Einde inhoudsopgave
Gewogen rechtsmacht in het IPR (R&P nr. 148) 2006/6.3
6.3 Formeel toepassingsgebied
mr. F. Ibili, datum 28-11-2006
- Datum
28-11-2006
- Auteur
mr. F. Ibili
- JCDI
JCDI:ADS436766:1
- Vakgebied(en)
Internationaal privaatrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
In de literatuur bestond verschil van mening over het formeel toepassingsgebied van de Vo-BII. Zo is verdedigd dat het formeel toepassingsgebied beperkt moest worden tot gevallen waarin de verweerder onderdaan was van een lidstaat dan wel woonplaats had op het grondgebied van een lidstaat. Zie voor deze discussie Staatscommissie 1PR, Advies Brussel 11-verordening/art. 1.1.4. ontwerp Rv, 14 mei 2001, p. 7.
In gelijke zin Mostermans (2006), nr. 36.
Practice Guide, p. 45; D. Solomon, FamRz 2004, p. 1412; P. McEleavy, ICLQ 2004, p. 507; P. Vlas & F. Ibili, WPNR (2005) 6616, p. 265; M.T. Rauscher, European Legal Forum 2005, p. 40; M. Teixeira de Sousa, 'Ausgewnite Probleme aus dem Anwendungsbereich der Verordnung (EG) Nr. 2201/2003 und des Haager tïbereinkommens v. 19.10.1996 liber den Schutz von Kinderen', FamRZ 2005, p. 1614-1615; Th.M. de Boer, 'Enkele knelpunten bij de toepassing van de Verordening Brussel 11-bis', FJR 2005, p. 226. Staatscommissie 1PR, Advies in verband met de uitvoering van Verordening (EG) Nr. 2201/2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid (`Brussel II-bis'), 's-Gravenhage 27 maart 2004, p. 8-9, suggereert dat het formeel toepassingsgebied van de verordening — met uitzondering van het bepaalde in art. 12 lid 4 — beperkt is tot gevallen waarin de minderjarige zijn gewone verblijfplaats op het grondgebied van een lidstaat heeft. Zie ook Th.M. de Boer, `Jurisdiction and Enforcement in International Family Law: A Labyrinth of European and International Legislation', IVILR 2002, p. 329-330.
In deze zin ook nog art. 12 lid 1 sub a van het Voorstel Vo-Bllbis (COM(2002) 222 def.), doch de Toelichting (p. 9) merkt merkwaardigerwijs op: 'De hier besproken regels [bevoegdheidsregels in Afdeling 2, Fl] zijn van toepassing ongeacht of de gewone verblijfplaats van het kind zich in of buiten de Gemeenschap bevindt.'
Voor de problematiek van samenloop van de Vo-Bllbis met andere internationale instrumenten, zie verder: M. Teixeira de Sousa, FamRZ 2005, p. 1612-1615; C. Gonzalez Beilfuss, `EC Legislation in Matters of Parental Responsibility and Third States', in: A. Nuyts & N. Watté (eds.), International civil litigation in Europe and relations with third states, Bruxelles: Bruylant 2005, p. 493-507; M. Andrea, `Zur Abgrenzung des ffiumlichen Anwendungsbereichs von EheVO, MSA, KSU und autonomen IZPRAPR', IPRax 2006, p. 82-89.
De bevoegdheidsregeling van de Vo-Brussel Ilbis ter zake van echtscheidingen is in formeel opzicht niet beperkt. De verordening kent geen aan art. 4 lid 1 EEXVerordening gelijkluidende bepaling waarin het toepassingsgebied van de bevoegdheidsregeling wordt beperkt tot gevallen waarin de verweerder zijn woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat. Art. 6 Vo-BI:Ibis bepaalt slechts dat in echtscheidingszaken de verweerder met gewone verblijfplaats op het grondgebied van een lidstaat of de verweerder die onderdaan van een lidstaat is, alleen op grond van art. 3-5 in een andere lidstaat kan worden gedagvaard.1 Art. 6 beperkt het toepassingsgebied van de verordening niet slechts tot gevallen waarin de verweerder zijn woonplaats in een lidstaat heeft of onderdaan van een lidstaat is.2 De verordening geldt dan ook voor Nederlanders die buiten Europa woonachtig zijn, en die voor een Nederlands gerecht wensen te scheiden. De Nederlandse rechter komt dan rechtsmacht toe op grond van de gemeenschappelijke Nederlandse nationaliteit (art. 3 lid 1 sub b).
Voor de rechtsmacht in procedures betreffende ouderlijke verantwoordelijkheid geldt de internationaal gangbare hoofdregel dat bevoegd zijn de gerechten van de lidstaat waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft (art. 8 lid 1). Daarmee is de verordening formeel in beginsel alleen van toepassing indien het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat. Echter, de leden 2 en 3 van art. 12 Vo-BIIbis maken hierop belangrijke uitzonderingen voor gevallen waarin partijen de bevoegdheid van een bepaald gerecht hebben aanvaard. Het gerecht is dan bevoegd krachtens prorogatie, zonder verder acht te slaan op de gewone verblijfplaats van het kind. Het doet er in dat geval verder in beginsel niet toe of de gewone verblijfplaats van het kind binnen of buiten de Europese Unie is gelegen.3 Hiermee wijkt de verordening af van de Vo-Brussel II en het HKbV 1996, waarin prorogatie slechts mogelijk is als het kind gewoonlijk in een andere lidstaat (art. 3 lid 2 Vo-BID resp. verdragsstaat (art. 10 HKbV 1996) verblijft.4
Het formeel toepassingsgebied van de Vo-Brussel 1Ibis is evenwel in een ander opzicht beperkt. Aangezien ook het HKbV 1996 en 1961 bevoegdheidsregels voor de ouderlijke verantwoordelijkheid bevatten, kan samenloop met de verordening zich voordoen. Hoewel het HKbV 1961 is vervangen door het HKbV 1996, blijft het verdrag van 1961 van toepassing in de betrekkingen tussen de verdragsstaten die (nog) niet zijn toegetreden tot het verdrag van 1996. In de betrekkingen tussen de lidstaten heeft de verordening voorrang op het HKbV 1961 (art. 60 sub a Vo-BI:Ibis). In de verhouding tot het HKbV 1996 is de verordening van toepassing, indien het betrokken kind zijn gewone verblijfplaats op het grondgebied van een lidstaat heeft (art. 61 VoBIIbis). Heeft het kind zijn gewone verblijfplaats in een staat waarvoor een van de kinderbeschermingsverdragen geldt, niet zijnde een lidstaat, dan vindt het desbetreffende verdrag toepassing als de rechtsmachtvraag rijst in een lidstaat die gebonden is aan het HKbV 1996 of HKbV 1961. In dat geval mist de verordening, inclusief de prorogatiemogelijkheid van art. 12, toepassing.5 Zou men ervoor kiezen om in dergelijke gevallen toch de Vo-Brussel IIbis voorrang te geven, dan is mogelijk sprake van verdragsschending ten opzichte van de desbetreffende verdragsstaat.