HR, 01-05-2020, nr. 19/02478
19/02478
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
01-05-2020
- Zaaknummer
19/02478
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
Beroepschrift, Hoge Raad, 20‑05‑2020
ECLI:NL:HR:2020:819, Uitspraak, Hoge Raad, 01‑05‑2020; (Cassatie)
- Vindplaatsen
NLF 2020/1129 met annotatie van Yola Geradts
BNB 2020/107 met annotatie van R.F.C. SPEK
FED 2020/95 met annotatie van M.H.W.N. Lammers
NTFR 2020/1386 met annotatie van mr. drs. F de Jong
FutD 2020-1353
Beroepschrift 20‑05‑2020
Den Haag, 20 MEI 2019
Kenmerk: 2019-0000081040
Beroepschrift in cassatie tegen de uitspraak van de
Rechtbank Zeeland-West-Brabant (de Rechtbank) van 5 april 2019,
nr. BRE 17/07348, inzake [X] te [Z] betreffende de opdracht
aan de Inspecteur om het beroepschrift in behandeling te nemen als
bezwaarschrift voor zover het ziet op de ambtshalve beslissing.
Van deze uitspraak is op 9 april 2019 een afschrift aan de Belastingdienst, kantoor P/Centraal Serviceteam Beroep toegezonden.
AAN DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Middel
Als middel van cassatie draag ik voor:
Schending van het recht, in het bijzonder van artikel 9.6, lid 3, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (IB), en verzuim van vormen in de zin van artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht, doordat de Rechtbank heeft geoordeeld dat het verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag in ieder geval gedeeltelijk is afgewezen, zodat de Inspecteur wordt opgedragen het beroepschrift in behandeling te nemen als bezwaarschrift voor zover het ziet op de ambtshalve beslissing, zulks echter zoals hierna wordt uiteengezet ten onrechte, dan wel op gronden die de beslissing niet kunnen dragen.
Toelichting
De Rechtbank heeft op de uitspraak buiten zitting als volgt geoordeeld:
‘beroep betreffende de ambtshalve beslissing
2.5.
Het biljet met de uitspraak op bezwaar bevat naast de niet- ontvankelijkverklaring ook een ambtshalve beslissing als bedoeld in artikel 9.6 van de Wet inkomstenbelasting 2001. Het biljet bevat wel een rechtsmiddelverwijzing met betrekking tot de uitspraak op bezwaar, maar vermeldt niet dat belanghebbende bezwaar kan maken tegen de ambtshalve beslissing.
2.6.
De rechtbank leest het beroepschrift zo dat belanghebbende vindt dat de aanslag lager moet zijn. Dat is (ook) op te vatten als een bezwaar tegen de ambtshalve beslissing. De rechtbank moet daarom het beroepschrift voor zover het ziet op de ambtshalve beslissing doorzenden aan de inspecteur zodat deze het als bezwaarschrift in behandeling kan nemen, De mededeling hiervan aan belanghebbende is hierbij gegeven. Nu het beroepschrift reeds in bezit is van de inspecteur zal de rechtbank het beroepschrift niet opnieuw aan de inspecteur sturen. [2.7 ontbreekt in de uitspraak]
Conclusie
2.8.
[…] De inspecteur moet het beroepschrift in behandeling nemen als bezwaarschrift voor zover het ziet op de ambtshalve beslissing.’
In de uitspraak op het verzet van de Inspecteur oordeelt de Rechtbank:
‘3.3.
In de als bezwaar aangemerkte nieuwe aangifte heeft belanghebbende een iets lager verzamelinkomen opgegeven/berekend dan het verzamelinkomen dat in de eerdere aanslag was betrokken. In de uitspraak op bezwaar van 27 juni 2017 heeft de inspecteur overwogen: ‘De inspecteur heeft besloten aan uw bezwaar tegemoet te komen ’. Hij heeft het door belanghebbende opgegeven verzamelinkomen in aanmerking genomen. Dat leidde — omdat het verzamelinkomen bijna gelijk was aan het eerder in aanmerking genomen verzamelinkomen én omdat het de inspecteur niet duidelijk was welke andere wijzigingen in de berekening van de aanslag werden gewaagd — niet tot een vermindering van de aanslag.
De rechtbank acht het juist dat de inspecteur de als bezwaar aangemerkte nieuwe aangifte tevens heeft aangemerkt als verzoek om vermindering van de aanslag.
Nu bij de beslissing van de inspecteur de aanslag niet is verminderd, kan niet worden geoordeeld dat de inspecteur geheel aan het verzoek is tegemoet gekomen. Dat betekent dat het ervoor moet worden gehouden dat het verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag in ieder geval gedeeltelijk is afgewezen, zodat de nevenbeslissing van de rechtbank in de uitspraak van 15 maart 2018 waarin de inspecteur wordt opgedragen het beroepschrift in behandeling te nemen als bezwaarschrift voor zover het ziet op de ambtshalve beslissing daarin terecht is opgenomen.’
