Nemo tenetur in belastingzaken
Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/20.16:20.16 Geen doorwerking nemo tenetur in de heffingssfeer
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/20.16
20.16 Geen doorwerking nemo tenetur in de heffingssfeer
Documentgegevens:
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS495826:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de hoofdstukken 16 tot en met 18 stond centraal de erkenning c.q. doorwerking van het recht tegen gedwongen zelfbelasting in Nederlandse punitieve belastingzaken. Dat de medewerking onder sanctiedreiging in de fiscale sanctiesfeer dwang tot zelfbelasting kan oproepen, is buiten twijfel. Het boete- en strafvorderlijk onderzoek in belastingzaken zijn immers gericht op de vaststelling of een beboetbare of strafbare overtreding van een fiscaal voorschrift is begaan en – voor zover hiervan te onderscheiden – de vergaring van het voor boete- of strafoplegging benodigde bewijs. Voor de heffingssfeer krijgt nemo tenetur pas betekenis, wanneer de aangifteplicht en/of bijkomende (informatie)verplichtingen samenlopen met (dreigende) boete- of strafoplegging. Wanneer de te verstrekken informatie (mede) kan dienen als bewijs voor de boete- of strafoplegging, dan is sprake van gedwongen zelfbelasting in de heffingssfeer; weliswaar op grond van bestuurlijke verplichtingen, maar in een repressieve, strafachtige context.
In hoofdstuk 16 stond de doorwerking of althans de betekenis van nemo tenetur voor de fiscale heffingssfeer centraal. Meer precies heb ik daarin onderzocht of, en zo ja in hoeverre en op welke wijze het recht tegen gedwongen zelfbelasting in de nationale uitleg en toepassing doorwerkt in de aangifte- en/of toezichtssfeer, wanneer burgers door belastingaangifte te doen of door mee te werken aan het toezichtsonderzoek, zichzelf kunnen belasten. Omdat voorschriften ter zake ontbreken, zal de belastingrechter zich over genoemde betekenis moeten uitlaten. Hetzelfde is te zeggen over de civiele kortgedingrechter in zaken over de (nakoming van) de informatieverplichtingen.
Uit de rechtspraak van de belastingkamer van de HR volgt dat het recht tegen gedwongen zelfbelasting de inlichtingenplicht in art. 47, lid 1, onder a AWR voor heffingsdoeleinden niet aantast zolang de gevorderde inlichtingen een heffingsbelang vertegenwoordigen. Dat de te verstrekken inlichtingen de meewerkplichtige kunnen belasten in een lopende of aanstaande boete- of strafprocedure vanwege de overtreding van een fiscaal voorschrift, doet hier niet aan af. Deze opvatting stelt zeker dat malafide belastingplichtigen niet beter af zijn dan bonafide belastingplichtigen. Hierop sluit aan de beperking van het boeterechtelijk zwijgrecht in art. 5:10a Awb tot zuivere schuldvragen.
De civiele kamer van de HR volgt de belastingkamer in haar opvatting dat het recht tegen gedwongen zelfbelasting respectievelijk het nemo tenetur-beginsel niet doorwerkt – dus non-existent is – in de heffingssfeer.
De zaken J.B., Shannon en Marttinen, waarin het Hof een zwijgrecht aanneemt voor ‘gemengde’ vragen (=h effings- en sanctiebelang), hebben geen verandering gebracht in de opvatting van de belastingkamer van de HR dat de eventuele spanning tussen kortweg spreekplicht en zwijgrecht, moet worden opgelost in de sanctiesfeer. Enkel in die sfeer vindt de toetsing van een opgelegde boete of straf aan art. 6 EVRM plaats.
De civiele kamer van de HR heeft inmiddels bepaald dat de Staat informatie op straffe van verbeurte van een dwangsom mag vorderen. Voor zover het informatieverzoek betrekking heeft op materiaal waarvan het bestaan wilsafhankelijk is, moet dat materiaal worden verstrekt met de beperking dat de inspecteur dat slechts zal gebruiken voor de belastingheffing. Zou dit materiaal toch voor punitieve doeleinden worden gebruikt, dan dient de belastingrechter of de strafrechter te bepalen welk gevolg aan dat gebruik moet worden verbonden. Dan ligt bewijsuitsluiting voor de hand.
Dat de HR het recht tegen gedwongen zelfbelasting in de heffingssfeer niet het karakter van weigeringsgrond voor medewerking toekent, brengt nog niet met zich mee dat deze uitleg in strijd is met de rechtspraak van het EHRM. De minimumeisen die het Hof stelt aan het recht tegen gedwongen zelfbelasting kunnen ook worden gewaarborgd door (bij voorbaat gewaarborgde bewijsuitsluiting) in de sanctiesfeer en andere waarborgen die (mogelijk) uitdrukking geven aan het nemo tenetur-beginsel dan wel rechtstreeks bijdragen aan de realisatie ervan in de fiscale sanctiesfeer.