Einde inhoudsopgave
25 jaar Awb in eenheid en verscheidenheid 2019/48.3
48.3 Inhoudelijke invloeden uit rechtsvergelijking
prof. mr. E. Mak, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
prof. mr. E. Mak
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Voor een vergelijking van de stijl van argumenteren van het Franse Cour de cassation en het Supreme Court van de Verenigde Staten, zie M. Adams & D. Broeren, ‘Rechterlijke argumentatie en transparantie: een rechtsvergelijkende exercitie’, in: D. Broeders e.a. (red.), Speelruimte voor transparantere rechtspraak (WRR-verkenning), Amsterdam: Amsterdam University Press 2013, p. 167-206.
Mak 2013, p. 113-137.
ABRvS 3 maart 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BL6245.
ABRvS 3 maart 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BL6245, r.o. 2.4
R.o. 2.4.2, citatie uit ABRvS 25 maart 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BH7691.
ABRvS 3 maart 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BL6245, r.o. 2.4.5.
Ibid., r.o. 3. Bevestiging van rechtbank Amsterdam 15 april 2009, zaak nr. 07/1477.
Mak 2013, p. 123-124.
Ibid., p. 201.
Zie T. Kadner Graziano, ‘Is It Legitimate and Beneficial for Judges to Compare?’, in: D. Andenas & D. Fairgrieve (red.), Courts and Comparative Law, Oxford: Oxford University Press 2015, pp. 25-53, hier p. 29-30, die stelt dat de angst voor cherry picking ongegrond is en dat voorbeelden uit jurisprudentie laten zien dat rechters doorgaans methodologisch zorgvuldig te werk gaan.
Citaties van jurisprudentie uit andere rechtssystemen zijn schaars in rechterlijke uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak. Hetzelfde geldt voor de Hoge Raad en voor uitspraken van Nederlandse rechters meer in het algemeen. Een verklaring is te vinden in de ‘Franse’ stijl van rechterlijke argumentatie, waarin het niet gebruikelijk is om te verwijzen naar inspiratiebronnen uit buitenlands recht of naar de rechtsgeleerde literatuur.1 Tegelijkertijd spelen ook andere factoren een rol, zoals de wijze waarop informatie over buitenlands recht ter kennis van de rechters komt.2 Een voorbeeld waarin wel citaties voorkomen, maakt inzichtelijk hoe de Afdeling bestuursrechtspraak met buitenlands recht omgaat. Achtergrondinformatie uit interviews verduidelijkt hierbij in hoeverre de praktijk zoals deze hier naar voren komt een plaats heeft in de heuristische fase van de rechterlijke oordeelsvorming bij de Afdeling bestuursrechtspraak.
Het voorbeeld betreft de zaak van de actiegroep Mothers of Srebrenica tegen de minister van Defensie. In deze zaak draaide het om de openbaarmaking van documenten met betrekking tot de vredesoperatie van de Verenigde Naties (VN) in het voormalige Joegoslavië.3 Ter beantwoording van een uitlegvraag over artikel II, § 4, van het VN-Immuniteitenverdrag analyseerde de Afdeling bestuursrechtspraak Belgische jurisprudentie. Zij overwoog:
Dat de voorrechten en immuniteiten van de VN niet zonder meer mogen worden aanvaard, maar nader dienen te worden getoetst, vindt volgens [appellanten] bevestiging in de uitspraak van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel (‘tribunal de première instance de Bruxelles’) van 11 mei 1966 in de zaak van Manderlier tegen de VN en de Belgische Staat (Journal des tribunaux 1966, blz. 721 e.v.; hierna: de zaak-Manderlier).4
De Afdeling bestuursrechtspraak verwees in haar uitspraak ook naar eigen eerdere jurisprudentie, waarin was vastgesteld dat het VN-Immuniteitenverdrag aan de minister van Defensie verbiedt om een aanvraag tot openbaarmaking van VN-documenten te honoreren vanwege de onschendbaarheid (“inviolable”) van documenten afkomstig van VN-instanties.5 Na een bespreking van het standpunt van de VN over de vertrouwelijkheid van de in casu opgevraagde documenten, ging de Afdeling bestuursrechtspraak in op het argument van de Mothers of Srebrenica op basis van de Belgische Manderlier-uitspraak. Zij overwoog:
De uitspraak van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel in de zaak-Manderlier biedt geen grond voor een ander oordeel. Bij die uitspraak heeft de rechtbank van eerste aanleg de eiser niet-ontvankelijk verklaard in zijn civiele vordering tegen de VN, omdat de VN zich hadden beroepen op de immuniteit van rechtsvervolging die zij ingevolge artikel II, § 2, van het VN-Immuniteitenverdrag genieten. Bij het arrest van 15 september 1969 (Revue critique de jurisprudence belge 1971, blz. 449 e.v.) heeft het hof van beroep te Brussel (cour d’appel de Bruxelles) de uitspraak bevestigd. Het hof van beroep heeft daarbij overwogen dat de partijen bij het VN-Handvest, door toe te treden tot het VN-Immuniteitenverdrag, de noodzakelijke voorrechten en immuniteiten hebben vastgesteld en dat de gerechten hun bevoegdheid te buiten zouden gaan indien zij zich het recht zouden aanmeten om de noodzakelijkheid te beoordelen van de immuniteiten die bij dat verdrag aan de VN zijn toegekend:
“Attendu qu’en adhérant à la convention du 13 février 1946 les signataires de la charte ont déterminé les privilèges et immunités nécessaires ; que les tribunaux commettraient un excès de pouvoir s’ils s’arrogeaient le droit d’apprécier le caractère de nécessité des immunités accordées à l’Organisation des Nations Unies par ladite convention ;”6
De Afdeling bestuursrechtspraak kwam tot het oordeel dat het argument van de appellanten niet houdbaar was en dat het beroep om die reden moest worden verworpen. Zij bevestigde de eerdere uitspraak van de rechtbank Amsterdam, waarin was overwogen dat de minister van Defensie het verzoek tot openbaarmaking van de documenten niet kon inwilligen.7
Dit voorbeeld maakt duidelijk dat de aanzet tot het betrekken van rechtsvergelijking in de oordeelsvorming in deze zaak van partijen kwam. Uit interviews met rechters blijkt dat deze actieve rol van partijen in ons stelsel (tot nu toe) slechts sporadisch voorkomt.8 Een geïnterviewde rechter preciseerde dat de Afdeling bestuursrechtspraak in beginsel niet te rade gaat bij buitenlands recht voor de uitleg van bepalingen uit internationale verdragen, indien er voldoende informatie beschikbaar is in de jurisprudentie van internationale hoven. De hier besproken zaak is ook om deze reden uitzonderlijk.
Bij deze uitspraak kan verder worden opgemerkt dat rechtsvergelijking was aangewezen om niet uit de pas te lopen met de uitleg die in andere verdragsstaten wordt gegeven aan het VN-Immuniteitenverdrag.9 Niettemin zou voor een betrouwbaar inzicht in het buitenlandse recht niet alleen naar België moeten zijn gekeken maar ook naar beschikbare jurisprudentie uit andere rechtsstelsels. In dit opzicht ligt het verwijt van cherry picking door de Nederlandse bestuursrechter op de loer.10 De geciteerde Belgische uitspraak omvat een redenering tegen opheffing van de onschendbaarheid van VN-documenten, die de bestuursrechter wellicht goed uitkomt om een al bedacht oordeel te ondersteunen. De argumentatie van de Afdeling bestuursrechtspraak geeft echter niets prijs over het bestaan en de inhoud van andere buitenlandse jurisprudentie, waarin de verdragsbepaling mogelijk anders is uitgelegd. De argumentatie op basis van rechtsvergelijking zou een grotere overtuigingskracht hebben gehad indien de rechter hierover in ieder geval een opmerking had gemaakt. Deze methodologische zwakte is een van de aandachtspunten voor de aanpak waarvan lessen uit rechtsvergelijking ook op procedureel niveau van waarde kunnen zijn.