Ik acht het in verzet gegeven oordeel van de Rechtbank, dat het ervoor moet worden gehouden dat het verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag in ieder geval gedeeltelijk is afgewezen, omdat de aanslag niet is verminderd, onjuist, zoals ik hierna zal toelichten.
De Inspecteur is volledig tegemoetgekomen aan belanghebbendes verzoek (ware het niet dat het verzoek niet leidde tot een belastingteruggaaf)- Voor belanghebbende stond daarom de rechtsingang van bezwaar tegen de ambtshalve beslissing niet open. Belanghebbende kon rechtens uitsluitend nog een nieuw verzoek om ambtshalve vermindering indienen.
Ook de opvatting van de Rechtbank in de uitspraak buiten zitting, dat belanghebbende vindt dat de aanslag lager moet zijn en dat dit daarom is op te vatten als een bezwaar tegen de ambtshalve beslissing, acht ik onjuist. Belanghebbende verzoekt namelijk in zijn beroepschrift om iets anders dan hij aanvankelijk (in zijn tweede aangifte) deed, en zijn verzoek kan daarom niet als een bezwaar dat is gericht tegen de genomen beslissing worden beschouwd. De genomen beslissing was namelijk een andere en die luidde conform hetgeen belanghebbende verzocht. Belanghebbende wenste in wezen een ander (nieuw) verzoek om een ambtshalve vermindering te doen.
Mijns inziens had de Rechtbank niet moeten oordelen dat de Inspecteur nog uitspraak op bezwaar dient te doen ten aanzien van hetgeen belanghebbende betoogt inzake de belastingteruggaaf, aangezien daarvoor immers de benodigde voor bezwaar vatbare beschikking ontbreekt. De Rechtbank had in plaats daarvan belanghebbendes betoog moeten aanmerken als (nieuw ingekomen) verzoek om een ambtshalve vermindering en in zoverre dat verzoek op de voet van artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht moeten doorsturen aan de Inspecteur ter verdere behandeling. Steun voor deze opvatting vind ik in de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 27 maart 2019, nr. 18/00271, ECLI:NL:GHARL:2019:2605:
‘4.1
Hoewel de aanhef van het gereleveerde bezwaarschrift als onderwerp ‘Bezwaar op uw mededeling van 13 juli 2016’ vermeldt, kan, naar het oordeel van het Hof, het bezwaarschrift van belanghebbende van 28 juli 2016 naar tekst en strekking inhoudelijk redelijkerwijs niet worden opgevat als uitsluitend te zijn gericht tegen de door de Ontvanger genomen rentebeschikking van 13 juli 2016. Het bezwaar richt zich duidelijk ook tegen de hoogte van de aanslag in de IB/PW voor 2013. Te dien aanzien ontbreekt echter een voor bezwaar vatbare beschikking. De brief van belanghebbende kan, naar het oordeel van Hof, dan ook redelijkerwijs in zoverre niet anders worden opgevat dan als een verzoek aan de Inspecteur om ambtshalve vermindering van de opgelegde aanslag voor het jaar 2013. De Inspecteur heeft niet beslist op dit verzoek. De belastingrechter is niet bevoegd te oordelen over een dergelijk verzoek.’
Het onderscheid is van belang, omdat het oordeel van de Rechtbank zou betekenen dat ook bij een geheel tegemoetkomen aan een verzoek van een belastingplichtige toch het rechtsmiddel van bezwaar open staat indien de belastingplichtige, op enig moment nadat hij een verzoek tot ambtshalve vermindering heeft gedaan, nog een ander punt aandraagt ten aanzien van de aanslag. Hierdoor zou in wezen tegen elke ambtshalve beslissing het rechtsmiddel van bezwaar (en eventueel beroep) open staan. Dit heeft de wetgever niet gewild. Bezwaar is ingevolge artikel 9.6, lid 3, IB, alleen mogelijk indien een verzoek (gedeeltelijk of geheel) is afgewezen.
Dit is tevens in het belang van de belastingplichtige zelf. Bij het indienen van een nieuw verzoek tot ambtshalve vermindering van een aanslag, heeft hij er recht op dat de Inspecteur eerst de beslissing op dat verzoek neemt en hij daarna nog om heroverweging kan verzoeken via de bezwaarmogelijkheid. Dit voorkomt mogelijk een gang naar de rechter, met alle spanningen en kosten van dien.
