Zie artikel 23 Overleveringswet.
Rb. Amsterdam, 07-03-2024, nr. 13/007225-24
ECLI:NL:RBAMS:2024:6015
- Instantie
Rechtbank Amsterdam
- Datum
07-03-2024
- Zaaknummer
13/007225-24
- Vakgebied(en)
Internationaal strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBAMS:2024:6015, Uitspraak, Rechtbank Amsterdam, 01‑10‑2024; (Eerste aanleg - meervoudig)
ECLI:NL:RBAMS:2024:4912, Uitspraak, Rechtbank Amsterdam, 07‑08‑2024; (Eerste en enige aanleg)
ECLI:NL:RBAMS:2024:3257, Uitspraak, Rechtbank Amsterdam, 05‑06‑2024; (Tussenuitspraak)
ECLI:NL:RBAMS:2024:1982, Uitspraak, Rechtbank Amsterdam, 05‑04‑2024; (Tussenuitspraak)
ECLI:NL:RBAMS:2024:1250, Uitspraak, Rechtbank Amsterdam, 07‑03‑2024; (Tussenuitspraak)
Uitspraak 01‑10‑2024
Inhoudsindicatie
Pools EAB ter vervolging – geen wijziging in de detetentieomstandigheden van voorlopige gehechten in de detentie instelling van Poznan - de rechtbank geeft geen gevolg aan het EAB en verklaart de Officier van Justitie niet ontvankelijk
Partij(en)
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-007225-24
Datum uitspraak: 1 oktober 2024
UITSPRAAK
op de vordering van 10 januari 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).1.
Dit EAB is uitgevaardigd op 24 mei 2023 door the County Court in Poznań, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[verdachte]
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Almelo,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1. Procesgang
De zitting van 22 februari 2024
De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 22 februari 2024, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon heeft afstand
gedaan van zijn recht om op zitting te worden gehoord. Hij is vertegenwoordigd door zijn
gemachtigd raadsman, mr. S. de Goede, advocaat in Breda.
De rechtbank heeft de gevangenhouding van de opgeëiste persoon bevolen.
De tussenuitspraak van 7 maart 20242.
De rechtbank heeft op 7 maart 2024 een tussenuitspraak gewezen. Daarin is het onderzoek
heropend en voor onbepaalde tijd geschorst om de raadsman en de officier van justitie in de gelegenheid te stellen zich op een volgende zitting uit te laten over het rapport van de European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment (hierna: CPT) van 22 februari 2024 over de detentieomstandigheden in Poolse detentie-instellingen.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.3.
De zitting van 26 maart 2024
De behandeling van het EAB is voortgezet op de zitting van 26 maart 2024, in aanwezigheid
van mr. G.M. Kolman, officier van justitie. De opgeëiste persoon heeft afstand gedaan van zijn recht op zitting te worden gehoord. Hij is vertegenwoordigd door zijn gemachtigd raadsman,
mr. S. de Goede.
Tussenuitspraak van 5 april 20244.
De rechtbank heeft op 5 april 2024 een tussenuitspraak gewezen, waarbij het onderzoek ter zitting is heropend en voor onbepaalde tijd is geschorst om via de officier van justitie vragen te stellen aan de Poolse autoriteiten over de detentieomstandigheden. Bij tussenuitspraak is de beslistermijn op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW met 30 dagen verlengd en de gevangenhouding is ook met 30 dagen verlengd op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
Raadkamer van 3 mei 2024
Tijdens de raadkamerzitting op 3 mei 2024 is de beslistermijn verlengd met 30 dagen op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW en is de gevangenhouding met 30 dagen verlengd op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
De zitting van 22 mei 2024
De behandeling van het EAB is voortgezet op de zitting van 22 mei 2024, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon heeft afstand gedaan van zijn recht op zitting te worden gehoord. Hij is vertegenwoordigd door zijn gemachtigd raadsman, mr. S. de Goede, advocaat in Breda. De beslistermijn is op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW met 30 dagen verlengd en de gevangenhouding is ook met 30 dagen verlengd op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
Raadkamer van 29 mei 2024
Tijdens de raadkamerzitting op 29 mei 2024 is de beslistermijn verlengd met 30 dagen op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW en is de gevangenhouding eveneens met 30 dagen verlengd op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
Tussenuitspraak van 5 juni 20245.
De rechtbank heeft op 5 juni 2024 een tussenuitspraak gewezen, waarbij het onderzoek ter zitting is heropend en voor onbepaalde tijd is geschorst om via de officier van justitie vragen te stellen aan de Poolse autoriteiten over de detentieomstandigheden. Bij tussenuitspraak is de beslistermijn op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW met 30 dagen verlengd en de gevangenhouding is ook met 30 dagen verlengd op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
De zitting van 24 juli 2024
De behandeling van het EAB is voortgezet op de zitting van 24 juli 2024, in aanwezigheid van mr. S.J. Wirken, officier van justitie. De opgeëiste persoon heeft afstand gedaan van zijn recht ter zitting te worden gehoord. De opgeëiste persoon is vertegenwoordigd door zijn gemachtigd raadsman, mr. S. de Goede.
De rechtbank heeft de beslistermijn verlengd met 30 dagen op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW en de gevangenhouding met 30 dagen verlengd op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
De tussenuitspraak van 7 augustus 20246.
De rechtbank heeft op 7 augustus 2024 opnieuw een tussenuitspraak gewezen, waarbij het onderzoek ter zitting is heropend en geschorst en waarbij de rechtbank de beslissing over de overlevering op grond van artikel 11, tweede lid, OLW heeft aangehouden alsmede de in artikel 11, vierde lid, OLW bedoelde redelijke termijn heeft vastgesteld op maximaal 60 dagen. Daarnaast is de beslistermijn op grond van artikel 22, zesde lid, OLW met 60 dagen verlengd en de gevangenhouding is ook met 60 dagen verlengd op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
Raadkamer van 6 september 2024
De rechtbank heeft tijdens de raadkamerzitting van 6 september 2024 het verzoek tot schorsing van de overleveringsdetentie van de opgeëiste persoon afgewezen.
De zitting van 17 september 2024
De behandeling van het EAB is voortgezet op de zitting van 17 september 2024, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon heeft afstand gedaan van zijn recht ter zitting te worden gehoord. De opgeëiste persoon is vertegenwoordigd door zijn gemachtigd raadsman, mr. S. de Goede.
Bij bevel van 30 september 2024 heeft de rechtbank de overleveringsdetentie van de opgeëiste persoon opgeheven.
2. Het toepasselijke recht
Per 1 oktober 2024, tevens de datum van deze uitspraak, is de Overleveringswet gewijzigd.
De wetswijzigingen hebben onmiddellijke werking.
3. Identiteit van de opgeëiste persoon
De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Poolse nationaliteit heeft.
4. Tussenuitspraak 7 maart 2024
De rechtbank verwijst naar haar tussenuitspraak van 7 maart 2024. Hierin heeft de rechtbank de grondslag van het EAB, de inhoud van het EAB en de strafbaarheid van de feiten en het aanhoudingsverzoek van de raadsman al beoordeeld. Deze overwegingen dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd.
5. Artikel 11 OLW: detentieomstandigheden
De rechtbank verwijst in dit kader allereerst naar haar overwegingen onder punt 6 van de tussenuitspraak van 7 maart 2024, haar overwegingen onder punt 4 van de tussenuitspraak van5 april 2024 en haar overwegingen onder punt 4 van de tussenuitspraak van 5 juni 2024.
De rechtbank heeft in de tussenuitspraak van 5 juni 2024 een algemeen gevaar aangenomen van schending van de grondrechten van gedetineerden die in het remand regime in Polen terechtkomen. De overwegingen uit voornoemde uitspraken dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd.
Bij brief van 17 juli 2024 heeft the Circuit Prosecutor’s office in Poznan, First Department of Investigation aanvullende informatie verstrekt over de detentieomstandigheden in remand prisons in Polen, toegespitst op de opgeëiste persoon, en daarbij de door de rechtbank bij uitspraak van 5 juni 2024 gestelde vragen 1 tot en met 5 beantwoord.
De rechtbank heeft vervolgens bij tussenuitspraak van 7 augustus 2024 vastgesteld dat voor de opgeëiste persoon een individueel reëel gevaar van schending van zijn grondrechten bestaat, nu het al eerder vastgestelde algemene gevaar met de aanvullende informatie die op 17 juli 2024 is verstrekt, niet is weggenomen. De rechtbank heeft op grond van artikel 11, tweede lid, OLW de beslissing over de overlevering aangehouden omdat er een mogelijkheid bestond dat bij wijzigingen van de omstandigheden het reële gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling alsnog – en binnen afzienbare tijd – kon worden uitgesloten. De rechtbank heeft die redelijke termijn bepaald op maximaal 60 dagen. Voor de uitspraak van 7 augustus 2024 geldt dat de overweging onder punt 4 als herhaald en ingelast moet worden beschouwd.
Bij brief van 27 augustus 2024 van the Circuit Prosecutor’s Office in Poznan, First Department of Investigation is vervolgens onder meer de volgende nieuwe informatie verstrekt:
(…) Once the suspect, Mr. [verdachte] , is placed at the Detention Facility in Poznan, he shall be given the opportunity to participate in classes held by the administration of the detention unit and to use the sports equipment available to the detainees at the day-care centers within each ward.
(…)
Day-care center classes are held once a week. Their frequency, however, may change according to a growing number of participants and at the present moment such classes are held twice a week on average. This means that Mr. [verdachte] , will have a chance to spend, on average, three hours a week participating in such classes.
(…)
if it happens that Mr. [verdachte] conduct and respect for the organizational regulations at the detention center are flawless, he may be rewarded with, among other things, additional or longer walks, permission to participate more often in physical education and sports classes or permission for more frequent visitation.
What is more, Mr. [verdachte] shall have an opportunity to participate in other activities held outside his cell, such as: visitations, access to a prepaid telephone set, meetings with a counselor and psychologist, medical assistance, religious services – all of these depending on his choice.
As there are so many optional classes and activities [verdachte] may choose to participate in, at the present moment we are simply unable to specifically determine which ones he will choose and how much time he will spend on any such activities.
(…)
The dictionary of the Polish language defines the term "immediately" as "an action to be
taken as soon as possible.”
A provisionally detained individual may also be granted the right to visitation through
a ruling which is to be issued by the authority at whose disposal the detainee remains.
Detainees have the right to at least one visitation a month by their next of kin
(…)
The Executive Penal Code does not provide for the limit of the visitations. Any individual being a next of kin to the provisionally detained may be granted the right to visitation upon their request.
