Startinformatie in het strafproces
Einde inhoudsopgave
Startinformatie in het strafproces 2014/13.4.1:13.4.1 Meer controle op het toepassen van dwangmiddelen
Startinformatie in het strafproces 2014/13.4.1
13.4.1 Meer controle op het toepassen van dwangmiddelen
Documentgegevens:
mr. dr. S. Brinkhoff, datum 29-09-2014
- Datum
29-09-2014
- Auteur
mr. dr. S. Brinkhoff
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Voorfase
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Dit boek heeft aangetoond dat er een gebrek aan controle kan zijn als op basis van startinformatie een strafvorderlijk dwangmiddel wordt toegepast. Dikwijls wordt te lichtvaardig overgegaan tot de inzet van een dergelijk middel en geeft vooral de zittingsrechter onvoldoende richting als het gaat om de vraag in welke gevallen startinformatie rechtvaardiging biedt voor het toepassen van een dwangmiddel. Meer specifiek gaat het dan vaak om de vraag of, en zo ja in hoeverre voorafgaand aan de inzet van een dwangmiddel aanvullende politiële onderzoeksgegevens de betrouwbaarheid van de startinformatie moeten hebben aangetoond. Voor een deel is het gebrek aan het door de zittingsrechter geven van richting op dit punt verklaarbaar, nu de afweging of startinformatie aanleiding kan geven tot de inzet van dwangmiddelen erg casuïstisch is en het hierdoor voor de zittingsrechter niet gemakkelijk is op dit punt algemene handvatten aan te reiken aan de praktijk. Ondanks dit feit is het de taak van die zittingsrechter om hiertoe een poging te doen, temeer als wordt bedacht dat het gevolg van het achterwege blijven van het geven van richting tot gevolg kan hebben dat dwangmiddelen (in toenemende mate) te lichtvaardig worden ingezet tegen (onschuldige) burgers. Het in het tweede lid van art. 8 EVRM besloten liggende subsidiariteitsbeginsel dwingt daarenboven ertoe dat, zeker als het gaat om anonieme startinformatie, de politiële onderzoeksmogelijkheden zoveel mogelijk worden uitgeput alvorens tot de inzet van een dwangmiddel wordt overgaan. Dat wil zeggen dat in de regel vooraleer een dwangmiddel rechtmatig kan worden toegepast onderzoek moet worden uitgevoerd die niet of nauwelijks inbreuk maken op de privacy en/of de vrijheid van een burger. Als voorbeeld kan worden gedacht aan het, naar aanleiding van een anonieme tip over een hennepkwekerij in een woning, in eerste instantie inspecteren van de buitenkant van de woning, het uitvoeren van warmtemeting en/of het bekijken van de piekbelasting van die woning alvorens tot een doorzoeking over te gaan.
De factoren die in ieder geval in verband met het voorgaande een rol spelen en die ook zo kunnen worden verwoord door de zittingsrechter, zijn de volgende:
het gegeven of er een interne betrouwbaarheidstoets bestaat binnen de informatieverstrekkende instantie;
het gegeven of er een (effectieve) externe betrouwbaarheidstoets bestaat binnen politie en OM door andere functionarissen dan de tactische recherche of de zaaksofficier (gedacht kan bijvoorbeeld worden aan controle door de landelijk officier van justitie terrorismebestrijding en de TCI-officier en de betrouwbaarheidstoets die binnen IPOL plaatsvindt);
het gegeven of op een geanonimiseerde dan wel niet-geanonimiseerde wijze informatie is verstrekt;
het (vermeende) strafbare gedrag waar de (geanonimiseerde) informatie op ziet;
de (gepercipieerde) urgentie van spoedig strafvorderlijk optreden;
de aard van de particuliere of institutionele verstrekker van de informatie;
de mogelijkheid tot het vergaren van aanvullende onderzoeksgegevens en
het soort dwangmiddel dat ingezet wordt.
