Einde inhoudsopgave
De bij dode opgerichte stichting (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2020/6.4.2
6.4.2 De verhouding tussen wijziging of opheffing door de rechter van legaten en lasten en de mogelijkheid tot statutenwijziging door de rechter
mr. T.F.H. Reijnen, datum 01-09-2020
- Datum
01-09-2020
- Auteur
mr. T.F.H. Reijnen
- JCDI
JCDI:ADS232323:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Erfrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Mede door de verdragsrechtelijke bescherming van de testeervrijheid zoals dat voortvloeit uit artikel 1 Eerste Protocol EVRM en artikel 8 EVRM. Zie hierover H. van Hedel, ‘In Vrijheid Begunstigen. Het ongelijk behandelen van erfgenamen nader beschouwd’, NJB 2007/580. Zie ook Asser/Perrick 4 2017/251.
Stb. 1925, 174, ingetrokken ter gelegenheid van de invoering van Boek 4 BW.
Zie over de overeenkomsten en verschillen tussen de oude Museumwet en de regeling van artikel 4:123 BW en artikel 4:134 BW: E.E.A. Luijten, ‘Rechterlijk ingrijpen in testamentaire beschikkingen’ (twee delen), S&V 1994, p. 105 e.v. en 135 e.v.
De tekst van deze bepaling luidde: ‘Wanneer veertig jaren zijn verloopen na het overlijden van den erflater of na den dag, sedert welken rechtsvermoeden van diens overlijden bestaat, kan een bij erfstelling of legaat gemaakt beding met uitzondering van een beding, waarbij een stichting is in het leven geroepen op verzoek van dengene, die het beding behoort na te leven, door den Hoogen Raad der Nederlanden in het algemeen belang, zulks zooveel mogelijk in aansluiting aan de bedoeling van den erflater, worden herzien of vervallen verklaard, indien en voor zoover het betreft: de plaats, waar en de wijze, waarop voortbrengselen van kunst of voorwerpen van geschiedkundigen of wetenschappelijken aard, geschriften hieronder begrepen, in eene voor het publiek toegankelijke verzameling moeten worden bewaard;de mate, waarin en de voorwaarden, waaronder aan het publiek gelegenheid moet worden verschaft om voortbrengselen en voorwerpen, als hiervoor bedoeld, te bezichtigen en te gebruiken;de bestemming, welke in het belang van de kunst of de wetenschap aan gelden moet worden gegeven.’
Th.M. de Boer, ‘Het testament van Abraham Bredius’, in: Th.M. de Boer e.a. (red.), Strikwerda’s conclusies. Opstellen aangeboden aan mr. L. Strikwerda ter gelegenheid van zijn afscheid als advocaat-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden (Bundel Strikwerda), Deventer: Kluwer 2011, p. 65-78.De Bredius zaak is waarschijnlijk het meest bekende voorbeeld van toepassing van de Museumwet, HR 16 maart 1990, ECLI:NL:HR:1990:AD1057, NJ 1991/575, m.nt. J.C. Schultsz (Bredius). In deze zaak stond de Hoge Raad het toe dat de Brediuscollectie voortaan zou worden tentoongesteld op een ander adres dan waartoe de gemeente ’s-Gravenhage op grond van de uiterste wilsbeschikking van Bredius verplicht was.Dr. Abraham Bredius (Amsterdam, 18 april 1855-Monaco, 13 maart 1946) was een bekende kunstliefhebber en gedurende twintig jaar directeur van het Mauritshuis in Den Haag. De doctorstitel had hij te danken aan ere-doctoraten. Hij gold als groot kenner van de oude Hollandse meesters, maar niettemin ‘(…) heeft men hem door een bedriegelijk verhaal er in laten lopen met Van Meegeren’s pseudo-Vermeer, De Emmausgangers. Door Bredius’ onverflauwd enthousiasme is dit schilderij voor het Museum Boymans aangekocht, wèl een bewijs hoe onwankelbaar de eerbied en bewondering voor Bredius’ kennerschap tot het laatste toe zijn gebleven. Maar een bewijs tevens hoe moeilijk het kennerschap is en hoe ook de meest begenadigden ten slotte kunnen falen’, aldus W. Martin, in zijn necrologie in Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden, 1946-1947, Leiden: E.J. Brill 1948, p. 29-41.
