V-N 2020/22.11
Rechtbank merkte beroep tegen ambtshalve beslissing over IB-aanslag ten onrechte aan als bezwaar
HR 01-05-2020, ECLI:NL:HR:2020:819, m.nt. Redactie Vakstudie Nieuws
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
1 mei 2020
- Magistraten
Fierstra, Wortel, Beukers-van Dooren
- Zaaknummer
19/02478
- Noot
Redactie Vakstudie Nieuws
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:ADS199168:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Bezwaarfase
Inkomstenbelasting / Algemeen
- Brondocumenten
Beroepschrift, Hoge Raad, 20‑05‑2020
ECLI:NL:HR:2020:819, Uitspraak, Hoge Raad, 01‑05‑2020
- Wetingang
art. 9.6 Wet IB 2001
Essentie
De Hoge Raad oordeelt dat de beslissing van de inspecteur om het verzamelinkomen nader vast te stellen op het door X gevraagde bedrag, niet kan worden aangemerkt als een gehele of gedeeltelijke afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering in de zin van art. 9.6 Wet IB 2001. Dat wordt niet anders nu de aanpassing van het verzamelinkomen niet heeft geleid tot een lagere aanslag. Tegen deze tegemoetkomende beslissing staat geen bezwaar open.
Samenvatting
Aan X is een aanslag IB/PVV 2013 opgelegd naar een verzamelinkomen van € 22.674. De aanslag heeft als dagtekening 22 juli 2015 en ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.