Uit de betekeningsstukken die aan de Hoge Raad zijn toegezonden blijkt dat de dagvaarding voor de behandeling van de zaak in hoger beroep op 9 februari 2024 is uitgereikt aan het openbaar ministerie, met verzending van een afschrift daarvan naar het adres van de verdachte (de verdachte had blijkens een Informatiestaat SKDB-persoon van 13 februari 2024 vanaf 31 maart 2023 een BRP-adres). Op 12 februari 2024 is (alsnog) een poging gedaan om de dagvaarding uit te reiken aan de verdachte (op zijn BRP-adres). Ik merk op dat tussen de dag waarop de dagvaarding aan de verdachte is betekend en de dag van de terechtzitting niet de wettelijke termijn van tien dagen is verlopen (art. 413 Sv).
HR, 24-03-2026, nr. 24/01563
ECLI:NL:HR:2026:484
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
24-03-2026
- Zaaknummer
24/01563
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2026:484, Uitspraak, Hoge Raad, 24‑03‑2026; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2026:71
ECLI:NL:PHR:2026:71, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 13‑01‑2026
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2026:484
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2026-0107
Uitspraak 24‑03‑2026
Inhoudsindicatie
Mishandeling, meermalen gepleegd (art. 300.1 Sr), wederspannigheid (art. 180 Sr) en huisvredebreuk (art. 138.1 Sr). 1. Ontvankelijkheid cassatieberoep, art. 432.1.c Sv. Kan uit mededeling van niet gemachtigde raadsvrouw worden afgeleid dat verdachte met dag van tz. in hoger beroep tevoren bekend was? 2. Ontbrekende bewijsmiddelen, art. 359.3 en 359.8 Sv. Ad 1. In art. 432.1.c Sv is bepaald dat cassatieberoep moet worden ingesteld binnen 14 dagen na einduitspraak als zich omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat dag van (nadere) tz. de verdachte tevoren bekend was. In art. 432.2 Sv is bepaald dat cassatieberoep moet worden ingesteld binnen 14 dagen nadat zich omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat uitspraak de verdachte bekend is. Uit f&o zoals weergegeven in CAG kan niet z.m. worden afgeleid dat verdachte met dag van tz. in h.b. tevoren bekend was. Enkele mededeling van niet-gemachtigde raadsvrouw ttz. in h.b. dat zij met vriendin van verdachte contact heeft gehad over zittingsdatum en op grond daarvan ervan is uitgegaan dat verdachte op de hoogte is gesteld van zittingsdatum, is daarvoor niet toereikend. Cassatieberoep is ingesteld op 19-4-2024. Omdat ook niet blijkt dat zich andere omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat verdachte meer dan 14 dagen voor die datum bekend was met einduitspraak van 1-3-2024 zal HR het cassatieberoep in behandeling nemen. Ad. 2. Bij stukken bevindt zich uitspraak van hof die niet b.m. bevat. Verder bevindt zich bij stukken niet aanvulling a.b.i. art. 365a.2 Sv met daarin b.m. die zijn gebruikt. Raadsman heeft o.g.v. art. 4.3.6.3 Procesreglement HR verzocht om toezending van die aanvulling. Hof heeft aan HR bericht dat zo’n aanvulling niet is opgemaakt. O.g.v. art. 359.3 en 358.8 Sv moet uitspraak op straffe van nietigheid b.m. bevatten die f&o inhouden die redengevend zijn voor bewezenverklaring dan wel (v.zv. art. 359.3 Sv dat toestaat) opgave van b.m. ’s Hofs uitspraak voldoet niet aan dit vereiste en kan daarom niet in stand blijven. Volgt vernietiging en terugwijzing.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/01563
Datum 24 maart 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 1 maart 2024, nummer 21-003726-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.I. Takens en T.P.A.M. Wouters bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal V.M.A. Sinnige heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
2.1
In artikel 432 lid 1, aanhef en onder c, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) is bepaald dat het cassatieberoep moet worden ingesteld binnen veertien dagen na de einduitspraak als zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting of van de nadere terechtzitting de verdachte tevoren bekend was. In artikel 432 lid 2 Sv is bepaald dat het cassatieberoep moet worden ingesteld binnen veertien dagen nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de uitspraak de verdachte bekend is.
