Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/18.3.1.3.1
18.3.1.3.1 Algemeen
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS500788:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Over het schriftelijke verhoor zie men onder meer HR 1 oktober 1985, NJ 1986, 405 en 406 (m.nt. Van Veen).
HR 2 oktober 1979, NJ 1980, 243 (m.nt. Mulder).
Daarbuiten kan de verdachte worden opgeroepen voor verhoor; zo nodig door de r-c.
Zie onder meer HR 2 oktober 1979, NJ 1980, 243 (m.nt. Mulder). Zie voorts Jebbink 2009.
HR 27 juni 1927, NJ 1927, p. 926, als vermeld in Jebbink 2009.
Zie over dit laatste § 18.3.2 hierna.
Zie onder meer HR 15 februari 1977, NJ 1977, 557 (m.nt. Mulder); HR 29 oktober 1996, NJ 1977, 232 (m.nt. J.P. Scheltens); en HR 21 oktober 1997, NJ 1998, 173.
Vragen opsporingsambtenaar over betrokkenheid bij strafbaar feit
Het strafrechtelijk zwijgrecht ex art. 29 Sv geldt onverkort in het fiscaal strafrecht en andere delen van het bijzonder strafrecht. Het omvat mondelinge en schriftelijke verklaringen van de verdachte die in het kader van strafrechtelijk verhoor worden gevraagd.1 Van een strafrechtelijk verhoor is enkel sprake wanneer een onderzoek plaatsvindt in de sfeer van het strafrecht. Dit is het geval wanneer uit feiten en omstandigheden een redelijk vermoeden is voortgevloeid van schuld van iemand aan een strafbaar feit.2 De strekking van art. 29 Sv brengt mee dat als (strafrechtelijk) verhoor worden beschouwd alle vragen aan een door een opsporingsambtenaar als verdacht aangemerkt persoon betreffende diens betrokkenheid bij een geconstateerd strafbaar feit.3
Aanvang verhoor niet steeds duidelijk
Het aanvangsmoment van een strafrechtelijk verhoor zal in de regel wel duidelijk zijn. Een concreet aanknopingspunt bieden art. 53 en 54 Sv. Daarin wordt onder aanhouden c.a. verstaan het beroven van de verdachte van zijn vrijheid – (indien nodig) door aangrijpen en vasthouden –, teneinde hem te (doen) leiden naar een plaats voor verhoor.4 In de regel zal die plaats het politiebureau zijn. Het vragen naar de naam bij staande houding valt niet onder een verhoor en (dus) buiten de werkingssfeer van art. 29 Sv.5 Dit is anders wanneer de verdachte door het noemen van de naam een relatie legt tussen een strafbaar feit en hemzelf.6
Anders dan geldt voor mondeling verhoor, zal de aanvang van een schriftelijk verhoor minder snel duidelijk zijn. Van een directe confrontatie met de autoriteiten is dan geen sprake, terwijl de cautieplicht ex art. 29, lid 2 Sv niet geldt voor schriftelijke verklaringen.7
Afgifte materiaal is geen verhoorsituatie
Wanneer het gaat om het afgeven van bestaand (fysiek) materiaal zoals documenten, dan is art. 29 Sv niet van toepassing.8 Zodoende wordt niet toegekomen aan de vraag of bijvoorbeeld het uitleveren van stukken op grond van art. 96 Sv of art. 81 AWR kan worden geweigerd met een beroep op het strafrechtelijk zwijgrecht. Hetzelfde kan worden gezegd over de andere meewerkverplichtingen in de (fiscaal-)strafvorderlijke sfeer, die niet (ook) het afleggen van een verklaring behelzen.