Het belang van de voorliggende zaak voor de uitvoeringspraktijk van de Belastingdienst is eveneens groot. Als het oordeel van de Rechtbank juist zou blijken te zijn, dan moeten de werkwijze en systemen van de Belastingdienst daarop worden aangepast. De impact daarvan zal naar verwachting aanzienlijk zijn.
Overigens hecht ik eraan te benadrukken dat artikel 9.6, lid 3, IB, voor het bieden van een rechtsingang niet aanknoopt bij het al dan niet verminderd zijn van de aanslag waarop het verzoek ziet. Het artikel knoopt aan bij het al dan niet geheel tegemoetkomen aan het gedane verzoek.
De Rechtbank oordeelt dan ook ten onrechte dat de aanslag niet is verminderd en dat daarom het ervoor moet worden gehouden dat niet (geheel) aan belanghebbendes verzoek tegemoet is gekomen. Beoordeeld had moeten worden wat belanghebbendes verzoek inhield en of de Inspecteur aan de inhoud van dat verzoek geheel tegemoetgekomen is.
Het antwoord daarop zou bevestigend moeten luiden, zodat geen bezwaar open staat tegen de onderhavige beslissing op het verzoek tot ambtshalve vermindering.
Daarbij merk ik nog op dat belanghebbende met de door hem via een nieuwe aangifte doorgegeven twee euro hogere eigenwoningrentelast weliswaar niet de uit de aanslag voortvloeiende belastingschuld kon doen verminderen, maar dat dit gegeven wel heeft geleid tot een € 2 lager verzamelinkomen.
Het verzamelinkomen is in casu op de aanslag vermeld en wordt daardoor op grond van artikel 9.6, lid 4, IB, geacht onderdeel uit te maken van de belastingaanslag. Aldus beschouwd is de aanslag wel degelijk verminderd. In dat opzicht is de uitspraak van de Rechtbank ook in strijd met het recht, of — indien zij van de juiste rechtsopvatting is uitgegaan — gebrekkig gemotiveerd en onbegrijpelijk.
Overzicht inkomstenbelasting 2013
Voor een beter begrip van deze zaak geef ik hieronder een overzicht van de gebeurtenissen ten aanzien van de inkomstenbelasting 2013.
Aan belanghebbende is een eerste voorlopige aanslag 2013 opgelegd op 31 januari 2013.
Op 19 maart 2014 heeft belanghebbende zijn aangifte voor het jaar 2013 ingediend. Deze aangifte vermeldt inkomsten uit eigen woning van € 930 en een aftrekpost eigen woning van € 10.057 (derhalve per saldo een aftrekpost van € 9.127). De gegevens leiden tot een verzamelinkomen van € 22.674. Naar aanleiding daarvan is op 24 juni 2014 conform de aangifte een tweede voorlopige aanslag opgelegd (op de aanslag is het verzamelinkomen vermeld). Op deze voorlopige aanslag was een bedrag van € 5.756 terug te ontvangen! Belanghebbende heeft dit bedrag op 16 juni 2014 ontvangen van de Belastingdienst.
De aanslag voor het jaar 2013 was gelijkluidend aan de tweede voorlopige aanslag en is opgelegd op 22 juli 2015.
Op 18 april 2017 dient belanghebbende wederom een aangifte voor het jaar 2013 in. Deze aangifte vermeldt inkomsten uit eigen woning van € 930 en een aftrekpost eigen woning van € 10.059 (derhalve per saldo een aftrekpost van € 9.129). De gegevens leiden tot een verzamelinkomen van € 22.672. Zij leiden niet tot een belastingteruggaaf.
De Inspecteur merkt de tweede aangifte aan als een te laat bezwaar en voorts als een verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag, waaraan hij tegemoet komt door middel van een verlaging van het vastgestelde verzamelinkomen (uitspraak op bezwaar en beslissing op het verzoek om ambtshalve vermindering van 27 juni 2017).
Belanghebbende gaat in beroep. Uit zijn beroepschrift van 15 november 2017 leid ik af dat belanghebbende in de veronderstelling verkeert dat hij nog een bedrag van € 6.000 van de Belastingdienst zou terugkrijgen. Ik kan alleen maar aannemen dat het belanghebbende in de stressvolle en ingewikkelde financiële situatie waarin hij in die jaren verkeerde wellicht ontgaan is dat hij het bedrag van € 5.756 via de tweede voorlopige aanslag reeds in juni 2014 heeft ontvangen. De gegevens die belanghebbende in 2017 heeft aangeleverd, komen vrijwel (op de € 2 verschil na) overeen met de eerder door hem ingediende aangifte, en leiden niet tot een belastingteruggaaf. Ik vermoed dus dat sprake is van een misverstand. Zo dit niet het geval is, dan is het aan belanghebbende om te onderbouwen waarom hij denkt dat hij nog een bedrag van € 6.000 dient terug te ontvangen. Dit volgt in elk geval niet uit de door hem ingediende tweede aangifte voor het jaar 2013.