2.2
Uit de feiten en omstandigheden zoals die zijn weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 2.1 en 2.2, kan niet zonder meer worden afgeleid dat de verdachte met de dag van de terechtzitting van het hof van 16 februari 2024 tevoren bekend was. De enkele mededeling van de niet-gemachtigde raadsvrouw op de terechtzitting van het hof dat zij met de vriendin van de verdachte contact heeft gehad over de zittingsdatum en op grond daarvan ervan is uitgegaan dat de verdachte op de hoogte is gesteld van de zittingsdatum, is daarvoor niet toereikend. Het cassatieberoep is ingesteld op 19 april 2024. Omdat ook niet blijkt dat zich een andere omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de verdachte meer dan veertien dagen voor die datum bekend was met de einduitspraak van 1 maart 2024 zal de Hoge Raad het cassatieberoep in behandeling nemen.
3. Beoordeling van het cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat het hof zijn verkorte uitspraak niet heeft aangevuld met de bewijsmiddelen die het hof heeft gebruikt.
3.2
Bij de stukken die aan de Hoge Raad zijn gezonden, bevindt zich een uitspraak van het hof die niet de bewijsmiddelen bevat. Verder bevindt zich bij die stukken niet een aanvulling als bedoeld in artikel 365a lid 2 Sv met daarin de bewijsmiddelen die zijn gebruikt.
3.3
De raadsman van de verdachte heeft op grond van artikel 4.3.6.3 van het Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden verzocht om toezending van die aanvulling. Daarnaar gevraagd, heeft het hof aan de Hoge Raad bericht dat zo’n aanvulling niet is opgemaakt.
3.4
Op grond van artikel 359 lid 3 en 8 Sv moet een uitspraak op straffe van nietigheid de bewijsmiddelen bevatten die de feiten en omstandigheden inhouden die redengevend zijn voor de bewezenverklaring, dan wel – voor zover artikel 359 lid 3 Sv dat toestaat – een opgave van bewijsmiddelen. De uitspraak van het hof voldoet niet aan dit vereiste en kan daarom niet in stand blijven.
3.5
Het cassatiemiddel is terecht voorgesteld.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren C. Caminada en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 maart 2026.
Conclusie 13‑01‑2026
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Ontvankelijkheid cassatieberoep. Het middel klaagt dat de uitspraak van het hof i.s.m. art. 359 lid 3 en lid 8 Sv niet de inhoud van de bewijsmiddelen bevat, en dat het hof zijn verkorte arrest evenmin met deze bewijsmiddelen heeft aangevuld. De raadsman van de verdachte heeft overeenkomstig het Procesreglement HR tijdig verzocht om alsnog in het bezit te worden gesteld van een afschrift van de aanvulling op het verkorte arrest a.b.i. art. 365a lid 2 jo. art. 415 Sv. De griffier van het hof heeft de Hoge Raad bericht dat zo’n aanvulling niet is opgemaakt. Het middel is terecht voorgesteld. De conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/01563
Zitting 13 januari 2026
CONCLUSIE
V.M.A. Sinnige
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997,
hierna: de verdachte
1. Inleiding
1.1
De verdachte is bij arrest van 1 maart 2024 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle (parketnr. 21-003726-21) wegens 1. “mishandeling, meermalen gepleegd”, 2. “wederspannigheid” en 3. “in de woning bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie weken, met aftrek overeenkomstig art. 27 Sr. Het hof heeft daarnaast de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering tot schadevergoeding en de tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van twee weken bevolen.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. R.I. Takens en T.P.A.M. Wouters, beiden advocaat in Amsterdam, hebben één middel van cassatie voorgesteld.
1.3
Op het moment van schrijven van deze conclusie is de termijn die aan de benadeelde partij is verleend om een schriftuur in te dienen nog niet verstreken. Indien de benadeelde partij alsnog een schriftuur indient, acht ik het nodig om aanvullend te concluderen.