(…)
As per art. 115 s. 11 of the Polish Penal Code, a next of kin is a spouse, an ascendant, a descendant, a brother or a sister, a relative in the same line or degree by marriage, an individual in an adopted relation or their spouse as well as a domestic partner. (…)
Standpunt van de verdediging
De rechtbank heeft eerder terecht vastgesteld dat 3 m2 persoonlijke leefruimte op cel het absolute minimum is. Meer wordt hier niet gegarandeerd. Nu op basis van de aanvullende informatie nog steeds onvoldoende duidelijk is hoeveel tijd daarnaast buiten de cel kan worden verbleven, en evenmin duidelijk is dat de opgeëiste persoon op regelmatige basis contact met de buitenwereld zal kunnen onderhouden en op welke wijze en binnen welke termijn hij dat kan bewerkstelligen, kan het concrete gevaar niet worden weggenomen. Een verandering van dit concrete gevaar valt niet op korte termijn te verwachten.
Daarnaast is er geen onvoorwaardelijke en specifiek voor de opgeëiste persoon afgegeven garantie van de Poolse autoriteiten die het gevaar van schending van grondrechten voor de opgeëiste persoon wegneemt. Op grond van het voorgaande dient de overlevering te worden geweigerd vanwege een individueel gevaar van schending van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
Standpunt van de officier van justitie
Artikel 11 OLW vormt geen belemmering voor de overlevering van de opgeëiste persoon. Daartoe is het volgende van belang.
Met het uitgangspunt van minimaal 3m2 leefruimte moet worden beoordeeld of er sprake is van slechte materiële detentieomstandigheden. Uit de aanvullende informatie van
17 juli 2024 kan worden opgemaakt dat een gedetineerde een gemeubileerde cel krijgt, met ventilatie met frisse lucht, een verwarmingssysteem, een geschikt lichtsysteem en een raam voor daglicht. Daarnaast heeft de gedetineerde minimaal 1 uur per dag toegang tot een binnenplaats. Uit de aanvullende informatie van 27 augustus 2024 kan worden opgemaakt dat een gedetineerde gemiddeld 3 uur per week cursussen buiten de cel kan bijwonen. Bij goed gedrag kan dat worden uitgebreid, net als de toegang tot de luchtplaats. Ook zijn er met het gebruik van sportfaciliteiten, bezoeken en religieuze bijeenkomsten nog mogelijkheden om buiten de cel te verblijven. Uit de aanvullende informatie van 27 augustus 2024 blijkt daarnaast nog steeds dat een gedetineerde in de remand prisons toestemming moet krijgen om te kunnen telefoneren of om bezoek te kunnen ontvangen. In de Government response op het CPT-rapport wordt een termijn van 2 weken genoemd waarbinnen toestemming wordt verleend en in het CPT-rapport staat vermeld dat het enkel gaat over de “newly-arrived” voorlopig gehechten, gedurende de eerste maand van hun verblijf in de remand prisons.
In het CPT-rapport staat daarnaast vermeld dat er wetswijzigingen zijn geweest waardoor het voor zowel bezoek als voor telefoongesprekken mogelijk is om een generieke toestemming te geven waarna meerdere bezoeken of gesprekken kunnen worden gevoerd.
Gelet op al het voorgaande in onderlinge samenhang bezien zijn er geen aanwijzingen dat de opgeëiste persoon zal worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen als hij nu wordt overgeleverd aan Polen.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of er sinds 7 augustus 2024 sprake is van gewijzigde omstandigheden op grond waarvan het reële gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 Handvest alsnog is uitgesloten.
De rechtbank is van oordeel dat de nieuwe informatie daartoe onvoldoende aanknopingspunten biedt en dat er dus geen sprake is van dergelijke gewijzigde omstandigheden. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
In de tussenuitspraken is tot uitdrukking gebracht dat het kernpunt voor het aannemen van een gevaar van mensenrechtenschending steeds is geweest het aantal uren dat een voorlopige gehechte doorbrengt in zijn cel, namelijk 23 uur per dag. Dit terwijl een gedetineerde slechts 3 m2 persoonlijke ruimte exclusief sanitair op cel heeft. Meer werd immers niet gegarandeerd. De reactie van de Poolse autoriteiten op het CPT-rapport baarde in dit verband zorgen en heeft daarbij meegewogen. Die reactie (p. 32) hield in: “Being outside of the living cell, participating in activities and organized recreation are important factors in the prevention of the negative effects of isolation in a prison. It must be emphasized, however, that pretrial detention, due to its purpose, involves the necessity of rigorous isolation, the hardship of which is difficult to eliminate.”
Voor wat betreft de persoonlijke ruimte geldt het volgende.
Ook met inachtneming van de nieuwe informatie van 27 augustus 2024 blijft staan dat een voorlopig gehechte tenminste 3 m2 persoonlijke ruimte exclusief sanitair heeft. Dat betekent dat nog steeds slechts de absolute ondergrens van 3 m2 persoonlijke ruimte wordt gegarandeerd.
Voor wat betreft het aantal uur per dag buiten de cel geldt het volgende.
In de aanvullende informatie van 27 augustus 2024 is herhaald dat de opgeëiste persoon elke dag één uur op de binnenplaats mag wandelen. Nieuw is de informatie dat de opgeëiste persoon op dit moment in de remand prison in Poznan per week aan twee classes van anderhalf uur kan deelnemen, wat neerkomt op drie uur per week. Daarbij wordt wel aangetekend dat de frequentie van de classes kan veranderen als gevolg van een toenemend aantal deelnemers. De rechtbank concludeert op basis van deze informatie dat er geen garantie is dat de opgeëiste persoon drie uur per week classes kan volgen.
Dit betekent dat in het gunstigste geval, namelijk als een voorlopig gehechte aan 3 uur classes per week deelneemt, hij in feite nog steeds bijna 23 uur per dag op zijn cel doorbrengt. De rechtbank beoordeelt het aantal uren dat een gedetineerde dagelijks buiten de cel kan doorbrengen hiermee als onvoldoende.
De omstandigheid dat de opgeëiste persoon met goed gedrag zogenoemde rewards kan verdienen, bestaande uit onder andere langere tijd mogen wandelen en deelname aan meer classes, maakt het voorgaande niet anders. Dit is immers een toekomstige onzekere situatie waarover geen garanties zijn gegeven, nog daargelaten dat ook met betrekking tot deze rewards geen concrete aantallen uren buiten de cel worden vermeld. Verder maakt ook het feit dat ten behoeve van een gedetineerde sportfaciliteiten beschikbaar zijn een en ander niet anders. Onduidelijk is immers of voor het gebruik van sportfaciliteiten aanvullend, dus naast het dagelijkse uur wandelen op de binnenplaats of deelname aan classes, tijd buiten de cel mag worden doorgebracht en hoeveel tijd dit dan is. De informatie hierover is onvoldoende concreet. Hetzelfde geldt voor het ontvangen van bezoek of het plegen van telefoontjes buiten de cel, de deelname aan religieuze bijeenkomsten en de mogelijkheid van psychologische of medische hulp. Daar komt bij dat niet elke gedetineerde de wens zal hebben om religieuze bijeenkomsten bij te wonen of medische of psychologische hulp te krijgen. Ook dit geeft daarom onvoldoende garantie dat voldoende uren buiten de cel kunnen worden doorgebracht.
Wel is er meer concrete informatie verstrekt over de mogelijkheid van contact met de buitenwereld. Zo is de vraag wie onder closest one7.wordt verstaan beantwoord, namelijk - kort gezegd - de echtgenoot, levenspartner, broers of zussen, kinderen en ouders. De rechtbank begrijpt de aanvullende informatie aldus dat elke closest one van een gedetineerde één keer per maand op bezoek kan komen. Ten aanzien van telefonisch contact met andere personen dan de advocaat bevat de nieuwe brief dezelfde bewoordingen die erop neerkomen dat als telefonisch contact met die anderen wordt toegestaan, dit de voorlopig gedetineerde in staat stelt meerdere telefoongesprekken te voeren.
Het blijft echter staan dat voor elk bezoek en telefonisch contact toestemming moet worden verkregen door middel van een ruling en dat ook nu niet concreet is gemaakt hoe lang het duurt voordat een beslissing op zo’n verzoek (ruling) wordt genomen. De omschrijving ‘zo spoedig als mogelijk’ is onvoldoende concreet in het licht van de herhaaldelijk gestelde vragen hoe lang het duurt voordat die beslissing is genomen.
De officier van justitie wijst erop dat het CPT stelt dat het hier enkel gaat over de “newly-arrived” voorlopig gehechten, gedurende de eerste maand van hun verblijf in de remand prisons. Onder verwijzing naar pagina 28 van het CPT-rapport wijst zij er ook op dat de beslissing meestal binnen twee weken wordt gegeven en voorts dat uit de reactie van de Poolse regering op het rapport (p. 35) volgt dat er wetswijzigingen zijn geweest waardoor het voor zowel bezoek als voor telefoongesprekken mogelijk is om een generieke toestemming te geven waarna meerdere bezoeken of gesprekken kunnen worden gevoerd. De rechtbank stelt echter vast dat een en ander in de aanvullende informatie die de Poolse autoriteiten hebben verstrekt niet wordt genoemd. In hoeverre de door de officier van justitie benoemde beslistermijn en mogelijkheid van generieke toestemming dus voor de opgeëiste persoon opgaan is voor de rechtbank niet duidelijk geworden.
Hoewel het kernpunt is dat slechts 3 m2 persoonlijke ruimte (exclusief sanitair) is gegarandeerd in combinatie met het aantal uren dat een voorlopig gehechte doorbrengt op zijn cel, is de onduidelijkheid over de termijn waarop de opgeëiste persoon contact met de buitenwereld kan bewerkstelligen een bijkomende verzwarende omstandigheid.
Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat geen sprake is van gewijzigde omstandigheden op grond waarvan het reële gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling voor de opgeëiste persoon alsnog is uitgesloten.
In de tussenuitspraak van 7 augustus 2024 heeft de rechtbank de redelijke termijn als bedoeld in artikel 11, vierde lid, OLW vastgesteld op maximaal 60 dagen. Deze termijn verstrijkt op
5 oktober 2024. Aangezien de conclusie van de rechtbank thans is dat geen wijzigingen in de omstandigheden zijn opgetreden en de rechtbank ook niet verwacht dat dit voor 5 oktober 2024 anders zal komen te liggen, zal de rechtbank geen gevolg geven aan het EAB.
De rechtbank zal de officier van justitie daarom niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering. Hierdoor wordt de overleveringsprocedure beëindigd.8.
6. Slotsom
Nu is vastgesteld dat de opgeëiste persoon bij overlevering het risico loopt op schending van zijn grondrechten en niet wordt verwacht dat dit voor 5 oktober 2024 zal wijzigen, wordt op grond van artikel 11, vierde lid OLW in samenhang met artikel 28, derde lid, OLW geen gevolg gegeven aan het EAB.