De uitsluiting ten aanzien van bedingen de stichting betreffende is ingevoerd bij de Wet op stichtingen (artikel 26 Wos, Kamerstukken II 1953-1954, 3463, nr. 2, p. 4). De reden daarvoor is te lezen in de memorie van toelichting. De minister wilde dat de Wet op stichtingen alle aspecten van de stichting zou beheersen, voor toepassing van de Museumwet op stichtingen was daarom geen plaats, Kamerstukken II 1953-1954, 3463, nr. 3, p. 12. Zie ook A.S. Hartkamp, voordracht Symposium Stichting ten behoeve van Culturele en Maatschappelijke Beschikkingen 1997, onder de titel ‘Wijziging en opheffing van bij erfstelling of legaat gemaakte bedingen: van Museumwet tot Nieuw BW’ opgenomen in Bestuur onder controle (Ars Notariatus LXXXX), Deventer: Kluwer 1997.
Dat wijziging of opheffing al snel na het overlijden aan de orde kan zijn, blijkt uit Rechtbank Midden-Nederland 11 november 2016, ECLI:NL:RBMNE:2016:7719.
Handboek Erfrecht, F.W.J.M. Schols 2015/VII.2.9.
Voor de mogelijkheid en wenselijkheid van aanpassing van uiterste wilsbeschikkingen in deze gevallen, zie F.W.J.M. Schols, ‘Het ontbreken van de uiterste wil. Wills for persons lacking capacity; een eerste gedachte’, Tijdschrift voor Privaatrecht 2009/1.
Rechtbank Midden-Nederland 4 oktober 2019, ECLI:NL:RBMNE:2019:4757, JERF 2019/339, merkt op dat ‘bij de beantwoording van de vraag of een testamentaire last gewijzigd of opgeheven dient te worden niet zo zeer aankomt op wat redelijkheid en billijkheid met zich meebrengen’.
In Rechtbank Haarlem 6 februari 2008, ECLI:NL:RBHAA:2008:BC4912, RFR 2008/62, werd toepassing van artikel 4:123 BW afgewezen omdat de enkele omstandigheid dat de erfgenamen op grond van de verhalen en de houding van de erflater in de veronderstelling verkeerden dat de nalatenschap uit enkele miljoenen euro’s zou bestaan, niet een na het overlijden van de erflater ingetreden omstandigheid is, maar voor eigen rekening en risico komt van de erfgenamen. In Rechtbank Den Haag 5 februari 2010, ECLI:NL:RBSGR:2010:BL2269, NJ 2010/364 (Bredius), werd geoordeeld dat het bij de onderhavige bepaling niet zo zeer gaat om wat redelijkheid en billijkheid met zich meebrengen, maar veeleer om een voorziening met het oog op lasten die door na het overlijden van de erflater ingetreden omstandigheden hun zin verloren hebben, niet meer met de bedoeling van de erflater overeenstemmen of aanpassing behoeven aan hun maatschappelijke strekking of aan het algemeen belang. In Rechtbank Maastricht 29 augustus 2012, ECLI:NL:RBMAA:2012:BX6252, RFR 2012/126, oordeelde de rechtbank dat de ik-opa-last ten behoeve van het kleinkind opgeheven kon worden omdat het ik-opa-testament niet meer het fiscale voordeel opleverde dat de erflater zich had voorgesteld. In Rechtbank Midden-Nederland 11 november 2016, ECLI:NL:RBMNE:2016:7719, TE 2017/04 werd de last welke was opgelegd aan een bij dode opgerichte stichting door de erflaatster/oprichter al na een paar jaar gewijzigd in verband met gewijzigde omstandigheden.
Asser/Perrick 4 2013/191. In Asser/Perrick 4 2017 ontbreekt elke verwijzing naar artikel 2:294 BW.
Al kan wijziging van een testamentaire last nuttig of nodig zijn om de statuten van een bij dode opgerichte stichting zonder al te grote problemen te wijzigen. Vgl. Rechtbank Limburg 16 oktober 2019, ECLI:NL:RBLIM:2019:9444, JERF 2019/346 en Rechtbank Limburg 23 oktober 2019, ECLI:NL:RBLIM:2019:9515, JERF 2019/348.
