Sleutels voor personenvennootschapsrecht
Einde inhoudsopgave
Sleutels voor personenvennootschapsrecht (IVOR nr. 102) 2017/5.5.2.4:5.5.2.4 Het rechtssubject als referentiepunt voor derden
Sleutels voor personenvennootschapsrecht (IVOR nr. 102) 2017/5.5.2.4
5.5.2.4 Het rechtssubject als referentiepunt voor derden
Documentgegevens:
Chr.M. Stokkermans, datum 28-02-2017
- Datum
28-02-2017
- Auteur
Chr.M. Stokkermans
- JCDI
JCDI:ADS591634:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Rb. Noord-Nederland 23 januari 2014, ECLI:NL:RBNNE:2014:332(Reestoord).
Zie hierover onder meer Maatman & Spijkers 1989; Molenaar 1989; Van Solinge 1994, p. 68; Van Achterberg 1994; Van Schilfgaarde 1996; Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015/ 428.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Vragen van uitleg spelen ook in het geval een rechtssubject waarvan het vermogen onder algemene titel overgaat, is gebruikt als ‘referentiepunt’ bij rechtshandelingen van derden, zonder dat het zelf daarbij partij is. Ik geef drie voorbeelden. Bij de eerste twee speelt het onpersoonlijke karakter van de rechtspersoon weer een rol.
Het eerste voorbeeld gaat over de testamentaire making ten voordele van een rechtspersoon. Als die rechtspersoon op het moment waarop de nalatenschap openvalt niet meer bestaat ten gevolge van een fusie of splitsing, komt de making toe aan de verkrijgende rechtspersoon.1
Als tweede noem ik het geval waarin volgens de statuten van stichting X alleen bestuurders van stichting Y bestuurder bij stichting X kunnen zijn en stichting Y wordt weggefuseerd in stichting Z. Brengt de fusie in een dergelijk geval het defungeren van de bestuurders van stichting X mee? Dit is een vraag van uitleg van de statuten van stichting X. De rechtbank die een dergelijk geval kreeg voorgelegd, betrok bij haar beoordeling dan ook terecht alle omstandigheden van het geval, waaronder de tekst van de statuten van stichting X, de achtergronden van de structuur en de omstandigheid dat sprake was van een opvolging onder algemene titel.2
Mijn derde voorbeeld betreft door derden gestelde zekerheden, zoals een pandrecht, een hypotheek, een borgtocht of een garantie. Stel, G heeft een pandrecht gevestigd ten behoeve van C, de crediteur van D. Vervolgens wordt D weggefuseerd in A. Dat de schulden van D overgaan op A, staat vast. De vraag is of het pandrecht in stand blijft en zo ja, tot zekerheid van welke schulden.3 Omdat het pandrecht buiten de fusie valt, zijn niet zozeer de fusieregels bepalend, als wel de bij de vestiging van het pandrecht tussen G en C gemaakte afspraken. De inhoud van deze afspraken kan worden vastgesteld met behulp van de normale uitlegregels. In de regel zullen die het volgende meebrengen. Is een specifieke schuld gesecureerd, dan blijft het zekerheidsrecht in stand. Is de zekerheid gegeven voor alle schulden die D van tijd tot tijd aan C mocht hebben, dan zal op het moment waarop de fusie van kracht wordt, fixatie plaatsvinden. Op dat moment bestaande schulden van D en schulden die nog mochten voortvloeien uit op dat moment bestaande rechtsverhoudingen van D, zullen door het zekerheidsrecht gedekt blijven; andere schulden die na de fusie tot het vermogen van A behoren, zullen niet zijn gedekt.
Bij de bepleite uitbreiding van de structuurwijzigingsfaciliteiten kunnen ook deze regels mede worden toegepast op de nieuwe gevallen van fusie en splitsing, en kunnen, ook in dit geval, rechtsbevoegde personenvennootschappen op één lijn worden geplaatst met rechtspersonen.