Heffingsmethoden, een valse dichotomie?
Einde inhoudsopgave
Heffingsmethoden, een valse dichotomie? (FM nr. 156) 2019/3.7:3.7 Conclusie
Heffingsmethoden, een valse dichotomie? (FM nr. 156) 2019/3.7
3.7 Conclusie
Documentgegevens:
Dr. H.M. Roose, datum 01-04-2019
- Datum
01-04-2019
- Auteur
Dr. H.M. Roose
- JCDI
JCDI:ADS446020:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Inkomstenbelasting / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor een zelfde soort vergelijking het interview met Paul Pestman in het kader van het Ontwerpbesluit kwaliteit leefomgeving; http://www.omgevingsweb.nl/nieuws/ontwerpbesluit-kwaliteit-leefomgeving-regelgeving-met-mengpaneel.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In dit hoofdstuk heb ik de heffingsmethoden onderling vergeleken op vier kernelementen die daarbinnen zijn te onderscheiden (deelvraag 2). Dit zijn het doen van aangifte, het toezicht, termijnen voor het betalen van de verschuldigde belasting en de bestuurlijke boeten. Uit het onderzoek komt naar voren dat het moment waarop het toezicht plaatsvindt het meest kenmerkende verschil vormt tussen de beide heffingsmethoden (deelvraag 3). De onderlinge verschillen ten aanzien van de drie overige kernelementen zijn gering. De uitkomsten laten zich goed illustreren met behulp van een figuur die is geïnspireerd op een mengpaneel van een geluidsinstallatie. Op een mengpaneel kunnen met behulp van knoppen de verschillende frequentiegebieden (banden) van een geluidssignaal afzonderlijk van elkaar worden versterkt of verzwakt.1 De kernelementen zijn daarbij de verschillende knoppen.
Figuur 2 Onderlinge vergelijking van de heffingsmethoden
Het mengpaneel maakt in de eerste plaats inzichtelijk dat de stand van de verschillende knoppen in behoorlijke mate overeenkomt. Ik concludeer daaruit dat van een dichotomie tussen beide heffingsmethoden geen sprake is. In dat geval hadden de knoppen namelijk op tegenovergestelde posities ten opzichte van elkaar gestaan. Daarnaast laat het mengpaneel zien dat de wetgever in principe per kernelement kan bepalen op welke hoogte de knop komt te staan. Hierdoor is sprake van een enorme hoeveelheid variaties in hoe de heffingsmethoden uiteindelijk kunnen worden vormgegeven. Dit versterkt het beeld van een continuüm van heffingsmethoden (zie paragraaf 2.5). Het moment waarop het toezicht plaatsvindt, vormt daarbij het kantelpunt. Zolang dat overwegend vooraf plaatsvindt, wordt in de regel gesproken over een aangiftebelasting. Zodra dat opschuift naar voornamelijk achteraf dan is sprake van een aangiftebelasting. In dat verband wijs ik erop dat de navorderingsmogelijkheden voor de Belastingdienst in de loop van de jaren zijn toegenomen, terwijl zich sinds 1959 op het vlak van de naheffingsmogelijkheden nauwelijks veranderingen hebben voorgedaan. De onderlinge verschillen tussen de heffingsmethoden zijn daardoor kleiner geworden. De aanslagbelastingen groeien als het ware naar de aangiftebelastingen toe.
Aan het begin van dit hoofdstuk stelde ik vast dat er voor aangifte- en aanslagbelastingen op dit moment geen eenduidige definities bestaan. Om die leemte op te vullen, heb ik op basis van hetgeen ik heb onderzocht hieronder twee omschrijvingen opgesteld voor de huidige Nederlandse heffingsmethoden voor de rijksbelastingen. In beide omschrijvingen, komen de vier kernelementen tot uitdrukking:
Bij een aanslagbelasting formaliseert de Belastingdienst, in beginsel met behulp van een door de belastingplichtige ingediende aangifte, de belastingschuld van diezelfde belastingplichtige. Toezicht vindt uiterlijk op dat moment plaats. De hoogte van de belastingschuld deelt de Belastingdienst via een formele beschikking (een aanslag) mee aan de belastingplichtige. De belastingschuld kan vanaf dat moment worden ingevorderd. Toezicht achteraf is mogelijk, maar de Belastingdienst kan de reeds geformaliseerde belastingschuld nog slechts onder bepaalde voorwaarden corrigeren. In voorkomende gevallen kan de Belastingdienst een verzuim- of vergrijpboete opleggen.
Bij een aangiftebelasting formaliseert de belastingplichtige zelf zijn belastingschuld. Hij betaalt deze en informeert de Belastingdienst gelijktijdig door middel van het indienen van een aangifte. Een mededeling van de zijde van de Belastingdienst, in welke vorm dan ook, blijft achterwege. Toezicht vindt achteraf plaats. Indien nodig kan de Belastingdienst de geformaliseerde belastingschuld vrijwel ongeclausuleerd corrigeren. In voorkomende gevallen kan de Belastingdienst een verzuim- of vergrijpboete opleggen.
Via deze omschrijvingen wordt ook tot uitdrukking gebracht dat een belastingplichtige bij een aanslagbelasting verantwoordelijk is voor een juiste aangifte en daarmee – evenals bij een aangiftebelasting – voor een juiste informatievoorziening richting de Belastingdienst. De aangifte is daardoor veel meer een hulpmiddel voor de Belastingdienst om de juiste belastingschuld ex artikel 11 AWR te kunnen formaliseren. Van een zwartwit-tegenstelling ten aanzien van de verantwoordelijkheden die belastingplichtigen bij beide heffingsmethoden hebben, is derhalve geen sprake.
Vanwege het feit dat het toezicht kenmerkend is voor het onderscheid tussen beide aangifte- en aanslagbelastingen voer ik in het volgende hoofdstuk een verdiepingsonderzoek uit naar het toezicht. Dit richt zich op de ontwikkelingen die zich binnen dit kernelement hebben voorgedaan. Het doel daarvan is vast te stellen wat de betekenis daarvan is voor het onderscheid en welke factoren daaruit kunnen worden afgeleid die van invloed zijn op de keuze tussen de heffingsmethoden.