Het gevolg van de door mij aangenomen verplichting tot het aanvaarden van erfrechtelijke begunstigingen is, dat de stichting direct of op termijn geconfronteerd kan worden met verplichtingen voortvloeiende uit een legaat of last en dat de stichting daar direct of op termijn niet aan kan voldoen. Dit leidt tot de vraag of achteraf nog iets kan worden gedaan tegen deze verplichtingen, mede omdat de wil van de erflater vanwege de testeervrijheid niet gemakkelijk ter zijde geschoven kan worden.1 Een mogelijkheid daartoe bestaat al sinds de invoering van de Wet van 1 mei 1925,2 de ‘Museumwet’, die de rechter de mogelijkheid gaf bepaalde uiterste wilsbeschikkingen aan te passen. Bij de invoering van het huidige erfrecht in 2003 is de Museumwet ingetrokken en zijn artikel 4:123 BW (wijziging van een legaat) en artikel 4:134 BW (wijziging of opheffing van een last) te zien als de opvolgers van de Museumwet.3 Beide bepalingen vormen een lex specialis ten opzichte van artikel 6:258 BW (onvoorziene omstandigheden).4
De mogelijkheden tot wijziging van uiterste wilsbeschikkingen onder de Museumwet waren beperkt. Artikel 1 van de Museumwet5 gaf de Hoge Raad, in eerste en enige instantie, de bevoegdheid veertig jaar na het overlijden van de erflater in het algemeen belang en in overeenstemming met de bedoeling van de erflater een uiterste wilsbeschikking te herzien of vervallen te verklaren als een erfstelling of legaat betrekking had op kunst of wetenschap.6 De Museumwet sloot beschikkingen ‘waarbij een stichting in het leven is geroepen’ uit van de toepassing van deze wet.7
De huidige regeling van artikel 4:123 BW en artikel 4:134 BW bevat geen beperking ten aanzien van de stichting. De rechter kan daardoor binnen de grenzen van de wet legaten en lasten wijzigen of opheffen als daar een bij dode opgerichte stichting bij is betrokken, waaronder de mogelijkheid dat de rechter de last tot oprichting van een stichting wijzigt of opheft.8
Toch zijn ook onder het huidige recht de mogelijkheden tot wijziging van een legaat of last beperkt. De last tot oprichting van een stichting is een voorbijgaande verplichting die door uitvoering, de oprichting van de stichting, haar einde vindt. Van een doorlopende verplichting is geen sprake. Artikel 4:134 BW kan daarom alleen worden toegepast op de inhoud van de last tot oprichting als zodanig, voordat de stichting is opgericht. Verder voorziet de wet uitsluitend in wijziging of opheffing van het legaat of de last ten gevolge van na het overlijden veranderde omstandigheden. Op wijzigingen in de omstandigheden die voor het overlijden plaatsvinden, zou de erflater zelf hebben kunnen anticiperen.9 Of dit altijd zo is, kan worden betwijfeld. Ik wijs hierbij slechts op het geval dat een toekomstige erflater na het maken van de uiterste wilsbeschikking ten gevolge van lichamelijke of geestelijke omstandigheden, niet in staat is zijn uiterste wil aan te passen.10 Ook in deze situatie zou de mogelijkheid tot wijziging van een legaat of last nuttig kunnen zijn, zonder dat direct teruggegrepen behoeft te worden op de (beperkte) mogelijkheden van artikel 4:43 BW of artikel 4:47 BW.
Een andere beperking is dat artikel 4:123 lid 1 BW eist dat het omstandigheden betreft die maken dat van de andere partij (doorgaans de erfgenamen), naar de maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van die verbintenissen uit een legaat niet mag worden verwacht. Voor artikel 4:134 lid 1 letter a BW geldt dat de wijzigingen van de omstandigheden van dien aard moeten zijn dat ongewijzigde instandhouding van de last uit het oogpunt van de daarbij betrokken persoonlijke en maatschappelijke belangen ongerechtvaardigd zou zijn.11 De mogelijkheid een legaat te wijzigen zijn daardoor beperkter dan de mogelijkheden tot wijziging van een last.
Hoe de praktische toepassing van beide bepalingen zich zal ontwikkelen valt niet te voorspellen. Niettemin kan uit de jurisprudentie de voorlopige conclusie worden getrokken dat de bepalingen in de praktijk al wel zijn ‘ontdekt’.12
Het voor het onderzoek naar de bij dode opgerichte stichting van belang zijnde grote verschil tussen enerzijds de Museumwet en anderzijds de artikelen 4:123 en 4:134 BW, is gelegen in de mogelijkheid uiterste wilsbeschikkingen te wijzigen die betrekking hebben op een bij dode opgerichte stichting.
