Einde inhoudsopgave
De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift (R&P nr. PFR10) 2024/10.2.4.2
2.4.2 Bankrekening en gemeenschap
Mr. T.M. Subelack, datum 02-01-2024
- Datum
02-01-2024
- Auteur
Mr. T.M. Subelack
- JCDI
JCDI:ADS947988:1
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie hierover ook paragraaf 4.3 en 5.4.4 van hoofdstuk 3.
Zie hierover uitvoerig paragraaf 3 hierna, en dan met name paragraaf 3.4.
Zie paragraaf 2.3 hiervóór.
Zie Parl. Gesch. Boek 6 BW (TM), p. 131 (toelichting op artikel 6:15 BW), alsmede Parl. Gesch. Boek 6 BW (TM), p. 132 (toelichting op artikel 6:16 BW).
Zie Parl. Gesch. Boek 6 BW (TM), p. 125-129; Parl. Gesch. Boek 6 BW (MvA II), p. 129-130 (algemene opmerkingen bij ‘pluraliteit van schuldeisers’); Parl. Gesch. Boek 6 BW (TM), p. 130-131 (toelichting op artikel 6:16 BW) en Parl. Gesch. Boek 6 BW (TM), p. 132-133 (toelichting op artikel 6:16 BW). Vgl. Asser/Perrick 3-V 2023/104.
Zie paragraaf 6.2 van hoofdstuk 3, onder verwijzing naar Parl. Gesch. Boek 3 BW (TM), p. 655; Parl. Gesch. Boek 6 BW (TM), p. 126 en 128; Parl. Gesch. Boek 6 BW (MvA II). p. 129 en 130, Parl. Gesch. Boek 6 BW (TM), p. 132 en Parl. Gesch. Boek 6 BW (MvA II), p. 133, alsmede Biemans, Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/65, met verdere verwijzingen, en Asser/Perrick 3-V 2023/102.
Zie Parl. Gesch. Boek 6 BW (MvA II), p. 130.
Bij een en/of-rekening zal dit niet spelen, omdat in dat geval uit de raamovereenkomst die aan die betaalrekening is verbonden zal voortvloeien dat aan ieder van de rekeninghouders, in afwijking van artikel 3:170 lid 2 BW, bevrijdend kan worden ‘betaald’. Zie Parl. Gesch. Boek 6 BW (MvA II). p. 133, en paragraaf 2.4.3 hierna.
Zie over artikel 6:130 BW uitvoerig Faber, Verrekening (O&R nr. 33) 2005/230-264.
608. In de vorige paragraaf is uiteengezet dat wanneer een bankrekening op naam van een betaaldienstgebruiker is gesteld, als uitgangspunt heeft te gelden dat het saldo op die bankrekening tot diens vermogen behoort. Een belangrijke nuancering van dit uitgangspunt is het geval waarin de bankrekening tot een gemeenschap behoort. Artikel 6:15 lid 2 bepaalt dat wanneer een prestatie ondeelbaar is of het recht daarop in een gemeenschap valt, de schuldeisers gezamenlijk één vorderingsrecht hebben. Is sprake van een bankrekening op naam van één betaaldienstgebruiker waarvan het saldo in een gemeenschap valt, dan behoort dat saldo derhalve (mede) toe aan iemand op wiens naam die rekening niet is gesteld. Artikel 6:15 lid 2 BW is een uitzondering op de hoofdregel van artikel 6:15 lid 1 BW. Dat artikel bepaalt dat wanneer een prestatie aan twee of meer schuldeisers is verschuldigd ieder van hen een vorderingsrecht voor een gelijk deel heeft. Er bestaan in dat geval dus zoveel vorderingsrechten als dat er schuldeisers zijn. Als het vorderingsrecht in de gemeenschap valt is daar dus geen sprake van. In dat geval hebben de schuldeisers gezamenlijk één vorderingsrecht, waarbij hun gerechtigdheid tot de waarde van de prestatie die in dat vorderingsrecht besloten ligt wordt bepaald door artikel 3:166 lid 2 BW.1
