Schadevergoeding bij de onrechtmatige verwerking van persoonsgegevens
Einde inhoudsopgave
Schadevergoeding bij de onrechtmatige verwerking van persoonsgegevens (O&R nr. 126) 2021/5.5:5.5 Synthese en conclusie
Schadevergoeding bij de onrechtmatige verwerking van persoonsgegevens (O&R nr. 126) 2021/5.5
5.5 Synthese en conclusie
Documentgegevens:
mr. T.F. Walree, mr. P.T.J. Wolters, datum 01-02-2021
- Datum
01-02-2021
- Auteur
mr. T.F. Walree, mr. P.T.J. Wolters
- JCDI
JCDI:ADS267461:1
- Vakgebied(en)
Privacy / Verwerking persoonsgegevens
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Een dergelijke interpretatie van het Hof van Justitie vereist dat een concurrent een beroep doet op art. 82 lid 1 AVG. Dit is ook mogelijk als subsidiaire vordering. Een concurrent kan bijvoorbeeld ook schadevergoeding eisen omdat een schending van de informatieplicht tevens een oneerlijke handelspraktijk is of dat het niet voldoen aan het recht op dataportabiliteit misbruik van een machtspositie inhoudt. Vergelijk paragraaf 2.2, 2.3 en 4.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een concurrent kan op verschillende manieren schade lijden door een schending van de AVG. De naleving van de AVG door de verwerkingsverantwoordelijke is daarom ook voor hem van groot belang (paragraaf 2). De AVG is echter in de eerste plaats gericht op de bescherming van de grondrechten en fundamentele vrijheden van natuurlijke personen. De bescherming van financiële belangen van concurrenten vallen op het eerste gezicht niet onder de beschermingsdoelstelling van de AVG. De heersende mening in de literatuur is daarom dat concurrenten geen beroep kunnen doen op art. 82 lid 1 AVG (paragraaf 3.3.1).
Hiermee is niet alles gezegd. De doelstellingen van de AVG zijn breder dan de bescherming van individuele betrokkenen. De verordening is ook gericht op de bevordering van het vrije verkeer van persoonsgegevens, de versterking van de bescherming van persoonsgegevens en de harmonisatie van het gegevensbeschermingsrecht. Deze overkoepelende doelstellingen zijn juist wel gebaat bij additionele handhaving door concurrenten (paragraaf 3.3.2 en 3.3.3). Het recht op schadevergoeding draagt hierdoor bij aan de volle werking van de AVG.
De handhaving door concurrenten past bovendien goed in het stelsel van het Unierecht. De doelstelling om de volle werking van het Europese recht te verzekeren, brengt onder andere mee dat eenieder schadevergoeding kan vorderen voor een schending van het mededingingsrecht (paragraaf 3.3.2). De Richtlijn oneerlijke handelspraktijken laat bovendien zien dat concurrenten ook een rol kunnen spelen bij de handhaving van Unierecht dat in de eerste plaats is gericht op de bescherming van andere partijen (paragraaf 3.3.3). De additionele handhaving door concurrenten is bovendien juist in het gegevensbeschermingsrecht hard nodig door het ‘handhavingstekort’ (paragraaf 3.3.2).
Er zijn ook argumenten die pleiten tegen het toekennen van een recht op schadevergoeding aan de concurrent. Hoewel art. 82 lid 1 AVG het recht op schadevergoeding toekent aan ‘eenieder’ (paragraaf 3.1), staat de bepaling tussen artikelen die handhavingsrechten toekennen aan de betrokkene. Dit zou tot de conclusie kunnen leiden dat ook art. 82 lid 1 AVG alleen is bedoeld voor de betrokkene. Toch is de bedoeling van de Europese wetgever niet geheel duidelijk. De Dataprotectierichtlijn kende immers het recht op schadevergoeding eveneens toe aan ‘een ieder’. De uiteindelijke tekst van de richtlijn wijkt hiermee af van het voorstel van de Europese Commissie (paragraaf 3.2).
Handhaving door een concurrent kan daarnaast leiden tot ‘misbruik’ van het gegevensbeschermingsrecht (paragraaf 4). De concurrent zou de verwerkingsverantwoordelijke kunnen aanspreken voor minimale schendingen van de AVG die voor zowel de betrokkenen als de concurrent geen noemenswaardige gevolgen hebben. Dergelijke handhaving zorgt slechts voor een verstoring van de bedrijfsvoering van de verwerkingsverantwoordelijke en leidt niet tot een noemenswaardige versterking van de bescherming van persoonsgegevens.
De Duitse UWG bepaalt dat een concurrent alleen mag optreden tegen schendingen van regels die bestemd zijn om marktgedrag te reguleren. Deze gedifferentieerde benadering vereist echter een onderscheid dat op grond van de AVG niet valt te rechtvaardigen. Zij is in de context van art. 82 lid 1 AVG bovendien ook niet nodig. Het recht op schadevergoeding ontstaat immers alleen als de concurrent schade heeft geleden (paragraaf 4). De concurrent kan zich daarom alleen op art. 82 lid 1 AVG beroepen in situaties waarin hij werkelijk wordt geraakt door de schending van de AVG. Hoewel het niet altijd eenvoudig zal zijn om dit te bewijzen, bestaan er wel degelijk situaties waarin dergelijke schade zich kan voordoen (paragraaf 2).
Indien het recht op schadevergoeding beperkt blijft tot situaties waarin de concurrent schade lijdt, kan het een nuttige bijdrage leveren aan de doelstellingen van de AVG. Er bestaan daarom sterke argumenten voor de stelling dat ook de concurrent een beroep kan doen op art. 82 lid 1 AVG. Het ontbreken van een expliciete bepaling en de, op het eerste gezicht, met elkaar strijdige doelstellingen blijven echter voor onduidelijkheid zorgen. Een duidelijke uitleg van het Europees Comité voor gegevensbescherming of het Hof van Justitie is daarom gewenst.1