Einde inhoudsopgave
Arbeidsrecht en insolventie (MSR nr. 75) 2019/8.7.2
8.7.2 SER Fusiegedragsregels
Mr. J. van der Pijl, datum 01-11-2018
- Datum
01-11-2018
- Auteur
Mr. J. van der Pijl
- JCDI
JCDI:ADS301208:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Arbeidsrecht / Europees arbeidsrecht
Insolventierecht / Faillissement
Arbeidsrecht / Einde arbeidsovereenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Voluit: SER-besluit Fusiegedragsregels 2015, ook wel SER Fusiecode genoemd, laatstelijk door de SER herzien op 18 september 2015 (Stcrt. 2015, 31544).
Zaal 2014, p. 250.
SER-besluit Fusiegedragsregels 2000, Stcrt. 2001, 175, p. 23.
Voor een overzicht van de belangrijkste wijzigingen: Schutte-Veenstra, in T&C Arbeidsrecht, commentaar op SER-Fusiegedragsregels 2015, inleidende opmerkingen, aant. 3.
Ondanks aanbevelingen van de SER heeft het kabinet bij de totstandkoming van het SER-besluit Fusiegedragsregels 2000 geen wettelijke grondslag aan de regels willen geven, nu deze vorm van zelfregulering gebaseerd was op vrijwilligheid en zich bovendien geen onaanvaardbare situaties voordeden.
Schutte-Veenstra, in T&C Arbeidsrecht, commentaar op SER-Fusiegedragsregels 2015, inleidende opmerkingen, aant. 4 e.v.
Zie (ten aanzien van de Fusiegedragsregels uit 1975): Hof Amsterdam 3 december 1987, weergegeven in: HR 10 januari 1990, NJ 1990, 466 (OGEM-II). Uitgebreider: Schutte-Veenstra, in T&C Arbeidsrecht, commentaar op SER-Fusiegedragsregels 2015, inleidende opmerkingen.
De zinsnede stond in het besluit tot vaststelling van de SER Fusiegedragsregels 2000, van 17 maart 2000, p. 9 en is ongewijzigd gehandhaafd in de huidige artikelsgewijze toelichting van de SER op de SER-Fusiegedragsregels, p. 32, die is gepubliceerd op www.ser.nl, Schutte-Veenstra, in T&C Arbeidsrecht, commentaar op SER-Fusiegedragsregels 2015, inleidende opmerkingen, aant. 4.
Zie daarvoor de SER-uitgave Fusiegedragsregels 1975, Commentaar, te vinden op www.ser.nl, waarin op p. 101-107 uitspraken over dit specifieke onderwerp van voorganger van de huidige Geschillencommissie, de Commissie voor Fusieaangelegenheden, zijn samengevat. Uit het verslag met uitspraken over de periode 2002-2014 kan worden opgemaakt dat over dit onderwerp geen beslissingen meer zijn genomen door de Geschillencommissie (zie: Geschillencommissie Fusiegedragsregels 2002-2014, oktober 2014, uitgave SER, www.ser.nl).
Schutte-Veenstra, in T&C Arbeidsrecht, commentaar op SER-Fusiegedragsregels 2015, inleidende opmerkingen, aant. 8.
De Fusiegedragsregels van de SER1 zijn relevant in geval van overdracht van de onderneming door de bewindvoerder respectievelijk de curator tijdens surseance en faillissement2 en verdienen daarom aandacht in dit hoofdstuk.
De Fusiegedragsregels zijn sinds de eerste vaststelling in 1970 een aantal malen herzien. In 2000 is gekozen voor bescherming van de belangen van werknemers bij fusies in de hier bedoelde zin en is onder meer aangesloten bij het begrippenkader van de WOR en boek 2 BW.3 De huidige versie is in 2015 vastgesteld.4
De Fusiegedragsregels hebben geen (directe) wettelijke grondslag; de vaststelling ervan valt onder de algemene, richtinggevende taak van de SER zoals opgenomen in art. 2 Wet SER.5 Hierin wordt de SER opgedragen een in het algemeen belang dienende werkzaamheid van het bedrijfsleven te bevorderen en de belangen van het bedrijfsleven en de mensen die daarin werken te behartigen. De SER-Fusiegedragsregels 2015 kunnen worden beschouwd als de neerslag van een breed gedragen opvatting over de rol van stakeholders bij fusies en zijn gebaseerd op de bereidheid van het Nederlandse bedrijfsleven om de regels vrijwillig na te leven.6
Het ontbreken van een wettelijke grondslag betekent geenszins dat de Fusiegedragsregels eenvoudigweg genegeerd kunnen worden. Schending van de Fusiegedragsregels kan in juridische vervolgprocedures een rol spelen bij een onrechtmatigedaadsactie van 6:162 BW gevolgen hebben voor de toets op grond van de redelijkheid en billijkheid van artikel 2:8 en 6:248 BW. Voorts is denkbaar dat de Ondernemingskamer in het kader van de hiervoor besproken enquêteprocedure het niet-naleven van de Fusiegedragsregels mee weegt, in het oordeel over het al dan niet bestaan van 'gegronde redenen om aan een juist beleid of juiste gang van zaken te twijfelen', als bedoeld in artikel 2:350 BW.7
