De invloed van werknemers op de strategie van de vennootschap
Einde inhoudsopgave
De invloed van werknemers op de strategie van de vennootschap (IVOR nr. 95) 2014/4.3.4.3:3.4.3 De structuurregeling
De invloed van werknemers op de strategie van de vennootschap (IVOR nr. 95) 2014/4.3.4.3
3.4.3 De structuurregeling
Documentgegevens:
mr. M. Holtzer, datum 03-04-2014
- Datum
03-04-2014
- Auteur
mr. M. Holtzer
- JCDI
JCDI:ADS388888:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Ondernemingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
OK 16 februari 1989, NJ 1990, 693 m.nt. Maeijer.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Bij de behandeling van de informatievoorziening en het overleg binnen Nederlandse internationale concerns besprak ik de wijze waarop wordt gepoogd door introductie van een holdingstructuur aan de Nederlandse medezeggenschapswetgeving een passende reikwijdte te geven. Kan de ondernemingsraad zich succesvol verweren tegen een concernbesluit om de Nederlandconstructie toe te passen en een holdingstructuur te introduceren? Deze vraag werd ontkennend beantwoord in de zaak Douwe Egberts.1
Tot het Douwe Egberts-concern behoorde een groot aantal ondernemingen in Nederland en daarbuiten, waarbij 11.000 werknemers in dienst waren, van wie 6000 buiten Nederland; 61% van de omzet werd in het buitenland behaald. De ondernemer had de ondernemingsraad om advies gevraagd over een voorgenomen besluit tot invoering van een holdingstructuur. Als reden hiervoor werd genoemd dat het bestuur aandacht moest besteden aan verbetering van de marktposities, winstgevendheid en rendementen van met name de niet in Nederland gevestigde bedrijfsonderdelen. De aandacht van het bestuur van de topholding zou zich daarbij primair richten op de te voeren internationale strategie en strategische planning; de operationeel gerichte verantwoordelijkheden werden bij de divisies en landen- en werkmaatschappijen gelegd.
Douwe Egberts legde in een protocol vast dat de topholding een structuurvennootschap zou blijven en dat voor de Nederlandse holding het gemitigeerde structuurregime gold. Een belangrijke meerderheid van de raden van commissarissen zou bestaan uit commissarissen met de Nederlandse nationaliteit, met dien verstande dat gaandeweg gestreefd werd naar een meer internationale samenstelling. Voorts was zij bereid met de ondernemingsraad een convenant overeen te komen, waarin onder meer werd bevestigd dat de ondernemingsraad van de Nederlandse holding door het bestuur van de topholding in de gelegenheid gesteld zou worden advies uit te brengen over elk door de topholding voorgenomen besluit tot (1) overdracht van de zeggenschap over de topholding, (2) het aanbrengen van een belangrijke wijziging in of het verbreken van een belangrijke deelneming in de topholding, (3) het aanbrengen van een belangrijke wijziging in de bestaande samenwerkingsovereenkomst met de topholding of (4) wijziging van haar vestigingsplaats. De ondernemingsraad verzette zich tegen de verschuiving van de strategische verantwoordelijkheid naar de topholding, waarop hij niet langer medezeggenschap kon uitoefenen, en stelde beroep in tegen het besluit.
De Ondernemingskamer achtte het streven naar een structuur waarbij het hoogste bestuursorgaan primair is belast met strategische en internationale – en niet met specifiek Nederlandse – aangelegenheden begrijpelijk. Daarbij, zo oordeelde zij, heeft de ondernemer in beginsel de vrijheid om, ter bereiking van die nagestreefde aandachtsverschuiving van zijn bestuur, de door hem gewenste vorm te kiezen. Deze vrijheid vindt haar grens slechts daar waar de ondernemer bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen. Dat laatste was bij dit besluit niet het geval. De Ondernemingskamer vond het belang van de ondernemingsraad, zeker nu in het aangeboden convenant de voor de raad aan het besluit verbonden nadelen aanzienlijk werden verminderd, niet zodanig geschaad dat hierdoor het besluit kennelijk onredelijk werd. De klacht van de ondernemingsraad dat de ondernemer verplicht was om bij de concernholding een ondernemingsraad in te stellen of die holding als overlegpartner van de raad aan te wijzen werd gepasseerd. De Ondernemingskamer vond dat niet op voorhand duidelijk was dat de topholding in ieder geval tot het instellen van een ondernemingsraad zou dienen over te gaan.
De ondernemingsraad lijkt dus weinig middelen te hebben om de introductie van een holdingstructuur tegen te gaan, zeker wanneer een convenant wordt aangeboden waarin hem bovenwettelijke bevoegdheden worden toegekend. Volgens annotator Maeijer betekent dit niet dat het convenant doorslaggevend werd geacht, en hij meent dat niet gezegd kan worden dat bij een dergelijke herstructurering een convenant wel een ‘must’ is.
Uit de overwegingen van de Ondernemingskamer in deze zaak volgt overigens wel een andere mogelijkheid waarop werknemers van een Nederlands internationaal concern medezeggenschapsrechtelijke aanspraken op het niveau van de topholding kunnen maken. Dat kan zich voordoen wanneer het aantal werknemers in dienst van de topholding het getalscriterium van artikel 2 lid 1 WOR overschrijdt. Wanneer er meer dan vijftig personen krachtens een arbeidsovereenkomst bij de topholding werkzaam zijn, kan de plicht ontstaan om daar een ondernemingsraad in te stellen. De vraag kan worden gesteld of hierop bij alle Nederlandse internationale concerns voldoende zicht is. Tevens zou de centrale ondernemingsraad van de Nederlandse holding een vordering tot naleving van de wet kunnen instellen, gebaseerd op de stelling dat ook de werknemers van de topholding voor een goede toepassing van de wet onder zijn medezeggenschap dienen te vallen. Ik wil die laatste vordering niet onmiddellijk een grote kans van slagen geven: dit zal mede afhangen van de overige omstandigheden van het geval en het antwoord op de vraag welke bevoegdheden de ondernemingsraad – bij convenant – zijn aangeboden of toegekend.