijn alle omstandigheden van het geval van belang bij het bepalen wat de redelijkheid en billijkheid in een concreet geval vordert.8 Het gegeven woord en de trouw die dit vereist, is slechts één van deze omstan-digheden en hoeft derhalve niet doorslaggevend te zijn.
De synthese van de twee bovengenoemde voorbeelden is dat een stem die in strijd met een stemovereenkomst is uitgebracht weliswaar geldig is, maar desondanks kan leiden (maar niet per se hoeft te leiden) tot een besluit dat in strijd is met een reglement en/of de redelijkheid en billijkheid. Een dergelijk besluit is vernietigbaar.9 Het kan echter ook de andere kant uitgaan. Zo overwoog het Hof Amsterdam dat een beroep op een aandeelhoudersovereenkomst die strijdig is met art. 2:244 BW al spoedig naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar moet worden geacht.10
Tevens kan de omstandigheid dat de organen van de vennootschap in strijd handelen met (aandeelhouders)overeenkomsten bijdragen aan het oordeel dat sprake is van wanbeleid.11 In de Cancun-beschikking overwoog de Hoge Raad dat in geval van een joint venture-vennootschap het belang van de vennootschap mede wordt bepaald door de aard en inhoud van de tussen de aandeelhouders overeengekomen samenwerking.12 Evenwel oordeelt de ondernemingskamer ook met enige regelmaat dat verzoekers die in essentie uit zijn op nakoming van overeenkomsten bij haar in de rechtspersoonrechtelijke enquéteprocedure aan het verkeerde adres zijn.13
Een verder voorbeeld hoe contractuele bepalingen kunnen doorwerken in de rechtspersoonrechtelijke verhoudingen is het BoVe-arrest.14 Dit arrest zag op art. 2:256 (oud) BW. Op grond daarvan was een bestuurder, behoudens een afwijkende statutaire regeling, niet bevoegd om de vennootschap te vertegenwoordigen in geval van “tegenstrijdig belang”. In dat geval kon de aandeelhoudersvergadering tevens een bijzondere vertegenwoordiger aanwijzen die de vennootschap ter zake van de desbetreffende rechtshandeling kon vertegenwoordigen. Voor het benoemen van een dergelijke vertegenwoordiger was een formeel aandeelhoudersbesluit vereist.15 Op deze regel aanvaardde de Hoge Raad echter een uitzondering voor het geval onmiskenbaar duidelijk is dat de aandeelhouders de mogelijkheid van het bestaan van een tegenstrijdig belang onder ogen hebben gezien en tevoren ondubbelzinnig hebben ingestemd met het optreden van de betrokken bestuurder als (bijzondere) vertegenwoordiger van de vennootschap. Die ondubbelzinnige instemming volgde in het BoVe-arrest uit het aangaan van een raamovereenkomst die noopte tot het verrichten van de desbetreffende “tegenstrijdig belang” rechtshandelingen.
Daartegenover staat weer dat omtrent de inhoud van rechtspersoonrechtelijke regels als statuten en reglementen andere regels gelden dan voor overeenkomsten. Zo is een besluit tot statutenwijziging nietig voor zover daarmee wordt beoogd om statuten tot stand te brengen die strijdig zijn met de dwingendrechtelijke bepalingen van Boek 2 BW.16 Een overeenkomst die strijdig is met de bepalingen van Boek 2 BW is echter niet noodzakelijkerwijs nietig. Een dergelijke overeenkomst kan nietig zijn wegens strijd met de openbare orde of goede zeden,17 maar dat is niet noodzakelijkerwijs het geval. Of sprake is van een nietige overeenkomst hangt onder meer af van (i) welke belangen door de geschonden regel worden beschermd, (ii) of door de inbreuk op de regel fundamentele beginselen worden geschonden, (iii) of partijen zich van de inbreuk op de regel bewust waren, en (iv) of de regel in een sanctie voorziet.18 Dit betekent dat statuten en overeenkomsten in voorkomende gevallen van elkaar afwijkende regelingen kunnen bevatten.19
Wat er ook zij van de verhouding tussen rechtspersoonrechtelijke regels en overeenkomsten, duidelijk is dat de leden van organen wat betreft hun handelen in het kader van de rechtspersoon niet alleen gebonden kunnen zijn aan regels van rechtspersoonrechtelijke aard, maar in voorkomende gevallen ook aan regels van contractuele aard. Al was het maar omdat Boek 2 BW niet zoveel omvattend is dat er geheel geen ruimte voor (aanvullende) contractuele regelingen is. Met het oog daarop meen ik dat ook contractuele regels deel kunnen uitmaken van de deelrechtsorde.
Het contractenrecht bestaat net als het rechtspersonenrecht eveneens uit een hiërarchie van hogere en lagere regels. Deze hiërarchieën staan echter los van elkaar. Het is dus niet mogelijk om voor de deelrechtsorde één gezamenlijke hiërarchie van regels te maken waarin bijvoorbeeld statuten en overeenkomsten naast elkaar staan, of statuten prevaleren boven overeenkomsten. Daarvoor staan beide typen regels te los van elkaar. Het is dus niet mogelijk om in het algemeen te stellen welke bepaling moet prevaleren, indien (bijvoorbeeld) een contractuele bepaling strijdig is met een bepaling uit Boek 2 BW, of met de statuten. De omstandigheden van het geval zijn steeds bepalend.