2. De ontvankelijkheid van het cassatieberoep
2.1
Voordat ik toekom aan de bespreking van het middel stel ik de ontvankelijkheid van het cassatieberoep aan de orde. Het hof Arnhem-Leeuwarden heeft in de onderhavige zaak einduitspraak gedaan op 1 maart 2024. Namens de verdachte is op 19 april 2024 – dus meer dan veertien dagen na de einduitspraak – cassatieberoep ingesteld. Voor de beoordeling van de ontvankelijkheid van het cassatieberoep (ex art. 432 Sv) zijn de volgende omstandigheden van belang:(i) De dagvaarding voor de terechtzitting in hoger beroep van 16 februari 2024 is niet in persoon aan de verdachte betekend.1.(ii) Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 16 februari 2024 blijkt dat de verdachte niet is verschenen. Wel aanwezig is de raadsvrouw van de verdachte, die verklaart niet door de verdachte te zijn gemachtigd om de verdediging te voeren. Over haar contact met de verdachte brengt zij naar voren:
“Mijn cliënt heeft een inschrijfadres voor de gemeente. Hij heeft verder geen bekende woon- of verblijfplaats. Ik heb contact met mijn cliënt gehad via zijn vriendin. Ik heb gezegd dat er vandaag een zitting is, dus hij is op die wijze op de hoogte geraakt van de zitting. Ik heb mijn cliënt via zijn vriendin laten weten dat ik vond dat hij in hoger beroep moest verschijnen. Ik heb mijn cliënt niet zelf gesproken, wel zijn vriendin. Het contact tussen hen is goed, zij hebben samen een kind. Mijn cliënt is op de hoogte van de zitting. Ik ben niet uitdrukkelijk gemachtigd door mijn cliënt om namens hem de verdediging te voeren.”
2.2
Uit de stukken van het geding blijkt dat de dagvaarding voor de zitting in hoger beroep niet in persoon aan de verdachte is betekend en dat de verdachte niet aanwezig was op de zitting van 16 februari 2024. Cassatie dient in dergelijke gevallen alsnog binnen veertien dagen na de einduitspraak te worden ingesteld indien zich anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit blijkt dat de verdachte tevoren op de hoogte was van de dag van de terechtzitting in hoger beroep (art. 432 lid 1 aanhef en onder c Sv).
2.3
Ik meen dat de mededeling van de niet-gemachtigde raadsvrouw van de verdachte (zie randnummer 2.1 onder (ii)) niet kan gelden als een omstandigheid waaruit blijkt dat de verdachte tevoren op de hoogte was van de dag van de terechtzitting. Uit hetgeen zij op de terechtzitting naar voren heeft gebracht, volgt dat zij over de dag van de zitting contact heeft gehad met de vriendin van de verdachte en dat zij ervan uitgaat dat de verdachte op deze wijze van de dag van de zitting op de hoogte is geraakt. Op basis van dit bericht kan echter niet met voldoende zekerheid worden aangenomen dat de verdachte het bericht heeft ontvangen en ook daadwerkelijk op de hoogte was van de dag van de terechtzitting.2.
2.4
Er heeft zich ook geen andere omstandigheid voorgedaan waaruit voortvloeit dat de verdachte meer dan veertien dagen voor 19 april 2024 (de dag waarop het cassatieberoep is ingesteld) bekend was met de einduitspraak. De verdachte kan daarom in het cassatieberoep worden ontvangen.
3. Het middel
3.1
Het middel behelst de klacht dat het arrest niet de inhoud van de bewijsmiddelen bevat die het hof heeft gebruikt, en dat het hof zijn verkorte arrest evenmin met deze bewijsmiddelen heeft aangevuld.
3.2
Bij de stukken die aan de Hoge Raad zijn toegezonden, bevindt zich een uitspraak van het hof die niet de bewijsmiddelen bevat. Bij die stukken bevindt zich ook geen aanvulling als bedoeld in art. 365a lid 2 Sv, met daarin de bewijsmiddelen die zijn gebruikt.
3.3
De raadsman van de verdachte heeft op 9 december 2024 ingevolge art. 4.3.6.3 van het Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden tijdig verzocht om alsnog in het bezit te worden gesteld van een afschrift van de aanvulling op het verkorte arrest in de zin van art. 365a lid 2 jo. art. 415 Sv. De griffier van het hof heeft de Hoge Raad al op 5 september 2024 bericht dat zo’n aanvulling niet is opgemaakt.
3.4
Op grond van art. 359 lid 3 en lid 8 Sv moet een uitspraak op straffe van nietigheid de bewijsmiddelen bevatten die de feiten en omstandigheden inhouden die redengevend zijn voor de bewezenverklaring. De uitspraak van het hof voldoet niet aan dit vereiste en kan daarom niet in stand blijven. Het middel is terecht voorgesteld.
4. Slotsom
4.1
Het middel slaagt.
4.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
4.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 13‑01‑2026
Zie ook de conclusie van A-G Keulen voorafgaand aan HR 8 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:529, randnrs. 3-21.