Einde inhoudsopgave
De bij dode opgerichte stichting (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2020/6.4.0
6.4.0 Introductie
mr. T.F.H. Reijnen, datum 01-09-2020
- Datum
01-09-2020
- Auteur
mr. T.F.H. Reijnen
- JCDI
JCDI:ADS232459:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Erfrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor de gevolgen van erfopvolging Asser/Perrick 4 2017/436; Handboek Erfrecht, L.C.A. Verstappen 2015/XIII.
L.C.A. Verstappen, ‘De stichting tot afwikkeling van een nalatenschap (I)’, WPNR 1996/6245.
Externe bestuurdersaansprakelijkheid moet worden onderscheiden van interne bestuurdersaansprakelijkheid. Onder interne bestuurdersaansprakelijkheid wordt verstaan de aansprakelijkheid van bestuurders ten opzichte van de rechtspersoon zelf. Zie over interne bestuurdersaansprakelijkheid, Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015/199-207; Asser/Rensen 2-III 2017/338.
HR 6 oktober 1989, ECLI:NL:HR:1989:AB9521, NJ 1999/286, m.nt. J.M.M. Maeijer (Beklamel).
Zie over beneficiaire aanvaarding Asser/Perrick 4 2017/529 e.v.; Handboek Erfrecht, L.C.A. Verstappen 2015/XII.5. Het aanvaarden onder het voorrecht van boedelbeschrijving is niet in strijd met het verbod begunstigingen te verwerpen. Beneficiaire aanvaarding is immers één van de twee wijzen van aanvaarding van een nalatenschap, artikel 4:190 lid 1 BW. Zie over aanvaarding Asser/Perrick 4 2017/505 e.v.; Handboek Erfrecht, L.C.A. Verstappen 2015/XII.
Als voorbeeld van een onrechtmatige daad van de stichting kan worden genoemd het in strijd handelen met de regels van de vereffening. Als sprake is van een onrechtmatige daad van de stichting kan dat onder omstandigheden leiden tot persoonlijke aansprakelijkheid van een bestuurder.
Een door de erflater/oprichter opgerichte stichting die tevens erfgenaam is, moet de nalatenschap van de erflater/oprichter aanvaarden, zo zagen wij hiervoor. Uitdrukkelijke aanvaarding van de nalatenschap door de bij dode opgerichte stichting is mogelijk (artikel 4:191 BW), maar niet noodzakelijk. Voor de aanvaarding van een nalatenschap is het is al voldoende dat een erfgenaam zich ondubbelzinnig en zonder voorbehoud als een zuiver aanvaard hebbende erfgenaam gedraagt, doordat hij overeenkomsten aangaat strekkende tot vervreemding of bezwaring van goederen van de nalatenschap of deze op andere wijze aan het verhaal van schuldeisers onttrekt. Dit is slechts anders als hij zijn keuze reeds eerder heeft gemaakt, aldus artikel 4:192 BW.1 Als de bij dode opgerichte stichting de nalatenschap zuiver heeft aanvaard, is niet alleen de saisine van artikel 4:182 BW op haar van toepassing, maar zijn ook de schulden van de erflater op haar verhaalbaar (artikel 4:184 BW).2
Vanwege het niet mogen verwerpen van de nalatenschap van de erflater/oprichter door de bij dode opgerichte stichting, bestaat de kans dat de stichting verplichtingen op zich neemt die haar betalingscapaciteit nu of in de toekomst te boven gaan. Ook kan het zijn dat de erfrechtelijke verkrijging aanvankelijk positief is maar dat kosten van een verkregen activum uiteindelijk het vermogen van de erfgenaam te boven zullen gaan. Op zichzelf is dat geen bijzonderheid. Elke erfgenaam kan worden geconfronteerd met verplichtingen die de verkregen activa te boven gaan. Toch moet het bestuur van de bij dode opgerichte stichting als erfrechtelijke verkrijger van schulden bijzonder oplettend zijn.
Als oplossing in geval van een negatieve nalatenschap ziet Verstappen het faillissement als ‘reddingsboei’:
‘In geval van een (mogelijk) negatieve nalatenschap zal het ergste wat de stichting kan overkomen het faillissement zijn. Indien na een eerste inventarisatie blijkt dat er inderdaad meer schulden dan baten zijn, kan het bestuur van de stichting zelf het faillissement aanvragen of proberen met de schuldeisers een minnelijke regeling te treffen.’3
Het lijkt echter of Verstappen voorbij gaat aan de mogelijkheid van externe bestuurdersaansprakelijkheid, dat wil zeggen aansprakelijkheid van de bestuurders ten opzichte van de schuldeisers van de nalatenschap die na de vererving van het vermogen aan de stichting, schuldeisers van de stichting zijn geworden.4 Het leerstuk van de externe bestuurdersaansprakelijkheid kent als een van de hoofdregels dat het bestuur geen verplichtingen mag aangaan waarvan hij weet of behoort te weten dat de rechtspersoon deze niet kan nakomen.5 Dit zou onder omstandigheden tot gevolg kunnen hebben dat het bestuur een erfrechtelijke verkrijging enerzijds zou moeten verwerpen maar dat anderzijds, zoals hiervoor uiteengezet, niet mag. Leidt dit tot bestuurdersaansprakelijkheid? Hierna zal blijken dat dat niet het geval hoeft te zijn, maar oplettendheid is geboden.
Veel veiliger is het uiteraard de nalatenschap niet zuiver te aanvaarden, maar onder het voorrecht van boedelbeschrijving (beneficiaire aanvaarding).6 De nalatenschap moet dan worden vereffend. Over het belang daarvan kom ik later te spreken.
Hierna behandel ik de risico’s van bestuurdersaansprakelijkheid die kunnen voortvloeien als de stichting de nalatenschap van de erflater niet aanvaardt onder het voorrecht van boedelbeschrijving. Ik besteed geen aandacht aan de interne aansprakelijkheid van bestuurders en ook niet aan de externe aansprakelijkheid van bestuurders die geen direct gevolg zijn van het niet onder het voorrecht van boedelbeschrijving aanvaarden van de nalatenschap. Zo blijven bijvoorbeeld buiten beschouwing de mogelijke aansprakelijkheid van bestuurders uit een onrechtmatige daad van de stichting.7