Rekening houdend met deze factoren dienen de strafrechtelijke actoren – zoals de tactische recherche en de zaaksofficier, de r-c en de zittingsrechter – (in retrospectief opzicht) te beoordelen of, en zo ja in welke mate de noodzaak van een betrouwbaarheidstoets bestaat en wat de omvang hiervan moet zijn. Gedeeltelijk moet worden afgestapt van de in de jurisprudentie ontwikkelde lijn dat strafrechtelijke onderzoeken ongeclausuleerd kunnen starten op basis van (anonieme) startinformatie. Hoofdregel behoort te zijn dat, vooraleer tot de inzet van een strafvorderlijk dwangmiddel over kan worden gegaan, er voor de tactische recherche altijd ten minste een inspanningsverplichting bestaat om startinformatie bevestigd te krijgen met aanvullende onderzoeksgegevens die bovendien betrekking hebben op het strafbare gedrag waarop de startinformatie ziet. Van deze hoofdregel kan echter worden afgeweken. Bijvoorbeeld als er een interne betrouwbaarheidstoets bestaat en de aard van de informatie oproept tot spoedig strafvorderlijk optreden. Van de hoofdregel kan ook worden afgeweken als er geen mogelijkheden zijn om aanvullend betrouwbaarheidsonderzoek te verrichten. In dit verband kan worden gedacht aan de situatie dat een anonieme tipgever wijst op de aanwezigheid van een vuurwapen op een zolder. De inspanningsverplichting kan echter ook veranderen in een resultaatsverplichting. Deze situatie doet zich voor op het moment dat bij de politie anonieme startinformatie binnenkomt waarvan bekend is dat deze intern niet op betrouwbaarheid is getoetst en er bovendien geen noodzaak tot spoedig strafvorderlijk optreden bestaat. In dit verband kan worden gedacht aan het voorbeeld van een tip over een hennepkwekerij. De rechtmatigheid van de inzet van een dwangmiddel hangt in dat geval nauw samen met de vraag of bevestiging van de startinformatie is gevonden in de resultaten van aanvullend betrouwbaarheidsonderzoek dat vooraf is gegaan aan de inzet van een dwangmiddel. Komt anonieme startinformatie binnen bij de politie die niet intern op betrouwbaarheid is getoetst, dan moet bovendien altijd de r-c worden betrokken bij de inzet van dwangmiddelen die diep ingrijpen in het leven van een burger zoals de doorzoeking van een woning. Op deze wijze wordt een waarborg voor de burger gecreëerd die noodzakelijk is bij het toepassen van een dwangmiddel op basis van startinformatie waarbij het risico groot is dat deze onjuist is. Tot op heden is, kijkend onder meer naar art. 49 WWM, die betrokkenheid van de r-c de facto en de iure niet gewaarborgd.
Met gebruikmaking van bovenstaande variabelen en toetsingskader moeten de zaaksofficier en de r-c voorafgaand aan de inzet van het dwangmiddel beoordelen of op basis van de startinformatie en eventuele aanvullende onderzoeksgegevens rechtvaardiging bestaat voor het toepassen van dit middel, terwijl de zittingsrechter achteraf en naar aanleiding van een door de verdediging gevoerd verweer kan zijn gehouden de rechtmatigheid van dit overheidshandelen te beoordelen. Zoals eerder opgemerkt moet de zittingsrechter op dit punt richtinggevend zijn en dit kan hij ook zijn door in situaties waarin er naar zijn oordeel geen rechtvaardiging bestaat voor de inzet van een dwangmiddel tot strafprocessuele sanctionering over te gaan. Uitgangspunt voor al de genoemde strafvorderlijke actoren dient te zijn dat niet te lichtvaardig tot de inzet van dwangmiddelen wordt overgegaan. De zittingsrechter moet, hoewel enigszins in weerwil van de geldende jurisprudentie, als krachtig signaal de sanctie van bewijsuitsluiting (via de verboden vruchtenleer) dan ook niet schuwen als door de onrechtmatige inzet van strafvorderlijke dwangmiddelen wezenlijke rechten van de burger zijn geschonden zoals het huisrecht, zijn lichamelijke integriteit of zijn vrijheid. De Hoge Raad heeft een leidende taak in het geven van richting aan de praktijk van die dwangmiddelen. Die richting lijkt nu te ontbreken.