Perrick was in de vijftiende druk van Asser/Perrick 4 uit 2013 van mening dat bij de beoordeling van een verzoek tot wijziging van een legaat of opheffing van een last de rechter rekening zal houden met de bevoegdheid die artikel 2:294 BW geeft om de statuten van een stichting te wijzigen indien ongewijzigde handhaving van de statuten zou leiden tot gevolgen die bij de oprichting redelijkerwijs niet kunnen zijn gewild.13 Met de nodige nuanceringen, denk ik dat dit juist is. Om een juist beeld te krijgen van de problematiek van de artikelen 4:123 en 4:134 BW en de mogelijke samenloop met artikel 2:294 BW is het van belang onderscheid te maken tussen:
het legaat of de lastbevoordeling ten gunste van een stichting; en
de wijze van oprichting van de bij of krachtens uiterste wilsbeschikking opgerichte stichting enerzijds en het doel als last anderzijds.
Ad (i). De wijzigingsbevoegdheid voor het legaat of lastbevoordeling ten behoeve of ten laste van een stichting valt binnen het bereik van artikel 4:123 BW en voor een last binnen het bereik van artikel 4:134 BW. Dit geldt echter voor elk legaat en elke last. Veel interessanter is (ii).14
Ad (ii). Ten aanzien van de wijze van oprichting het volgende. Als een stichting is opgericht bij uiterste wilsbeschikking, bestaat deze bij het overlijden van de erflater, zo bleek in 1.1.1.1. In 1.1.1.2 is aan bod gekomen dat de last tot oprichting van een stichting leidt tot een krachtens uiterste wilsbeschikking opgerichte stichting. Het bij uiterste wilsbeschikking oprichten van een stichting is geen legaat of last maar een uiterste wilsbeschikking van eigen aard (besproken in 3.6.3.1). Van aanpassing van de statuten op grond van artikel 4:123 BW of artikel 4:134 BW kan daardoor geen sprake zijn. Wel kan artikel 4:134 BW op de last tot oprichting van een stichting van toepassing zijn. Zoals hiervoor opgemerkt, is de last tot oprichting een voorbijgaande verplichting die door uitvoering, de oprichting van de stichting, haar einde vindt. De rechter is dus wel bevoegd de last tot oprichting te wijzigen, maar als de stichting eenmaal is opgericht, is de last tot oprichting uitgewerkt. Dat was het enerzijds.
Het anderzijds, het doel als last, brengt echter andere inzichten ten aanzien van de toepassing van artikel 4:135 BW. Wie met mij wil aannemen dat het doel van de stichting een last kan zijn, moet ook openstaan voor de gedachte, dat het doel kan worden gewijzigd onder toepassing van artikel 4:134 BW. Het doel als last is immers nooit ‘af’, het vormt een doorlopende verplichting. Als voorbeeld kan worden genoemd het geval dat het doel van de stichting voorziet in het in standhouden van een bepaald goed, zoals een landgoed of verzameling, dat vervreemding uitsluit.15Artikel 4:134 BW zou gebruikt kunnen worden om de statutaire instandhoudingsplicht op te heffen als voldaan wordt aan de eisen uit deze bepaling.
Naast artikel 4:134 BW dat de mogelijkheid schept het doel aan te passen dat als last kan worden beschouwd, heeft de rechter ook de mogelijkheid de statuten te wijzigen op grond van artikel 2:194 BW. Vanwege de verschillende criteria die gelden voor wijziging of opheffing van een last en die voor de wijziging van de statuten, heeft de rechter grote vrijheid bij het wijziging van het doel. De criteria voor de mogelijkheid tot statutenwijziging door de rechter zijn behandeld in 4.4.1.1.2. Daar is gebleken dat de rechter de bevoegdheid heeft de statuten te wijziging als de statuten daar zelf niet in voorzien, indien ongewijzigde handhaving van de statuten zou leiden tot gevolgen, die bij de oprichting redelijkerwijze niet kunnen zijn gewild (artikel 2:294 lid 1 BW). Dit is een geheel ander criterium dan de criteria uit artikel 4:123 lid 1 BW en artikel 4:134 lid 1 letter a BW.