7. Toepasselijke wetsartikelen
De artikelen 2, 5, 7 en 11 OLW.
8. Beslissing
VERKLAART de officier van justitie niet ontvankelijk in zijn vordering ex artikel 23, tweede lid, OLW.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. A.R.P.J. Davids, voorzitter,
mrs. J.B. Oreel en A.R. Vlierhuis, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. H.L. van Loon, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 1 oktober 2024.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 01‑10‑2024
In de aanvullende informatie van 27 augustus 2024 wordt in plaats van over closest one gesproken over next of kin.
Uitspraak 07‑08‑2024
Inhoudsindicatie
Vervolgings-EAB Polen. Tussenuitspraak. Beslissing over overlevering aangehouden o.g.v. artikel 11, tweede lid, OLW i.v.m. detentieomstandigheden in remand prisons in Polen.
Partij(en)
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-007225-24
Datum uitspraak: 7 augustus 2024
TUSSENUITSPRAAK
op de vordering van 10 januari 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).1.
Dit EAB is uitgevaardigd op 24 mei 2023 door the County Court in Poznań, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1991,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [plaats 1] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1. Procesgang
De zitting van 22 februari 2024
De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 22 februari 2024, in
aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon heeft afstand
gedaan van zijn recht om op zitting te worden gehoord. Hij is vertegenwoordigd door zijn
gemachtigd raadsman, mr. S. de Goede, advocaat in Breda.
De rechtbank heeft de gevangenhouding van de opgeëiste persoon bevolen.
De tussenuitspraak van 7 maart 2024
De rechtbank heeft op 7 maart 2024 een tussenuitspraak gewezen.2.Daarin is het onderzoek
heropend en voor onbepaalde tijd geschorst om de raadsman en de officier van justitie in de gelegenheid te stellen zich op een volgende zitting uit te laten over het rapport van de European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment (hierna: CPT).
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.3.
De zitting van 26 maart 2024
De behandeling van het EAB is voortgezet op de zitting van 26 maart 2024, in aanwezigheid
van mr. G.M. Kolman, officier van justitie. De opgeëiste persoon heeft afstand gedaan van zijn recht op zitting te worden gehoord. Hij is vertegenwoordigd door zijn gemachtigd raadsman,
mr. S. de Goede, advocaat in Breda.
Tussenuitspraak van 5 april 2024
De rechtbank heeft op 5 april 2024 een tussenuitspraak gewezen, waarbij het onderzoek ter zitting is heropend en voor onbepaalde tijd is geschorst om via de officier van justitie vragen te stellen aan de Poolse autoriteiten over de detentieomstandigheden. Bij tussenuitspraak is de beslistermijn op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW met 30 dagen verlengd en de gevangenhouding is ook met 30 dagen verlengd op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
Raadkamers van 17 april 2024 en 3 mei 2024
De raadkamer heeft op 17 april 2024 en op 3 mei 2024 de beslistermijn verlengd met telkens 30 dagen op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW en heeft de gevangenhouding eveneens met telkens 30 dagen verlengd op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
De zitting van 22 mei 2024
De behandeling van het EAB is voortgezet op de zitting van 22 mei 2024, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon heeft afstand gedaan van zijn recht op zitting te worden gehoord. Hij is vertegenwoordigd door zijn gemachtigd raadsman, mr. S. de Goede, advocaat in Breda. De beslistermijn is op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW met 30 dagen verlengd en de gevangenhouding is ook met 30 dagen verlengd op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
Tussenuitspraak van 5 juni 2024
De rechtbank heeft op 5 juni 2024 een tussenuitspraak gewezen, waarbij het onderzoek ter zitting is heropend en voor onbepaalde tijd is geschorst om via de officier van justitie vragen te stellen aan de Poolse autoriteiten over de detentieomstandigheden. Bij tussenuitspraak is de beslistermijn op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW met 30 dagen verlengd en de gevangenhouding is ook met 30 dagen verlengd op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
Raadkamer van 29 mei 2024
De raadkamer heeft op 29 mei 2024 de beslistermijn verlengd met 30 dagen op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW en heeft de gevangenhouding eveneens met 30 dagen verlengd op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
De zitting van 24 juli 2024
De behandeling van het EAB is voortgezet op de zitting van 24 juli 2024, in aanwezigheid van mr. S.J. Wirken, officier van justitie. De opgeëiste persoon heeft afstand gedaan van zijn recht ter zitting te worden gehoord. De opgeëiste persoon is vertegenwoordigd door zijn gemachtigd raadsman, mr. S. de Goede, advocaat in Breda.
De rechtbank heeft de beslistermijn verlengd met 30 dagen op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW en heeft de gevangenhouding met 30 dagen verlengd op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
2. Identiteit van de opgeëiste persoon
De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Poolse nationaliteit heeft.
3. Tussenuitspraak 7 maart 2024
De rechtbank verwijst naar haar tussenuitspraak van 7 maart 2024.4.Hierin heeft de rechtbank de grondslag van het EAB, de inhoud van het EAB en de strafbaarheid van de feiten en het aanhoudingsverzoek van de raadsman al beoordeeld. Deze overwegingen dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd.
4. Artikel 11 OLW; detentieomstandigheden
De rechtbank verwijst in dit kader allereerst naar haar overwegingen onder punt 6 van de tussenuitspraak van 7 maart 2024, haar overwegingen onder punt 4 van de tussenuitspraak van 5 april 2024 en haar overwegingen onder punt 4 van de tussenuitspraak van 5 juni 2024. Ook deze overwegingen dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd. Bij brief van 17 juli 2024 heeft the Circuit Prosecutor’s office in Poznań aanvullende informatie verstrekt over de detentieomstandigheden in remand prisons in Polen, toegespitst op de opgeëiste persoon, en daarbij de vragen 1 tot en met 5 beantwoord.
Standpunt van de verdediging
De raadsman betoogt dat de gegeven antwoorden niet de zorgen wegnemen die het CPT heeft geuit in haar rapport. In de verstrekte aanvullende informatie van 17 juli 2024 wordt wederom niet ingegaan op de specifieke zorgen die eerder door de CPT zijn vastgesteld en waarover de rechtbank vragen heeft gesteld. De vraag hoeveel uren per dag de opgeëiste persoon bij deelname aan activiteiten buiten zijn cel zou verblijven is nog steeds niet beantwoord. Het lijkt er nog steeds op dat de opgeëiste persoon mogelijk 23 uur per dag (of meer) op zijn cel zal moeten doorbrengen. De beperkingen van het contact met de buitenwereld en de advocaat zoals die blijken uit de aanvullende informatie leveren een schending van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM) op. In haar tussenuitspraak van 5 april 2024 heeft de rechtbank aangegeven dat er geen vragen (meer) zijn over het contact tussen de gedetineerde en zijn advocaat en op dit punt is ook in de tussenuitspraak van 5 juni 2024 geen algemeen gevaar aangenomen. Uit de informatie die op 17 juli 2024 is verstrekt blijkt dat de opgeëiste persoon nog altijd voorafgaande toestemming nodig heeft om één keer per week met zijn advocaat te mogen bellen. In de praktijk komt het voor dat de advocaat niet opneemt, en de gedetineerde dan weer een week moet wachten. Hierover is nadere informatie nodig. Voor wat betreft het telefonisch contact met anderen en bezoek van familieleden, blijkt uit de antwoorden dat dit uiterst beperkt is en er steeds toestemming nodig is van ofwel de officier van justitie, ofwel van de directeur van het huis van bewaring, wat een schending van artikel 8 EVRM (family life) oplevert. Gelet op het feit dat preventief gehechte gedetineerden vrijwel de hele dag op cel verblijven, levert de aanvullende informatie inhoudende dat de persoonlijke ruimte in een meerpersoonscel 3 m² bedraagt een schending van artikel 3 EVRM op. Daarom loopt de opgeëiste persoon het risico op schending van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest). Daarom moet de overlevering worden geweigerd.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat met de gegeven antwoorden van 17 juli 2024 het individuele gevaar is weggenomen. De opgeëiste persoon komt – zo blijkt uit die informatie – terecht in de gevangenis (huis van bewaring) in Poznan. Aldaar heeft hij de mogelijkheid diverse cursussen te volgen, naast de gelegenheid een uur te wandelen in de “yard”. Contact met de buitenwereld is mogelijk: bellen en bezoek kan worden toegestaan, verzoeken daartoe worden zonder vertraging beoordeeld. De opgeëiste persoon zal minimaal
3 m² tot zijn beschikking hebben in een meerpersoonscel. Dit is voldoende. De overlevering kan daarom worden toegestaan.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft bij tussenuitspraak van 5 juni 2024 geoordeeld dat sprake is van een algemeen reëel gevaar van schending van de grondrechten van gedetineerden die in het remand regime in Polen terechtkomen.
Deze vaststelling van een algemeen reëel gevaar van schending van de grondrechten voor gedetineerden die terecht komen in het remand regime, kan op zichzelf niet tot weigering van de overlevering leiden. Het enkele bestaan van gegevens die duiden op gebreken in dit regime, impliceert immers niet noodzakelijkerwijs dat, in een concreet geval, de grondrechten van de opgeëiste persoon bij overlevering zullen worden geschonden.
Om te verzekeren dat de grondrechten in het concrete geval worden geëerbiedigd, is de rechtbank dan ook verplicht om vervolgens na te gaan of er, in de omstandigheden van het geval, gronden bestaan om aan te nemen dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering aan Polen een reëel gevaar zal lopen van schending van zijn grondrechten gezien de omstandigheden in het remand regime waar hij zal worden gedetineerd. De mogelijkheid bestaat dat bij wijziging van de omstandigheden het reële gevaar van schending van de grondrechten van deze opgeëiste persoon alsnog kan worden uitgesloten.5.
In het kader van dit nadere onderzoek heeft de rechtbank bij tussenuitspraak van 5 juni 2024 de volgende nadere vragen gesteld aan de Poolse autoriteiten:
1) Kan de opgeëiste persoon deelnemen aan activiteiten in het Huis van Bewaring?
2) Zo ja, hoeveel uur per dag zou hij dan minimaal buiten zijn cel verblijven?
3) Geldt voor de opgeëiste persoon dat hij, indien hij contact met de buitenwereld wil hebben door gebruik van de telefoon en het ontvangen van bezoek, daaraan voorafgaand altijd toestemming zal moeten vragen?
4) Zo ja, hoe lang duurt de procedure (inclusief het rechtsmiddel) om toestemming te krijgen voor het gebruik van de telefoon en het ontvangen van bezoek?
5) Hoeveel vierkante meter persoonlijke ruimte (exclusief sanitair) heeft de opgeëiste persoon in een meerpersoonscel?
