Startinformatie in het strafproces
Einde inhoudsopgave
Startinformatie in het strafproces 2014/13.4.5:13.4.5 Wetgeving voor de RID in de uitvoering van de openbare orde taak
Startinformatie in het strafproces 2014/13.4.5
13.4.5 Wetgeving voor de RID in de uitvoering van de openbare orde taak
Documentgegevens:
mr. dr. S. Brinkhoff, datum 29-09-2014
- Datum
29-09-2014
- Auteur
mr. dr. S. Brinkhoff
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Voorfase
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Ten slotte is in de loop van dit onderzoek geconstateerd dat het werk van een specifieke verstrekker van startinformatie, de RID in het kader van de openbare orde taak, onvoldoende wordt genormeerd. Vastgesteld is dat deze inlichtingendienst op stelselmatige en daarmee privacyschendende wijze informatie inwint door de inzet van de stelselmatige informant en de stelselmatige observatie en dat de wettelijke legitimatie hiervoor wordt ontleend aan het algemeen taakstellende art. 3 Politiewet. Ten onrechte, omdat uit het tweede lid van art. 8 EVRM voortvloeit dat privacyschendend handelen van de overheid moet berusten op expliciet geformuleerde wettelijke bepalingen. Los van de genoemde bepaling uit het EVRM, moet ook om een andere reden de door de RID gehanteerde bijzondere onderzoeksmethoden een basis in een wet in formele zin krijgen. Het is van groot belang dat de wetgever zich uitlaat over het soort methoden dat de RID in mag zetten, de voorwaarden waaronder die methoden mogen worden toegepast en de personen tegen wie de onderzoeksmethoden worden ingezet. In dit verband dient de wetgever oog te hebben voor integriteitsvraagstukken die het werk van de RID met zich kan brengen en die niet van doen hebben met aspecten van privacy. Zoals al opgemerkt is de RID van oudsher immers een dienst die (ook) politiek getint inlichtingenwerk uitvoert. Op dat moment voert een overheidsorgaan onderzoek uit dat op gespannen voet kan staan met het recht op (politieke) vereniging, vrijheid van godsdienst en vrijheid van meningsuiting. Deze dimensie van het werk van de RID onderstreept de noodzaak van een wettelijke regeling. Systematisch verdient het aanbeveling de voorgestelde wettelijke regeling te incorporeren in de Wiv. De noodzaak van een wettelijke regeling wordt ten slotte onderstreept door de geconstateerde afwezigheid van externe controle door de officier van justitie.
Deze wetgeving kan onbedoeld tot gevolg hebben dat de RID op grotere schaal gericht informanten inzet om stelselmatig informatie in te winnen over individuen. Het voorgaande kan worden getypeerd als de aanzuigende werking van dergelijke wetgeving. Het is echter de vraag of dat ook daadwerkelijk zo zal zijn wanneer in de wettelijke regeling wordt opgenomen dat de noodzaak van de inzet van een bijzondere onderzoeksmethode moet worden getoetst, een voorafgaande proportionaliteits en een subsidiariteitstoets dus. Nadeel van deze oplossing is ten slotte dat het niet eenvoudig is in wetgeving te vangen in welke gevallen de RID de (privacyschendende) bijzondere onderzoeksmethoden in mag zetten, tegen wie ze mogen worden ingezet en wie beslist. Deze nadelen wegen evenwel niet op tegen het grote voordeel van wettelijke normering van het werk van de RID in het kader van de openbare orde taak: het waarborgen van het integere én rechtmatige handelen van dit politieonderdeel.