Conclusie
Op grond van het vorenstaande ben ik van oordeel dat de uitspraak van de Rechtbank niet in stand zal kunnen blijven.
DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN, namens deze
Uitspraak 01‑05‑2020
Inhoudsindicatie
art. 9.6 Wet IB 2001. Herziene aangifte IB. Verzoek om ambtshalve vermindering aanslag? Voor bezwaar vatbare beschikking?
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 19/02478
Datum 1 mei 2020
ARREST
in de zaak van
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
tegen
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 5 april 2019, nr. BRE 17/7348, op het verzet van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank van 15 maart 2018 betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2013 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. De uitspraak op verzet is aan dit arrest gehecht.
1. Geding in cassatie
De Staatssecretaris heeft tegen de uitspraak op verzet beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2. Beoordeling van het middel
2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1
Aan belanghebbende is met dagtekening 22 juli 2015 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) voor het jaar 2013 opgelegd. De aanslag is opgelegd in overeenstemming met de door belanghebbende ingediende aangifte, naar een verzamelinkomen van € 22.674. Belanghebbende heeft op 18 april 2017 een herziene aangifte IB/PVV voor het jaar 2013 ingediend (hierna: de herziene aangifte) naar een verzamelinkomen van € 22.672. De Inspecteur heeft de herziene aangifte aangemerkt als verzoek om ambtshalve vermindering en het verzamelinkomen bij beschikking van 27 juni 2017 nader vastgesteld op € 22.672. Dat heeft niet geleid tot een vermindering van de aanslag.
2.2
Belanghebbende heeft tegen de in 2.1.1 vermelde beschikking van 27 juni 2017 beroep ingesteld. De Rechtbank heeft de Inspecteur opgedragen het beroepschrift in behandeling te nemen als bezwaarschrift voor zover het ziet op de ambtshalve beslissing. Het tegen deze uitspraak gedane verzet heeft de Rechtbank verworpen. De Rechtbank heeft daarbij overwogen dat niet kan worden geoordeeld dat de Inspecteur geheel aan het verzoek om ambtshalve vermindering is tegemoetgekomen omdat de aanslag niet is verminderd.
2.3
Het middel betoogt dat de Inspecteur het voor het jaar 2013 vastgestelde verzamelinkomen van belanghebbende heeft verminderd met € 2 conform de herziene aangifte. Omdat daardoor volledig aan het verzoek tot ambtshalve vermindering is tegemoetgekomen, is het besluit tot ambtshalve vermindering niet een voor bezwaar vatbare beschikking. De Rechtbank had het beroepschrift als een nieuw verzoek om ambtshalve vermindering aan de Inspecteur moeten doorsturen, aldus het middel.
2.4.1
Aan haar oordeel dat de Inspecteur alsnog moet beslissen op het bezwaar van belanghebbende tegen het besluit tot ambtshalve vermindering, heeft de Rechtbank ten grondslag gelegd dat sprake was van een verzoek als bedoeld in artikel 9.6 Wet IB 2001 en dat de Inspecteur niet geheel aan dat verzoek was tegemoetgekomen. Dat oordeel is onjuist. De beschikking van 27 juni 2017 houdt in dat het verzamelinkomen wordt vastgesteld op het in de herziene aangifte genoemde, lagere bedrag maar dat dit niet leidt tot een lagere aanslag IB/PVV dan de aanslag die op 22 juli 2015 is opgelegd. Die beschikking kan niet worden aangemerkt als geheel of gedeeltelijk afwijzen van een verzoek om ambtshalve vermindering in de zin van artikel 9.6 Wet IB 2001, en is niet een voor bezwaar vatbare beschikking.
2.4.2
Anders dan de Rechtbank heeft geoordeeld, kan het beroepschrift daarom niet worden aangemerkt als een bezwaar tegen die beschikking dat de Inspecteur in behandeling moet nemen. Het middel is terecht voorgesteld. De uitspraak op verzet en de uitspraak van de Rechtbank van 15 maart 2018 kunnen niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. De uitspraak op verzet moet worden vernietigd. De uitspraak van 15 maart 2018 moet worden vernietigd doch uitsluitend voor zover aan de Inspecteur wordt opgedragen het beroepschrift in behandeling te nemen als bezwaarschrift.
3. Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak op verzet, en
- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank van 15 maart 2018, doch uitsluitend voor zover daarbij aan de Inspecteur wordt opgedragen het beroepschrift als bezwaarschrift in behandeling te nemen.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.A. Fierstra als voorzitter, en de raadsheren J. Wortel en A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 1 mei 2020.