Op 17 juli 2024 heeft de Deputy Circuit Prosecutor van het Arrondissementsparket in Poznań deze vragen als volgt beantwoord:
“Ad. 1.
(…) In accordance with Ruling (…) the Detention Facility in Poznań shall be the location for the placement of provisionally detained individuals subject to further actions to be taken by the Circuit Prosecutor's Office in Poznań (…).
While at the Detention Facility in Poznań, the provisionally detained individual shall have an opportunity to participate in classes held by the administration of the detention unit. Such culture and education-themed classed are aimed at shaping the participants’ civic and patriotic attitudes. The classes are held in accordance with a weekly schedule prepared by the detention facility officers. The schedule of the classes is made available to the detainees at their respective blocks. The participation in any such classes is voluntary and the provisionally detained individuals are free to decide themselves whether they wish to attend any such classes. The classes are mainly held at the common rooms located within each particular block of the facility, as well as at the library, workshops or any other rooms adapted particularly for that purpose.
At the present moment the following classes are held at the Detention Facility in Poznań:
- “It May Work out”,
- “Visual Arts in Art Therapy”,
- “The Life of a Mill”,
- “Healthy Body, Healthy Mind”,
- “Social and Legal Education”,
- “A Better Dad”,
- “He Who Reads, Lives Two Lives”,
- “A Step Toward a New Career”.
Moreover, there are various contests and tournaments held at the facility, which the detainees are notified of. (…)
Ad. 2.
The classes mentioned under s. 1 hereinbefore are held between 8:00 a.m. and 9:45 p.m. On average, a single class, counting from the moment the detainee leaves his cell and returns to it afterwards, lasts for one hour and thirty minutes. This time does not include at least an hour-long walk at the facility’s yard to which each detainee is eligible. This activity is realized irrespective of any classes a detainee participates in.
Taking into consideration the variety of the classes, and the fact that the participation is voluntary, we are unable to calculate the exact time each detainee spends outside the cell.
Ad. 3.
Pursuant to the provisions of the Executive Penal Code of the 6th day of June 1997 (as amended), Mr. [opgeëiste persoon] , as a provisionally detained individual, shall have the right to use, at least once a week and in accordance with the in-house rules of the Detention Facility, a prepaid telephone set to get in touch with his defense attorney, a legal representative (advocate) or legal advisor, or a representative who is neither an advocate nor a legal advisor, yet who has been approved by the Head of the European Court of Human Rights to represent Mr. [opgeëiste persoon] before said Court.
In exceptional and urgent cases, if there is a reasonable need to do so in terms of the schedule of the procedural actions to be taken. the Head of the Detention Facility shall grant a detainee his permission to use the telephone additionally (art. 217c s. 1a of the Executive Penal Code).
In any such case, it is necessary for a detainee to provide the Head of the Detention Facility, or any other competent authority at whose disposal the detainee remains, in writing with the telephone number of the person the detainee wishes to call (art. 217c s. tb of the Executive Penal Code).
This allows detainees to make numerous telephone calls, within the scope of the principle, throughout the period in which they are provisionally detained, irrespective of the authority at whose disposal the detainee remains (art. 217c s. 3a of the Executive Penal Code).
ln such cases, the Prosecutor issues a ruling in which he grants his permission for the provisionally detained individual to use a telephone set, notifies the individual of the permission, as well as notifies of the fact the individual's defense attorney and the administration of the detention unit (as per the Ruling by the Minister of Justice of the 7th day of April 2016 - the in-house rules of operation of common operational units of Prosecutor’s Offices, s. 190).
In exceptionally justified cases, particularly where a direct contact is impracticable or highly impeded, or if it results from the detainee’s current circumstances, the provisionally detained individual can call, at negotiated times, another person not being his defense attorney, somebody other than his legal representative (advocate or a legal advisor) or a person other than his representative approved by the European Court of Human Rights. Any such telephone call must be obligatorily approved by the authority at whose disposal the provisionally detained person remains - such approval must be issued in the form of a ruling; unless the authority at whose disposal the provisionally detained individual remains decides otherwise - then, the principle shall be in force until the authority at whose disposal the detainee remains is changed (art. 217c s. 1c of the Executive Penal Code).
The Prosecutor’s ruling even in such instances, is issued urgently and may authorize the detainee to numerous phone calls.
A provisionally detained individual may also be granted the right to visitation through a ruling which is to be issued by the authority at whose disposal the detainee remains. Detainees have the right to at least one visitation a mouth by their closest ones and a minor below the age of 15, yet the minor during the visitation must be accompanied by an adult being their statutory representative who is not an inmate or a detainee of by their closest one being full age as well. In the event the authorized detainee has not been granted the right to such a visitation, does not wish to or is unable to exercise this right - the visitation shall take place under the supervision of an officer or another employee of the detention facility assigned by the facility's Head (art. 217 s. 1, s. 1a and s. 1 f of the Executive Penal Code).
A ruling granting a detainee the right to visitation allows only one such visitation unless the authority at whose disposal the detainee remains decides otherwise ( art. 217 s. 1 g of the Executive Penal Code).
The Prosecutor shall then immediately issue the ruling granting the provisionally detained individual permission for a visitation.
The provisionally detained individual has the right to be in touch with his defense attorney, a legal representative (advocate) or legal advisor, or a representative who is neither an advocate nor a legal advisor, yet who bas been approved by the Head of the European Court of Human Rights to represent the detainee before said Court, white a particular other person is absent - the right includes a possibility to stay in touch through correspondence (art. 215 s. 1 of the Executive Penal Code).
The permission for a meeting with the defense attorney is possible following a ruling which is issued by the authority at whose disposal the detained individual remains, yet the obligation to obtain such a ruling is pure formality whose purpose is to observe the order within the detainee’s facility. The authority issuing the permission for a meeting with the defense attorney cannot refuse to grant the detainee this permission to see his defense attorney in the particular matter.
Ad. 4.
A refusal for a visitation or using the prepaid telephone set may be given only if there are reasonable grounds indicating that they would be used:
- for the purpose of unlawful obstruction of the penal proceedings,
- for the purpose of committing an offence, in particular for inciting another individual for committing an offence (art. 217 s. 1b of the Executive Penal Code).
A ruling refusing to grant the detainee the right to use the prepaid telephone set, or a ruling revoking such permission granted before, may be appealed against by the detainee through the court at whose disposal the detainee remains. Any appeal against a ruling issued by a Prosecutor shall be examined by a superior Prosecutor (art. 217c s. 4 of the Executive Penal Code).
A ruling refusing to grant the detainee the right to see his closest one may be appealed against by the detainee - any such appeal shall be examined by a superior Prosecutor (art. 217 s. 1c of the Executive Penal Code).
Appeals shall be examined immediately. The term “immediately”, as per the current case law, means “without unnecessary delay.” In other words, we are talking about a practicable time limit, having considered the circumstances of the location and the time, which shall ensure that the rights of the provisionally detained individual are not infringed upon. What is more, the dictionary of the Polish language defines the term “immediately” as “an action to be taken as soon as possible.”
Ad. 5.
The provisionally detained individual, while staying at the Detention Facility in Poznań, will be granted a cell with the surface area of at least three (3) square meters. This results from art. 110 s. 2 of the Executive Penal Code. Each cell is equipped with furniture for sleeping, special personal hygiene fixtures, ventilation ensuring the appropriate inflow of fresh air, a heating system ensuring the temperature in a cell is adequate to the season of the year, as well as appropriate lighting system as per the technical standards provided for living premises. The surface area of the cell does not include the window and heating recess, as well as the area behind the inner bars or the designated toilet/bathroom facilities.”
Naar het oordeel van de rechtbank is door de Poolse autoriteiten in deze aanvullende informatie van 17 juli 2024 onvoldoende concreet antwoord gegeven op haar vragen over de detentieomstandigheden van de opgeëiste persoon.
De rechtbank stelt ten aanzien van de vragen 1 tot en met 4 vast dat de aanvullende informatie onvoldoende concrete antwoorden bevat op de door de rechtbank gestelde vragen.
Zo worden de vragen hoeveel uren per dag de opgeëiste persoon – in de situatie waarin hij zal deelnemen aan activiteiten in het Huis van Bewaring – daadwerkelijk buiten zijn cel zal verblijven (vraag 1 en 2) niet beantwoord. Uit de aanvullende informatie blijkt niet hoe vaak de classes, zoals deze worden genoemd in de aanvullende informatie, worden gegeven en of dit bijvoorbeeld op dagelijkse of wekelijkse basis is. Daarnaast volgt uit de informatie niet of preventief gedetineerden daadwerkelijk de mogelijkheid hebben om bijvoorbeeld meerdere classes per dag te volgen. Sterker nog: uit de informatie gegeven onder ad. 1 volgt dat er rewards kunnen worden toegekend, bijvoorbeeld door het verlenen van toestemming om meer classes te volgen. Dit insinueert dat het volgen van classes niet zonder meer tot de mogelijkheden behoort. Concreet blijft de vraag onbeantwoord hoeveel uren de opgeëiste persoon dagelijks buiten zijn cel kan verblijven, en bijvoorbeeld hoeveel classes er dagelijks gegeven worden en mogen worden bijgewoond door preventief gedetineerden.
Daarnaast is in het geheel geen antwoord gekomen op de vraag hoe lang de procedure duurt om toestemming te krijgen voor het gebruik van de telefoon en het ontvangen van bezoek van naaste familie (en andere naasten) (vraag 4). In de aanvullende informatie wordt bij de beantwoording van deze vraag enkel ingegaan op de duur van de procedure van appeal tegen het weigeren van deze toestemming en de gronden op basis waarvan deze toestemming kan worden geweigerd. Er wordt niet ingegaan op de vraag hoe lang de procedure duurt om toestemming te krijgen voor het gebruik van de telefoon en het ontvangen van bezoek van naasten. Verder blijkt uit de aanvullende informatie niet wat in Polen wordt verstaan onder ‘closest ones’, die een preventief gedetineerde één keer per maand en na toestemming zou mogen ontvangen. Onduidelijk is dus wie de opgeëiste persoon mag ontvangen, of hij vaker bezoek kan (met andere woorden: mag de opgeëiste persoon éénmaal per maand één ‘closest one’ ontvangen of geldt er per ‘closest one’ een limiet van één bezoek per maand. Eveneens is onduidelijk hoe vaak de opgeëiste persoon met naasten kan telefoneren.
De rechtbank constateert ten slotte dat de vraag naar de hoeveelheid m² persoonlijke ruimte (exclusief sanitair) die de opgeëiste persoon zou hebben op een meerpersoonscel (vraag 5) beantwoord is in die zin dat is gegarandeerd dat hij ten minste 3 m² tot zijn beschikking zal hebben, exclusief sanitair.