609. In paragraaf 2.3 is duidelijk geworden dat het creditsaldo van een bankrekening bestaat uit de afzonderlijke vorderingen die in de rekening-courant zijn opgenomen en die niet door verrekening teniet zijn gegaan. Behoort de bankrekening tot een gemeenschap, dan betekent dit dat deze afzonderlijke vorderingen in die gemeenschap vallen. Op grond van artikel 6:15 lid 2 BW kwalificeert vervolgens iedere afzonderlijke vordering als één gezamenlijk vorderingsrecht dat aan de deelgenoten gemeenschappelijk toebehoort. De deelgenoten hebben aldus gezamenlijk meerdere(!) vorderingsrechten jegens de bank, waarbij dan wel als bijzonderheid geldt dat die afzonderlijke vorderingen op grond van de rekening-courantovereenkomst niet individueel geïnd kunnen worden. Het is dus volgens mij niet zo dat de deelgenoten in een gemeenschap gezamenlijk slechts één vorderingsrecht hebben ter grootte van het creditsaldo. Vooral in de huwelijksvermogensrechtelijke literatuur wordt dit nog wel eens gesteld.2 Deze opvatting miskent volgens mij dat de bankrekening-courant niet ondeelbaar is, en dat de afzonderlijk in de bankrekening-courant geboekte vorderingen dus niet door vermenging tenietgaan, maar als afzonderlijke vorderingen in dat saldo blijven voortbestaan.3 Daardoor hebben de deelgenoten in de gemeenschap niet slechts één vorderingsrecht jegens de bank, maar hebben zij gezamenlijke meerdere vorderingsrechten, die evenwel niet individueel geïnd kunnen worden en uitgedrukt zijn in een saldo. De deelgenoten zijn vervolgens tot het saldo van die gemeenschappelijke vorderingen gerechtigd naar rato van hetgeen uit hun rechtsverhouding voortvloeit (artikel 3:166 BW).4 Bij de huwelijksgemeenschap wordt die rechtsverhouding bepaald door artikel 1:100 lid 1 BW, op grond waarvan ieder van de echtgenoten gerechtigd is tot de helft van de waarde van alle vorderingen die in het saldo van de bankrekening besloten liggen. Bij de huwelijksgemeenschap geldt dit dan wel uitsluitend voor die vorderingen die krachtens boedelmenging tot de huwelijksgemeenschap zijn gaan behoren. Die laatste toevoeging is van cruciaal belang omdat vanwege de deelbaarheid van het saldo van een bankrekening een deel van de vorderingen die op enig moment in het saldo besloten liggen wél krachtens boedelmenging tot de huwelijksgemeenschap kan zijn gaan behoren, en een ander deel níét. In paragraaf 3 zal daar nog uitvoerig op worden teruggekomen.
610. Dat het saldo van een bankrekening (geheel of gedeeltelijk) in een gemeenschap valt heeft tot gevolg dat hierop de bepalingen van Titel 3.7 BW rechtstreeks van toepassing zijn.5 Dat betekent ook dat de deelgenoten in beginsel slechts gezamenlijk over dat deel van het saldo kunnen beschikken, en daarover het beheer kunnen voeren. Onder beheer moet ook de inning van een vordering worden verstaan.6 Bij een betaalrekening kan die inning worden ‘vertaald’ naar het opnemen van contant geld of het geven van een betaalopdracht. Dat betekent dat ten aanzien van dat deel van het saldo dat in een gemeenschap valt de deelgenoten alleen gezamenlijk bevoegd zijn om een dergelijke handeling te verrichten.7 Bij een bankrekening die uitsluitend op naam van een van de deelgenoten staat, kan dit tot problemen leiden.8 Want hoe kan de bank weten dat (een deel van) het saldo van die betaalrekening in een gemeenschap valt? In dergelijke gevallen zal de bank worden beschermd door artikel 7:255 lid 2 BW. Als de betaalopdracht is verleend overeenkomstig de tussen de betaler en zijn relevante betaaldienstverlener overeengekomen vorm en procedure is de instemming van de betaler verleend. Als de betaalrekening waarvan het saldo geheel of gedeeltelijk in een gemeenschap is gevallen slechts op naam van een van de deelgenoten is geregistreerd, is de betalingsopdracht dus verleend als diegene conform de overeengekomen vorm en procedure een betaalopdracht heeft gegeven, en is de bank gerechtigd het saldo van de bankrekening te debiteren. Verrekening met het creditsaldo kan dan in alle gevallen plaatsvinden, zo nodig met een beroep op artikel 6:130 lid 1 BW.9