Er is onder meer sprake van een fusie bij 'verkrijging of overdracht van de zeggenschap, direct of indirect, over een onderneming of een onderdeel daarvan (...)', aldus artikel 1 lid 1 aanhef en sub e. Fusiegedragsregels. Dat is een ruime definitie, waaronder ook de doorstart c.q. overdacht van een deel van de onderneming door de curator aan een overnemer dient te worden geschaard. De regels zijn vervolgens alleen van toepassing als bij tenminste een van de twee betrokken ondernemingen (koper en verkoper) 50 personen in dienst zijn (artikel 2 lid 1). De kernbepaling van de Fusiegedragsregels is vervolgens in de artikelen 3 en 4 te vinden waarin is bepaald dat, voordat openbare mededeling over een fusie wordt gedaan (artikel 3) of überhaupt overeenstemming wordt bereikt (artikel 4), de werknemersorganisaties moeten worden geïnformeerd. Met name artikel 4 bevat vrij vergaande verplichtingen jegens de bonden: deze worden onder meer in de gelegenheid gesteld hun oordeel over de voorgenomen fusie te geven vanuit het gezichtspunt van de in de onderneming werkzame personen (artikel 4 lid 4) en daarbij dient aandacht besteed te worden aan eventuele maatregelen 'tot het voorkomen, wegnemen of verminderen van eventuele nadelige gevolgen voor de in de onderneming werkzame gevolgen.'
Deze paragraaf begon met de constatering dat de regels van toepassing zijn voor overnames tijdens insolventie van de werkgever. Nuancering is daarbij op zijn plaats, omdat in artikel 2 lid 3 aanhef onder b in zijn algemeenheid is bepaald dat de Fusiegedragsregels niet gelden, indien 'de fusie berust op het personen-, familie-, faillissements- of erfrecht.' In de toelichting van de SER is daaraan echter toegevoegd:
"Indien de curator of bewindvoerder overgaat tot overdracht van de onderneming zijn de Fusiegedragsregels wel van toepassing."8
Hoe valt dit met elkaar te rijmen? De voormalige Commissie voor Fusieaangelegenheden (nu: Geschillencommissie) heeft zich hier in het verleden meermaals over uitgesproken en maakt daarbij een onderscheid tussen de situatie dat de curator direct alle activiteiten staakt en de onderneming liquideert (dan: de Fusiegedragsregels zijn niet van toepassing) en de situatie dat de curator de onderneming of delen daarvan going-concern verkoopt (dan: wel toepasselijkheid).9
In een van de uitspraken overweegt de Commissie ten aanzien van een doorstart na faillissement, onder verwijzing naar eerdere uitspraken, het volgende:
"Beslissend voor de toepasselijkheid van de code is het antwoord op de vraag of activa van de betreffende onderneming door de verwerver worden verkregen als een zodanig samenhangend geheel, dat deze de met die activa uitgeoefende ondernemingsactiviteiten als een werkzaam organisatorisch verband kan handhaven en/of voortzetten."
En:
"Dit houdt in dat de fusiecode geen uitzondering maakt voor het geval van faillissement. Verkrijging van zeggenschap in de zin van artikel 14 (nu geregeld in artikel 1, JvdP) is niet afhankelijk van de vraag of de artikelen 1639aa en volgende van het B.W (het huidige 7:662 e.v. BW, JvdP) van toepassing zijn. Immers, ook voor de invoering van die artikelen kon de fusiecode op de verwerving van de activiteiten van een onderneming of een gedeelte daarvan van toepassing zijn."
Dit brengt mee dat indien een bepaalde transactie binnen de werkingssfeer van de code valt, de fusie moet worden gemeld en de vakbonden de gelegenheid moeten krijgen hun mening te geven; er is geen sprake van een goedkeuringsrecht. Wel van wezenlijk belang voor de medezeggenschap is dat artikel 4 lid 7 voorschrijft dat betrokken partijen (lees: curator en werknemersorganisaties) de betrokken ondernemingsraden in de gelegenheid kennis te nemen van het oordeel van de werknemersorganisaties, 'opdat die ondernemingsraden daarmee rekening kunnen houden bij het uitbrengen van een advies als bedoeld in artikel 25 WOR'. De bedoeling hiervan is een zekere mate van afstemming te waarborgen tussen de verschillende medezeggenschapstrajecten.10 Ook is hiermee de volgorde van raadpleging welbewust vastgesteld: eerst de vakorganisaties, daarna de OR. Overigens staat het de OR vrij niet te wachten op de visie van de vakorganisaties.