Gelet daarop kan de rechtbank niet uitsluiten dat de opgeëiste persoon niet meer dan 3 m² persoonlijke ruimte tot zijn beschikking krijgt, wat het absolute minimum is. Nu op grond van de verstrekte informatie enkel kan worden vastgesteld dat de opgeëiste persoon in ieder geval iedere dag één uur op de binnenplaats mag lopen en verder onduidelijk is hoeveel tijd hij daarnaast dagelijks buiten zijn cel kan verblijven, is de rechtbank van oordeel dat het aangenomen algemene gevaar in de concrete situatie van de opgeëiste persoon niet is weggenomen. Daar komt bij dat de rechtbank evenmin heeft kunnen vaststellen dat hij (op regelmatige basis) contact met de buitenwereld zal kunnen onderhouden en op welke wijze en binnen welke termijn hij dat kan bewerkstelligen.
Concluderend is naar het oordeel van de rechtbank door de Poolse autoriteiten in de aanvullende informatie onvoldoende antwoord gegeven op de vragen naar de concrete detentieomstandigheden van de opgeëiste persoon na overlevering naar Polen. De aanvullende informatie bevat bovendien ook geen onvoorwaardelijke en voor de opgeëiste persoon specifiek afgegeven garantie dat het gevaar op de schending van grondrechten voor de opgeëiste persoon wordt weggenomen. De waarborgen die door Polen zijn verstrekt betreffende de detentieomstandigheden zoals die nu voorliggen zijn onvoldoende.
Nu door de aanvullende informatie het vastgestelde algemene gevaar niet is weggenomen, stelt de rechtbank vast dat er voor de opgeëiste persoon een individueel reëel gevaar van schending van zijn grondrechten bestaat.
Op grond van artikel 11, tweede lid, OLW, houdt de rechtbank de beslissing over de overlevering aan, omdat er een mogelijkheid bestaat dat bij wijziging van de omstandigheden het reële gevaar op een onmenselijke of vernederende behandeling alsnog – en binnen afzienbare tijd – kan worden uitgesloten. Hoewel het in deze fase niet aan de rechtbank is om vragen te formuleren (maar aan de uitvaardigende justitiële autoriteit om informatie te verstrekken waaruit een wijziging van de omstandigheden blijkt), acht de rechtbank het niet geheel ondenkbaar dat aanvullende informatie met betrekking tot de hierboven genoemde zorgelijke aspecten, mogelijk een dergelijke wijziging zou kunnen opleveren. Op de volgende zitting zal de rechtbank onderzoeken of een wijziging in de omstandigheden optreedt.
De rechtbank stelt de in artikel 11, vierde lid, OLW bedoelde redelijke termijn in deze zaak vast op maximaal 60 dagen. Binnen deze termijn zal de vordering opnieuw op een openbare zitting worden behandeld. Dit betekent dat de zaak begin oktober 2024 weer op zitting zal worden geplaatst om na te gaan of verandering in de omstandigheden is opgetreden dan wel waarbij een nadere toelichting kan worden gegeven op punten waar nu nog onduidelijkheid over bestaat.
Wanneer binnen de hierboven gestelde redelijke termijn geen wijzigingen in de omstandigheden zijn opgetreden, zal aan de overlevering ingevolge artikel 11, eerste lid, OLW, geen gevolg worden gegeven.
5. Schorsingsverzoek
De raadsman heeft een verzoek gedaan tot schorsing van de overleveringsdetentie in het geval nog geen eindbeslissing gegeven zou worden. De opgeëiste persoon kan op een adres in [plaats 2] terecht en is bereid zich te melden. De officier van justitie verzet zich tegen een schorsing van de overleveringsdetentie, nu niet is aangetoond dat de opgeëiste persoon enige binding heeft met Nederland en het vluchtgevaar om die reden groot is.
De rechtbank wijst het schorsingsverzoek van de raadsman af. Er is niet aangetoond dat de opgeëiste persoon een wezenlijke binding met Nederland heeft. Hij heeft hier geen vast adres, geen bron van inkomen en/of familie. Daarnaast neemt het vluchtgevaar naarmate de uitspraak dichterbij komt alleen maar toe en is niet duidelijk of en hoe het bestaande vluchtgevaar kan worden ondervangen. Het enkele feit dat het onderzoek ter zitting wordt aangehouden, wordt door de rechtbank niet als reden aangemerkt om de overleveringsdetentie op dit moment te schorsen.
6. Slotsom
Nu is vastgesteld dat de opgeëiste persoon bij overlevering het risico loopt op schending van zijn grondrechten en er een mogelijkheid bestaat dat dit risico bij wijziging van de omstandigheden alsnog kan worden uitgesloten, wordt de beslissing over de overlevering op grond van artikel 11, tweede lid, OLW aangehouden.
7. Toepasselijke wetsartikelen
De artikelen 2, 5, 7 en 11 OLW.
8. Beslissing
HEROPENT en SCHORST het onderzoek tot een nader te bepalen zittingsdatum en -tijd, met dien verstande dat de zaak binnen 60 dagen op zitting moet worden gebracht.
HOUDT AAN de beslissing over de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the County Court in Poznań (Polen).
VERLENGT de gevangenhouding met 60 dagen op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nader te bepalen datum en tijdstip begin oktober 2024, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsman.
BEVEELT de oproeping van een tolk voor de Poolse taal tegen een nader te bepalen datum en tijdstip.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M.T.C. de Vries, voorzitter,
mrs. H.J.H. van Meegen en B.M. Vroom-Cramer, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. K.M. Diender, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 7 augustus 2024.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 07‑08‑2024
Uitspraak 05‑06‑2024
Inhoudsindicatie
Tussenuitspraak in een Pools vervolgings-EAB, waarin de rechtbank een algemeen gevaar heeft aangenomen voor de detentieomstandigheden in het remand regime. Verzocht is om nadere informatie ten aanzien van het algemeen gevaar.
Partij(en)
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/007225-24
Datum uitspraak: 5 juni 2024
TUSSEN- UITSPRAAK
op de vordering van 10 januari 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).1.
Dit EAB is uitgevaardigd op 24 mei 2023 door the County Court in Poznań, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1991,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in [detentieplaats] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1. Procesgang
De zitting van 22 februari 2024
De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 22 februari 2024, in
aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon heeft afstand
gedaan van zijn recht op zitting te worden gehoord. Hij is vertegenwoordigd door zijn
gemachtigd raadsman, mr. S. de Goede, advocaat in Breda.
De rechtbank heeft de gevangenhouding van de opgeëiste persoon bevolen.
De tussenuitspraak van 7 maart 2024
De rechtbank heeft op 7 maart 2024 een tussenuitspraak gewezen.2.Daarin is het onderzoek
heropend en voor onbepaalde tijd geschorst om de raadsman en de officier van justitie in de gelegenheid te stellen zich op een volgende zitting uit te laten over het rapport van de European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment (hierna: CPT).
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.3.
De zitting van 26 maart 2024
De behandeling van het EAB is voortgezet op de zitting van 26 maart 2024, in aanwezigheid
van mr. G.M. Kolman, officier van justitie. De opgeëiste persoon heeft afstand gedaan van zijn recht op zitting te worden gehoord. Hij is vertegenwoordigd door zijn gemachtigd raadsman, mr. S. de Goede, advocaat in Breda.
Tussenuitspraak van 5 april 2024
De rechtbank heeft op 5 april 2024 een tussenuitspraak gewezen, waarbij het onderzoek ter zitting is heropend en voor onbepaalde tijd is geschorst om via de officier van justitie vragen te stellen aan de Poolse autoriteiten over de detentieomstandigheden. Bij tussenuitspraak is de beslistermijn op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW met 30 dagen verlengd en de gevangenhouding is ook met 30 dagen verlengd op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
Raadkamers van 17 april 2024 en 3 mei 2024
De raadkamer heeft op 17 april 2024 en op 3 mei 2024 de beslistermijn verlengd met telkens 30 dagen op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW en heeft de gevangenhouding eveneens met telkens 30 dagen verlengd op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
De zitting van 22 mei 2024
De behandeling van het EAB is voortgezet op de zitting van 22 mei 2024, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon heeft middels een schriftelijke verklaring afstand gedaan van zijn recht om bij de zitting aanwezig te zijn. Zijn gemachtigd raadsman mr. S. de Goede, advocaat in Breda, is verschenen en heeft namens hem het woord gevoerd.
De rechtbank heeft de beslistermijn verlengd met 30 dagen op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW en heeft de gevangenhouding met 30 dagen verlengd op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
2. Identiteit van de opgeëiste persoon
De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Poolse nationaliteit heeft.
3. Tussenuitspraak 7 maart 2024
De rechtbank verwijst naar haar tussenuitspraak van 7 maart 2024.4.Hierin heeft de rechtbank de grondslag van het EAB, de inhoud van het EAB en de strafbaarheid van de feiten en het aanhoudingsverzoek van de raadsman al beoordeeld. Deze overwegingen dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd.
4. Artikel 11 OLW; detentieomstandigheden (heropening)
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft betoogd dat de gegeven antwoorden niet de zorgen wegnemen die het CPT heeft geuit. Er is geen concreet antwoord gekomen op de vraag over de activiteiten buiten de cel en of dit daadwerkelijk tot vrijheden leidt. Ook is geen antwoord gekomen op de vraag of de opgeëiste persoon een persoonlijke levensruimte van niet minder dan 3 m2 heeft in een meerpersoonscel en in welk Huis van Bewaring hij wordt gedetineerd. Daarom loopt hij het risico op schending van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest). De overlevering moet daarom worden geweigerd.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat met de gegeven antwoorden van 24 april 2024 de zorgen die het CPT heeft geuit, zijn weggenomen. Daarbij heeft de officier van justitie opgemerkt dat het CPT alleen zorgen heeft geuit over het remand regime in Białystok en dat het onwaarschijnlijk is dat de opgeëiste persoon daar zal worden gedetineerd. Subsidiair heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat het individuele gevaar is weggenomen met de gegeven antwoorden.
Oordeel van de rechtbank
Zoals in de tussenuitspraak al is overwogen, heeft het CPT zorgen geuit over onder meer het aantal uur per dag dat een voorlopige gehechte op cel doorbrengt en de duur van het proces om toestemming te krijgen voor contact met de buitenwereld. Gelet op het CPT-rapport lijken deze zorgen in het gehele remand regime te bestaan en niet alleen in de door het CPT bezochte Huizen van Bewaring. Naar aanleiding hiervan zijn over deze punten van zorg vragen gesteld aan de Poolse autoriteiten.
