Rechtsbescherming tegen bestuurshandelen in Nederland, Noorwegen en Zweden
Einde inhoudsopgave
Rechtsbescherming tegen bestuurshandelen (SteR nr. 2) 2011/V.26.2.1:26.2.1 Nederland
Rechtsbescherming tegen bestuurshandelen (SteR nr. 2) 2011/V.26.2.1
26.2.1 Nederland
Documentgegevens:
L.A. Kjellevold Hoegee, datum 01-07-2011
- Datum
01-07-2011
- Auteur
L.A. Kjellevold Hoegee
- JCDI
JCDI:ADS578401:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Bestuursprocesrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 1988-89, 21 221, nr. 3 (MvT), p. 11.
Kamerstukken II 1988-89, 21 221, nr. 3 (MvT), p. 119.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het Nederlandse bestuursprocesrecht gaat van oorsprong uit van een objectief model: een vernietigingsberoep tegen besluiten. Traditioneel ligt de nadruk op de vraag of een besluit als zodanig rechtmatig is en niet op de vraag of door een besluit subjectieve rechten zijn geschonden. Dit kan historisch verklaard worden. De bestuursrechter heeft van oudsher als primaire taak te controleren of het bestuur bij het eenzijdig vaststellen van de rechtspositie van de burger binnen de grenzen van zijn bevoegdheid is gebleven.
De eerste tranche van de Awb had vooral een codificerend en harmoniserend karakter. De wetgever beoogde geen belangrijke veranderingen in de geldende rechtsregels aan te brengen.1 Het was daarom voor de wetgever logisch om de bevoegdheid van de bestuursrechter te koppelen aan het besluitbegrip, dat reeds in wetten betreffende de administratieve rechtspraak een vaste plaats had gekregen:
‘In verreweg de meeste gevallen staat de mogelijkheid van bezwaar of beroep slechts open tegen ‚besluiten‛ van bestuursorganen. Daarom zijn de definitiebepalingen van bezwaar en beroep in artikel 1.5 daarop ook toegesneden, en spreekt ook artikel 6.1.1 over bezwaar en beroep tegen ‚besluiten‛.’2