Op 24 april 2024 heeft de Plaatsvervangend Arrondissementsofficier van Justitie van het Arrondissementsparket in Poznań de in de tussenuitspraak gestelde vragen als volgt beantwoord:
1. Voorlopig gehechte gedetineerden die verblijven in penitentiaire inrichting op het
staatsgebied van de Republiek Polen hebben gegarandeerde toegang tot georganiseerde (sociale) activiteiten, acties en gevoerde initiatieven. Systematisch worden maatregelen genomen om het aanbod van activiteiten uit te breiden, zowel voor de rechtsgeldig veroordeelden, voor gestraften alsook voor voorlopig gehechte gedetineerden. In penitentiaire inrichtingen worden reclasseringsprogramma's tot stand gebracht, die worden uitgestippeld met het oog op gemeenschappelijke behoeften en zij zijn gericht aan verschillende groepen van gedetineerden waaronder ook aan degenen die in voorarrest zitten. Het is wel van belang dat in penitentiaire inrichtingen de offerte van vrijetijdsbesteding buiten wooncellen wordt voorbereid die gericht is uitsluitend aan voorlopig gehechte gedetineerden en in het kader waarvan cultuur- en onderwijs- alsook sportevenementen worden uitgevoerd. Ook worden wedstrijden van landelijke en van internationaal reikwijdte georganiseerd en alle gedetineerden mogen deel eraan nemen.

2. De door penitentiaire inrichtingen ontworpen en uitgevoerde cultuur- en onderwijs- alsook sportactiviteiten vormen de offerte waaraan alle gedetineerden mogen participeren. Participatie aan de aangeboden offerte is vrijwillig en voorlopig gehechte gedetineerden beslissen zelfstandig erover.
1
3-5. Activiteiten die worden georganiseerd in verschillende penitentiaire inrichtingen zijn van georganiseerde en planmatige karakter, d.w.z. zij worden uitgevoerd in het kader van een weekplan inhoudende cultuur, onderwijs- en sportactiviteiten, dat wordt goedgekeurd door de directeur van de inrichting. Activiteiten worden gevoerd in sociale ruimten, sporthallen, turnzalen, sportvelden, werkplaatsen alsook in andere ruimten en zij worden uitgevoerd op tijden die vastgesteld worden met het interne reglement van een bepaalde inrichting. Het is wel opmerkenswaard dat aangezien activiteiten in penitentiaire inrichtingen van verschillend karakter zijn is het niet mogelijk te bepalen hoeveel uren buiten de cel wordt doorgebracht door een bepaalde gedetineerdengroep. Voorstellen betreffende deelneming aan verschillende activiteiten worden al in de eerste dagen van het verblijf van de gedetineerde in de inrichting ter zijn/kennis gebracht door bewakers en psychologen.
6. Tevens informeer ik dat het vraagstuk betreffende contacten van de voorlopig gehechte gedetineerde met de buitenwereld door middel van bezoeken, correspondentie en telefoongesprekken is geregeld door de Poolse wetgever in artikelen 217, 217a, 217b en 217c de wet het Uitvoerend strafwetboek.

Artikel 217 paragraaf 1 van het Uitvoerend strafwetboek houdt de bepaling in dat de autoriteit die bevoegd is om beslissing te nemen over het verlenen aan de voorlopig gehechte gedetineerde de toestemming voor het bezoek de autoriteit is ter beschikking waarvan de gedetineerde blijft. In de fase van het vooronderzoek blijft de voorlopig gehechte gedetineerde ter beschikking van de officier van justitie, op wiens voordering dit preventief middel werd toegepast. In de fase van de procedure in de rechtbank is dit de rechtbank aan welke de beschuldigingsakte of een ander document dat de beschuldigingsakte vervangt werd ingediend of wel de rechtbank die voorlopige hechtenis toepast nadat de beschuldigingsakte werd ingediend.
Wat frequentie van bezoeken betreft is hier de beschikking over toestemming voor een bezoek die wordt verleend door de autoriteit ter beschikking waarvan de voorlopig gehechte gedetineerde blijft van doorslaggevende betekenis. Wat de aantal bezoeken aan de voorlopig gehechte gedetineerde betreft is daarbij ook de regeling van belang die gevat is in paragraaf 8 van de verordening van de Minister van Justitie van 23 december 2023
betreffende organisatie- en ordinair reglement van het uitvoeren van voorlopige hechtenis. Deze wetsbepaling regelt in punten 10 en 11 van het tweede lid de dagen, tijden, plaats en wijze van bezoeken alsook de dagen, tijden en plaats van het gebruik maken van het zelf incasserend telefoontoestel. Dit betekent dat deze kwesties mogen anders geregeld worden
door directeurs van huizen van bewaring en van penitentiaire inrichtingen in verschillende
penitentiaire instellingen.
Een bezoek aan de voorlopig gehechte gedetineerde verloopt onder toezicht van de penitentiaire inrichtingswerker op de wijze waarbij het direct contact van de bezoeker met de gedetineerde niet mogelijk is. De toestemming voor het bezoek met mogelijk direct contact van de betrokkenen hangt altijd af van de beslissing van de autoriteit ter beschikking waarvan de voorlopig gehechte gedetineerde blijft. In dit geval moet de beslissing altijd genomen worden op basis van een individuele beoordeling met het oog op gezins- en familietoestand van de voorlopig gehechte gedetineerde.
Het is ook vermeldingswaardig dat artikel 217 paragraaf 1c van het Uitvoerend strafwetboek houdt de bepaling in betreffende het recht om een klacht in te dienen over de beslissing waarmee het bezoek van de naaste persoon wordt geweigerd. Dit recht oom de klacht in te dienen komt toe aan de voorlopig gehechte gedetineerde alsook aan de naaste persoon die de toestemming voor bezoek aanvraagt. De klacht over de beslissing waarmee het bezoek van de naaste persoon wordt geweigerd wordt ingediend aan de rechtbank ter beschikking waarvan de voorlopig gehechte gedetineerde blijft. De klacht over de beslissing genomen door een officier van justitie wordt behandeld door een officier van justitie van hogere instantie.
In artikel 217c van het Uitvoerend strafwetboek worden door de wetgever beginselen bepaald van het gebruikmaken door de voorlopig gehechte gedetineerde van het zelf incasserende telefoontoestel. De voorlopig gehechte gedetineerde mag in het voorarrest geen gebruik maken van andere communicatiemiddelen dan het zelf incasserende telefoontoestel. De voorwaarde om de voorlopig gehechte gedetineerde gebruik laten maken van het telefoontoestel is de toestemming van de autoriteit ter beschikking waarvan de voorlopig gehechte gedetineerde blijft, waarover sprake is in de inhoud van artikel 217c paragraaf 2 begingedeelte van het Uitvoerend strafwetboek, en indien er meer van de genoemde autoriteiten betrokken zijn dan wordt de toestemming in het regel van elke daarvan vereist. Het blijkt dus van de aangehaalde regelingen dat zonder de toestemming van de hoger genoemde autoriteit ter beschikking waarvan de voorlopig gehechte gedetineerde blijft mag hij geen gebruik maken van het zelf incasserend telefoontoestel.
Gelijk als in het geval van bezoeken mag over de beschikking van de bevoegde autoriteit betreffende weigering om gebruik te mogen maken van het zelf incasserend telefoontoestel op grond van het bepaalde in artikel 217c paragraaf 4 van het Uitvoerend
strafwetboek een klacht ingediend worden aan de rechtbank ter beschikking waarvan de voorlopig gehechte gedetineerde blijft en de klacht over de beslissing genomen door een officier van justitie wordt behandeld door een officier van justitie van hogere instantie.
7. Momenteel is het Bureau van de registers van het Centrale Directie van Gevangenisdienst niet in staat om de vraag te beantwoorden betreffende de verblijfplaats van de gezochte persoon na de overlevering. dit hangt ongetwijfeld af van het vervoermiddel waarmee de met het Europees aanhoudingsbevel gezochte persoon vervoerd zal worden. Indien de voorlopig gehechte gedetineerde zal vervoerd worden bij voorbeeld met het luchttransport en overgeleverd worden aan de Poolse partij op de vluchthaven Okęcie te Warschau, dan zal hij zonder twijfel in het beginfase van zijn verblijf in Polen ondergebracht worden in een huis van bewaring in de hoofdstad Warschau en vervolgens zal hij overgebracht worden naar een andere plaats in overeenstemming met het regionaliseringsprincipe. Indien hij ter beschikking zal blijven van het Arrondissementsparket Poznan dan zal hij zeker vastgezet worden in het huis van bewaring te Poznan.
8. Wat betreft vraag 8 is het niet mogelijk om precies erop te beantwoorden. Overeenkomstig het Pools recht mag de voorlopig gehechte gedetineerde opgesloten worden - op grond van artikel 110 in samenhang met artikel 209 van het Uitvoerend strafwetboek - in een cel voor meer personen of in een cel voor één persoon, rekening houdend daarbij met de omstandigheden die invloed hébben op het plaatsen van de voorlopig gehechte
gedetineerde (adviezen van artsen, van psychologen, de noodzakelijkheid om veiligheid te garanderen, om juiste sfeer te stimuleren). De oppervlakte van een wooncel per één voorlopig gehechte gedetineerde is 3 vierkante meter. Cellen worden uitgerust met meubilair waarin een aparte slaapplaats wordt gegarandeerd voor de veroordeelde. In de cel wordt voldaan aan noodzakelijke hygiëne voorwaarden; noodzakelijke luchttoegang en de temperatuur adequaat tot de jaartijd alsook de verlichting overeenkomstig de normen vastgesteld voor woonruimtes worden verzekerd.
Met het oog erop om de opvangcapaciteit van de penitentiaire inrichting te bepalen worden door de gevangenisdienst metingen en berekeningen gedaan van de oppervlakte van ruimtes in gebouwen waarin de gevangenen worden ondergebracht. De metingen worden gedaan overeenkomstig de Poolse Norm PN-1SO 9836 "Gebruikseigenschappen in het bouwwezen - het bepalen en berekenen van oppervlakte- en volume indicatoren". In de oppervlakte van de woonruimte die wordt bedoeld in artikel 110 paragraf 2 eerste zin van het Uitvoerend strafwetboek wordt de oppervlakte van een vensterniche en van radiatorniche niet inbegrepen evenmin de oppervlakte buiten de binnenste tralies en afgezonderde sanitaire hoeken.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn de antwoorden van de Poolse autoriteiten op de gestelde vragen niet afdoende om de eerder geuite zorgen over het aantal uur per dag op cel en het contact met de buitenwereld in combinatie met de daaraan voorafgaande toestemmingsprocedure en de duur daarvan, zoals van toepassing in het remand regime, weg te nemen. Daarbij blijkt uit de antwoorden ook niet hoeveel m2 levensruimte (exclusief sanitair) een voorlopig gehechte in een meerpersoonscel heeft.
Gelet op de hiervoor genoemde punten van zorg die zoals gezegd voor het gehele remand regime gelden, de reactie die de Poolse autoriteiten gegeven hebben op de bevindingen in het CPT-rapport en het feit dat de voormelde zorgen met de gegeven antwoorden niet zijn weggenomen, concludeert de rechtbank dat sprake is van een algemeen reëel gevaar van schending van de grondrechten van gedetineerden die in het remand regime in Polen terechtkomen.
De vaststelling van een algemeen reëel gevaar voor schending van de grondrechten voor gedetineerden die terecht komen in het remand regime, kan op zichzelf niet tot weigering van de overlevering leiden. Het enkele bestaan van gegevens die duiden op gebreken in dit regime, impliceert immers niet noodzakelijkerwijs dat, in een concreet geval, de grondrechten van de opgeëiste persoon bij overlevering zullen worden geschonden.
Teneinde te verzekeren dat de grondrechten in het concrete geval worden geëerbiedigd, is de rechtbank dan ook verplicht om vervolgens na te gaan of er, in de omstandigheden van het geval, gronden bestaan om aan te nemen dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering aan Polen een reëel gevaar zal lopen van schending van zijn grondrechten gezien de omstandigheden in remand regime van de uitvaardigende lidstaat waar hij zal worden gedetineerd.
In het kader van dat nadere onderzoek zal de rechtbank het onderzoek heropenen en de officier van justitie verzoeken om de uitvaardigende justitiële autoriteit de vraag te laten beantwoorden of, indachtig de hiervoor geschetste omstandigheden op grond waarvan een algemeen gevaar voor het remand regime is aangenomen, dit gevaar – al dan niet met een individuele detentiegarantie - voor de opgeëiste persoon kan worden weggenomen. Voor zover de uitvaardigende justitiële autoriteit meent dat het algemeen gevaar voor de opgeëiste persoon binnen het remand regime kan worden weggenomen, dan wenst de rechtbank in het bijzonder het volgende over het Huis van Bewaring, waar de opgeëiste persoon naar alle waarschijnlijkheid zal worden gedetineerd, te vernemen:
1) Kan de opgeëiste persoon deelnemen aan activiteiten in het Huis van Bewaring?
2) Zo ja, hoeveel uur per dag zou hij dan minimaal buiten zijn cel verblijven?
3) Geldt voor de opgeëiste persoon dat hij, indien hij contact met de buitenwereld wil hebben door gebruik van de telefoon en het ontvangen van bezoek, daaraan voorafgaand altijd toestemming zal moeten vragen?
4) Zo ja, hoe lang duurt de procedure (inclusief het rechtsmiddel) om toestemming te krijgen voor het gebruik van de telefoon en het ontvangen van bezoek?
5) Hoeveel vierkante meter persoonlijke ruimte (exclusief sanitair) heeft de opgeëiste persoon in een meerpersoonscel?
De rechtbank wijst erop dat de uitvaardigende justitiële autoriteit voor de beantwoording van boven gestelde vragen - zo nodig - bijstand kan verzoeken aan de centrale autoriteit of een van de centrale autoriteiten van Polen, in de zin van artikel 7 van het Kaderbesluit.5.
5. Beslissing
HEROPENT het onderzoek ter zitting onder gelijktijdige schorsing voor onbepaalde tijd,
teneinde de officier van justitie de hiervoor onder punt 4 opgenomen vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit ;
VERLENGT op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW de termijn waarbinnen de rechtbank op grond van de OLW uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd;
VERLENGT op grond van artikel 27, derde lid, OLW de gevangenhouding van de opgeëiste
persoon met 30 dagen;
BEPAALT dat de vordering opnieuw op zitting (of raadkamer) moet worden gepland uiterlijk 14 dagen voor 1 augustus 2024, het einde van de verlengde beslistermijn;
BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving aan zijn raadsman en van een tolk in de Poolse taal.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M.C.M. Hamer, voorzitter,
mrs. A.J.R.M. Vermolen en E. Biçer, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. C.W. van der Hoek, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 5 juni 2024.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 05‑06‑2024
Zie artikel 23 Overleveringswet.
ECLI:NML:RBAMS:2024:1250.
Hof van Justitie van de Europese Unie, 5 april 2016, C-404/15 en C-659/15 PPU, ECLI:EU:C:2016:198 (Aranyosi en Căldăraru), punt 97.
Uitspraak 05‑04‑2024
Inhoudsindicatie
Overlevering. Vervolgings-EAB Polen. Tussenuitspraak. Artikel 11 OLW. Gelet op bevindingen in het CPT-rapport ziet de rechtbank aanleiding het onderzoek te heropenen om aanvullende vragen te stellen, ter beoordeling van de vraag of sprake is van algemeen reëel gevaar voor schending van grondrechten.
Partij(en)
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/007225-24
Datum uitspraak: 5 april 2024
TUSSENUITSPRAAK
op de vordering van 10 januari 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).1.
Dit EAB is uitgevaardigd op 24 mei 2023 door the County Court in Poznań (Polen, hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1991.
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [plaats detentie] .
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1. Procesgang
De zitting van 22 februari 2024
De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 22 februari 2024, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon heeft afstand
gedaan van zijn recht op zitting te worden gehoord. Hij is vertegenwoordigd door zijn
gemachtigd raadsman, mr. S. de Goede, advocaat in Breda.
De tussenuitspraak van 7 maart 2024
De rechtbank heeft op 7 maart 2024 een tussenuitspraak gewezen.2.Daarin is het onderzoek heropend om de raadsman en de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om zich op een volgende zitting uit te laten over het CPT-rapport.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.3.
De zitting van 26 maart 2024
De behandeling van het EAB is voortgezet op de zitting van 26 maart 2024, in aanwezigheid van mr. G.M. Kolman, officier van justitie. De opgeëiste persoon heeft afstand
gedaan van zijn recht op zitting te worden gehoord. Hij is vertegenwoordigd door zijn
gemachtigd raadsman, mr. S. de Goede, advocaat in Breda.
2. Identiteit van de opgeëiste persoon
De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Poolse nationaliteit heeft.
3. De tussenuitspraak van 7 maart 2024
De rechtbank verwijst naar haar tussenuitspraak van 7 maart 2024. Hierin heeft de rechtbank de grondslag van het EAB, de inhoud van het EAB en de strafbaarheid van de feiten al beoordeeld. Deze overwegingen dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd.
4. Artikel 11 OLW: detentieomstandigheden
De rechtbank verwijst in dit kader allereerst naar haar overwegingen onder punt 6 van de tussenuitspraak van 7 maart 2024; ook deze overwegingen dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd.
4.1
Standpunten van de officier van justitie en de raadsman
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat het rapport van de European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment (CPT) ziet op één remand prison. Daarom is dit rapport niet representatief voor de algehele situatie in Polen en onvoldoende om een algemeen gevaar voor voorlopig gedetineerden in Polen te kunnen aannemen. Subsidiair heeft zij zich op het standpunt gesteld dat indien de rechtbank wel een algemeen gevaar aanneemt, het Openbaar Ministerie in de gelegenheid dient te worden gesteld om aanvullende vragen voor te leggen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit. Ten aanzien van het punt van de medische zorg geldt dat de situatie van de opgeëiste persoon verschilt van de situatie zoals beschreven in het rapport, omdat de opgeëiste persoon al tijdens de overleveringsdetentie minimaal één keer medisch is onderzocht. Daarom hoeven ten aanzien van de medische zorg geen aanvullende vragen te worden gesteld.
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft betoogd dat gelet op de bevindingen in het CPT-rapport een algemeen gevaar dient te worden aangenomen voor schending van één of meer grondrechten. Daartoe heeft hij aangevoerd dat zorgen bestaan omtrent het contact met de buitenwereld en de advocaat, de medische zorg en het 23 uur per dag op cel doorbrengen. Daarover dienen aanvullende garanties te worden verstrekt door de Poolse autoriteiten.
4.2
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft kennis genomen van de zorgen die in het CPT-rapport van 22 februari 2024 worden geuit met betrekking tot de detentieomstandigheden van voorlopig gedetineerden. Verder heeft de rechtbank kennis genomen van de reactie van 22 februari 2024 van de Poolse autoriteiten daarop. Gelet op de bevindingen uit het CPT-rapport ziet de rechtbank aanleiding om aanvullende vragen te stellen, ter beoordeling van de vraag of sprake is van algemeen reëel gevaar voor schending van grondrechten.4.Nu het aan de rechtbank, als uitvoerende rechterlijke autoriteit, is deze beoordeling uit te voeren, zal de rechtbank zelf de vragen formuleren en ligt het dus niet voor de hand het Openbaar Ministerie, als verzocht, daartoe de gelegenheid te bieden.
De zorgen van het CPT zien in de hoofdlijnen op de hieronder genoemde vier punten. De rechtbank zal dit hieronder per onderdeel nader toelichten.
De medische zorg
De rechtbank is van oordeel dat op basis van hetgeen in het CPT-rapport is gerapporteerd met betrekking tot de medische zorg in remand prisons geen aanleiding bestaat om te vrezen voor een schending van één of meer grondrechten ten aanzien van de categorie van gedetineerden die door Nederland aan Polen zijn overgeleverd ter fine van vervolging. Voor zover deze zorgen zien op de medische check die bij binnenkomst wordt uitgevoerd, geldt namelijk dat die situatie niet van toepassing is op door Nederland overgeleverde personen, reeds omdat ten aanzien van hen een medische controle plaatsvindt voorafgaand aan de feitelijke overlevering. De rechtbank volgt hierin het standpunt van de officier van justitie en ziet geen aanleiding om over dit onderdeel aanvullende vragen te stellen.
Het contact met de advocaat
De rechtbank stelt vast dat uit het CPT-rapport blijkt dat het in de praktijk soms onmogelijk blijkt voor een remand prisoner om contact te hebben met zijn advocaat. Uit de reactie van de Poolse autoriteiten komt echter naar voren dat na het bezoek van het CPT de regelgeving zodanig is aangepast dat het uitgangspunt inmiddels is dat gedetineerden toestemming krijgen voor meerdere telefonische contacten met de advocaat. Die toestemming blijft van kracht. Alleen indien de redelijke vrees bestaat dat het contact wordt gebruikt voor “unlawful obstruction of the proceedings” of het plegen van een strafbaar feit, wordt de toestemming ingetrokken. Gelet op het vorenstaande gaat de rechtbank ervan uit dat de situatie waarover is gerapporteerd inmiddels niet meer actueel is. De rechtbank zal ook over dit onderdeel geen aanvullende vragen stellen.
23 uur per dag op cel zitten
Uit het CPT-rapport blijkt onder andere:
“Further, the Committee regrets to note that the regime for remand prisoners has remained extremely impoverished despite the CPT’s repeated recommendations on the subject. Indeed, the vast majority of remand prisoners still spent days and months on end in a state of idleness, with no meaningful activities, locked up in their cells for up to 23 hours per day.”
De rechtbank heeft kennis genomen van de reactie van de Poolse autoriteiten hierop. In de reactie stellen de Poolse autoriteiten het volgende voorop:
“Being outside of the living cell, participating in activities and organized recreation are
important factors in the prevention of the negative effects of isolation in a prison. It must
be emphasized, however, that pretrial detention, due to its purpose, involves the necessity of rigorous isolation, the hardship of which is difficult to eliminate.”
Vervolgens wordt in de reactie een overzicht gegeven van activiteiten die zowel voor voorlopig gedetineerden als voor gedetineerden die een straf uitzitten worden aangeboden. Dit geeft de rechtbank aanleiding om de hieronder te noemen vragen te stellen.
Het contact met de buitenwereld
Uit het CPT-rapport komt naar voren dat voor ieder telefonisch contact of fysiek bezoek toestemming aan een rechter of officier van justitie dient te worden gevraagd en dat er lange tijd overheen kan gaan voordat daar een beslissing op wordt genomen. Uit de reactie van de Poolse autoriteiten blijkt dat het mogelijk is dat toestemming wordt gegeven voor meerdere telefonische contacten en bezoeken. Ook met betrekking tot het contact met de buitenwereld ziet de rechtbank aanleiding om aanvullende vragen te stellen.
De rechtbank zal het onderzoek heropenen om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de volgende vragen voor te leggen aan de Poolse autoriteiten:
- Geldt ten aanzien van de out-of-cell activiteiten die worden genoemd in de reactie van de Poolse autoriteiten van 22 februari 2024 dat die allemaal beschikbaar zijn voor voorlopig gedetineerden? Zo niet, welke out-of-cell activiteiten zijn wél beschikbaar voor voorlopig gedetineerden?
- Mogen alle voorlopig gedetineerden deelnemen aan deze activiteiten, behoudens de situatie dat een beslissing tot (contact)beperking is opgelegd?
- Als het zo is dat voorlopig gedetineerden gebruik kunnen maken van de aangeboden activiteiten of anderszins buiten de cel mogen verblijven (bijvoorbeeld in een gemeenschappelijke ruimte), hoeveel uur per dag kunnen zij buiten hun cel doorbrengen?
- Maakt het voor de beantwoording van de bovenstaande vragen uit in welk huis van bewaring de voorlopig gedetineerde is geplaatst? Zo ja, kunt u uitleggen hoe dit per huis van bewaring verschilt?
- Kunt u omschrijven welke de procedure moet worden gevolgd om toestemming te vragen?
- Hoe lang duurt het voordat daar een beslissing op is genomen?
- Is de bevinding van het CPT, dat dit er voor voorlopig gedetineerden in de praktijk toe leidt dat zij slechts één keer per maand bezoek kunnen ontvangen voor maximaal 1 uur, nog steeds actueel? Zo ja, geldt dit alleen voor de bezochte remand prison of geldt dit ook voor andere huizen van bewaring?
- In welk huis van bewaring zal de opgeëiste persoon naar alle waarschijnlijkheid worden geplaatst?5.
- Hoeveel persoonlijke ruimte (in een meerpersoonscel) staat hem daar ter beschikking, waarbij de ruimte die in beslag wordt genomen door de sanitaire infrastructuur niet mag worden meegenomen?6.?
5. Beslissing
VERLENGT op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW de termijn waarbinnen zij op grond van het eerste lid van dit artikel uitspraak moet doen met dertig dagen omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen;
VERLENGT op grond van artikel 27, derde lid, OLW de gevangenhouding van de opgeëiste persoon met 30 (dertig) dagen;
HEROPENT en SCHORST het onderzoek voor onbepaalde tijd – met dien verstande dat de zaak uiterlijk 14 dagen voor 5 mei 2024 ( het verstrijken van de beslistermijn) weer op zitting moet worden aangebracht – teneinde de officier van justitie in gelegenheid te stellen de hiervoor onder 4.2 genoemde vragen voor te leggen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit;
BEVEELT DE OPROEPING van de opgeëiste persoon en zijn raadsman tegen een nader te bepalen datum en tijdstip.
BEVEELT de oproeping van een tolk in de Poolse taal tegen een nader te bepalen datum en tijdstip.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter,
mrs. A.S. Dogan en E. Biçer, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.D. Dijkstra, griffier
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 5 april 2024.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 05‑04‑2024
Zie artikel 23 Overleveringswet.
ECLI:NML:RBAMS:2024:1250.
Vergelijk Hof van Justitie van de Europese Unie 21 december 2023, C‑261/22 (G.N.), ECLI:EU:C:2023:1017.
Vergelijk HvJ EU, 25 juli 2018, C‑220/18 PPU (ML), ECLI:EU:C:2018:589
HvJ EU, 15 oktober 2019, C128/18 (Dorobantu), ECLI:EU:C:2019:857
Uitspraak 07‑03‑2024
Inhoudsindicatie
Vervolgings-EAB Polen. De rechtbank heropent het onderzoek om het nieuwe CPT-rapport, dat nog niet op zitting is besproken, op een volgende zitting te bespreken.
Partij(en)
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/007225-24
Datum uitspraak: 7 maart 2024
TUSSEN
UITSPRAAK
op de vordering van 10 januari 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).1.
Dit EAB is uitgevaardigd op 24 mei 2023 door the County Court in Poznan (Polen, hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1991,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in [naam PI] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1. Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 22 februari 2024, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon heeft afstand gedaan van zijn recht op zitting te worden gehoord. Hij is vertegenwoordigd door zijn gemachtigd raadsman, mr. S. de Goede, advocaat in Breda.
2. Identiteit van de opgeëiste persoon
De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Poolse nationaliteit heeft.
3. Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een aanhoudingsbevel van the District Court Poznan-Stare Miasto in Poznan van 13 december 2022 (dossiernummer: VIII Kp 972/22).
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Pools recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB.2.
4. Strafbaarheid; feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, wanneer – kort gezegd - voldaan is aan het vereiste dat op het feit naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld en dat het feit ook naar Nederlands recht strafbaar is.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, terwijl dat geweld de dood ten gevolge heeft.
5. Afwijzing verzoek om aanhouding van de raadsman
De raadsman heeft naar voren gebracht dat de opgeëiste persoon heeft verklaard dat zijn enige rol bij de geweldpleging die aan het EAB ten grondslag ligt, is dat hij één van de gewonden naar het ziekenhuis heeft gebracht. Verder heeft de raadsman aangevoerd dat hij van de Poolse advocaat van de opgeëiste persoon heeft vernomen dat de Poolse justitiële autoriteiten de opgeëiste persoon willen horen als getuige. Gelet hierop heeft de raadsman om aanhouding verzocht om de uitvaardigende justitiële autoriteit te vragen of de overlevering van de opgeëiste persoon wordt gevraagd om hem te vervolgen als verdachte of dat de Poolse justitiële autoriteiten hem slechts willen horen als getuige.
De officier van justitie vindt dat het verzoek om aanhouding van de raadsman moet worden afgewezen, omdat het onvoldoende is onderbouwd.
De rechtbank wijst het verzoek om aanhouding van de raadsman af en motiveert dit als volgt.
De Poolse justitiële autoriteiten hebben in 2022 een nationaal aanhoudingsbevel en in 2023 een EAB tegen de opgeëiste persoon uitgevaardigd. Het nationale aanhoudingsbevel strekt ertoe de opgeëiste persoon voor een periode van 3 maanden in voorlopige hechtenis te nemen in Polen, zoals blijkt uit de tekst zoals die in het EAB onder B. opgenomen is. Het EAB strekt ertoe het nationale aanhoudingsbevel uit te voeren en de opgeëiste persoon te vervolgen. Daarbij volgt uit onderdeel e) van het EAB dat tegen de opgeëiste persoon de verdenking bestaat dat hij als medepleger betrokken is bij geweldpleging op 24 november 2021. Wat de raadsman heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding om te onderzoeken of deze verdenking tegen de opgeëiste persoon nog steeds bestaat. De door hem aangehaalde verklaring van verdachte is niet onderbouwd. Deze verklaring zal in het licht van het strafdossier in de Poolse strafzaak moeten worden beoordeeld. Verder heeft de raadsman zijn contact met de Poolse advocaat van de opgeëiste persoon evenmin met stukken, zoals bijvoorbeeld een uitdraai van een e-mail, onderbouwd. De rechtbank heeft dus geen enkel concreet aanknopingspunt om eraan te twijfelen of de Poolse justitiële autoriteiten de opgeëiste persoon nog steeds willen vervolgen voor de in het EAB omschreven verdenking. Nader onderzoek op dat punt, zoals gewenst door de raadsman, is dus niet aan de orde.
6. Artikel 11 OLW; detentieomstandigheden
Op 22 februari 2024 heeft de Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment (CPT) een rapport gepubliceerd over de detentieomstandigheden in Poolse detentie-instellingen naar aanleiding van een bezoek aan Polen in de periode van 21 maart 2022 tot 1 april 2022. Daarbij is ook de reactie van de Poolse regering gepubliceerd.
De rechtbank heeft van dit rapport en de reactie van de Poolse regering kennis genomen in raadkamer, in het bijzonder van wat is vermeld over de detentie-omstandigheden voor voorlopig gedetineerden in Polen. Aan het verzoek tot overlevering van de opgeëiste persoon ligt immers een aanhoudingsbevel ten grondslag op basis waarvan de opgeëiste persoon tijdens zijn vervolging in Polen voorlopig zou worden gedetineerd. Nu het rapport niet op zitting is besproken ziet de rechtbank aanleiding het onderzoek te heropenen om de raadsman en de officier van justitie in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over het rapport in relatie tot het verzoek om overlevering van de opgeëiste persoon.
7. Beslissing
HEROPENT het onderzoek ter zitting onder gelijktijdige schorsing voor onbepaalde tijd, teneinde de raadsman en de officier van justitie in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over het hiervoor genoemde CPT rapport;
VERLENGT de termijn waarbinnen de rechtbank op grond van de Overleveringswet uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.3.
BEPAALT dat de vordering opnieuw op zitting moet worden gepland uiterlijk 14 dagen voor 7 april 2024, het einde van de verlengde beslistermijn.
BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon en zijn raadsman tegen het hiervoor bedoelde tijdstip;
BEVEELT de oproeping van een tolk in de Poolse taal tegen het hiervoor bedoelde tijdstip.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter,
mrs. W.M.C. van den Berg en B.M. Vroom-Cramer, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. R.R. Eijsten, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 7 maart 2024.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.