Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/3.5.4.3
3.5.4.3 De onschuldpresumptie en schuldneutrale delicten
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940637:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie paragraaf 3.5.2.3.
Zie bijvoorbeeld Scheltens in zijn noot bij HR 19 juni 1985, BNB 1986/29 (par. 9) en Maathuis & Valkenburg 1995, par. 4.6.
Zie voor een voorbeeld van deze begripvolle opstelling EHRM 21 februari 1984 (Öztürk), NJ 1988, 937, r.o. 56.
EHRM 7 oktober 1988 (Salabiaku), NJ 1991, 351, FED 1990/420, r.o. 27-30. Het EHRM geeft namelijk geen oordeel over de houdbaarheid van een schuldneutrale strafbepaling als zodanig, maar alleen over de vraag of de toepassing daarvan in het concrete geval in lijn is met de waarborgen van art. 6 EVRM.
EHRM 7 oktober 1988 (Salabiaku), NJ 1991, 351, FED 1990/420, r.o. 30. Salabiaku had een kist waarin verboden middelen bleken te zitten over de grens gebracht, en werd om die reden veroordeeld op basis van een schuldneutrale strafbepaling. Op zichzelf kon dat volgens het EHRM door de beugel. Salabiaku was in de nationale procedure in de gelegenheid geweest om schulduitsluitingsgronden aan te voeren. Bovendien hadden de rechterlijke instanties enige mate van strafrechtelijke aansprakelijkheid (schuld) vastgesteld: zo was meegewogen dat aan Salabiaku, voordat hij de grens over ging, uitdrukkelijk was gevraagd of hij de eigenaar was van de inhoud van de kist en was hij vooraf gewaarschuwd voor de mogelijke gevolgen als hij de kist over de grens bracht.
HR 11 oktober 1989, BNB 1990/87, r.o. 4.4.
In het arrest Salabiaku ging het ook niet om een geringe sanctie: het betrof een geldboete van 100.000 Franse Franken (omgerekend tegen de introductiekoers van de euro per 1-1-1999 ruim € 15.000). Ook Scheltens merkt in zijn noot bij het arrest (punt 5) op dat hij het beroep op de relatieve geringheid van de sanctie niet kan plaatsen in het licht van de rechtsregels uit het arrest Salabiaku.
Die kort gezegd inhoudt dat een toets moet plaatsvinden aan de alternatieve Engel-criteria, zie de paragrafen 3.5.2.2 en 3.5.2.3. Ook Pauwels acht de hoogte van de boete niet relevant voor de beoordeling van de fairness van de procedure, zie zijn noot bij HR 23 september 2011, FED 2012/94, punt 23.
HR 11 oktober 1989, BNB 1990/87, r.o. 4.5.
Of ook de vervolgende autoriteit dat moet doen, is niet duidelijk. Uit de arresten Passet en Västberga Taxi (waarover nader in paragraaf 9.3.2.2) leid ik af dat het EHRM voornamelijk toetst wat de rechter doet.
Idealiter zal de vervolgende autoriteit reeds enig onderzoek verrichten naar het antwoord op de vraag of er op zijn minst enige mate van verwijtbaarheid is. Ook als dat niet gebeurt, moet in ieder geval de rechter dat doen.
Zie ook paragraaf 9.4.1.2.
Zie Haas & Jansen 2009, par. 3, Koopman, Poelmann & Rosier 2008, p. 24, Feteris 2002, p. 385, Koopman 1996, p. 184 en p. 191 en Maathuis & Valkenburg 1995, par. 4.6. Zie ook reeds A-G Van Soest in zijn Conclusie bij HR 23 maart 1988, BNB 1988/274, par. 3.18 en Scheltens in zijn noot bij dat arrest.
EHRM 7 oktober 1988 (Salabiaku), nr. 10519/83, NJ 1991, 351, FED 1990/420, par. 27. Zie bijvoorbeeld Feteris 2002, p. 385 (die expliciet naar deze rechtsoverweging verwijst) en Maathuis & Valkenburg 1995, par. 4.6.
Zie over deze discussie nader paragraaf 9.3.2.2.2.
In het voorgaande is reeds aan de orde gekomen dat het niet in strijd is met art. 6 EVRM dat niet de rechter, maar de belastingadministratie in eerste instantie een oordeel over de schuldvraag velt, mits dat oordeel later maar kan worden onderworpen aan een rechterlijke toetsing waarbij de waarborgen van art. 6 EVRM (wél) gelden. Het is dus toegestaan dat de belastingadministratie de boete oplegt zonder tussenkomst van de rechter en dat het initiatief voor de rechterlijke toetsing van de schuldvraag bij de boeteling wordt gelegd.1
In de literatuur is in het verlengde hiervan wel verdedigd dat de onschuldpresumptie bij kleinere vergrijpen en lichtere boetes wat minder streng zou mogen worden toegepast.2 Dat zou betekenen dat de bewijslast (van het ontbreken van schuld) bij dergelijke vergrijpen effectief op de belastingplichtige zou mogen rusten. Het EHRM zou in bepaalde gevallen namelijk uitzonderingen toestaan op het uitgangspunt dat de vervolgende instantie het bewijs van de schuld moet leveren.
Naar mijn mening is dat echter niet juist. Het EHRM heeft weliswaar begrip voor de administratiefrechtelijke afdoening van grote aantallen relatief kleine vergrijpen (dat is efficiënt en het voorkomt overbelasting van de strafrechtspraak), maar het EHRM heeft niet gezegd dat de waarborgen van art. 6 EVRM in die gevallen mogen worden veronachtzaamd.3 Het EHRM heeft de oplegging door een bestuursorgaan immers goedgekeurd onder de voorwaarde dat de boeteling zijn zaak vervolgens aan een onafhankelijke rechter kan voorleggen, die de waarborgen van art. 6 EVRM (wel) garandeert. In mijn opvatting gaat het dan om alle waarborgen, dus ook om de onschuldpresumptie.
Een andere, hiervan te onderscheiden vraag is hoe de onschuldpresumptie zich verhoudt tot beboetbare feiten die volgens de delictsomschrijving helemaal geen schuld vereisen. Het beboetbaar stellen van dergelijke feiten is volgens het EHRM in beginsel toegestaan. Uit het arrest Salabiaku kan worden afgeleid dat delictsomschrijvingen die schuldneutraal zijn geformuleerd (en dus niet het bestanddeel opzet of (grove) schuld bevatten), niet reeds daarom onverbindend zijn.4 Naar mijn mening kan het klakkeloos toepassen van dergelijke schuldneutrale boetebepalingen echter wel degelijk in strijd komen met de onschuldpresumptie. In de zaak Salabiaku toetste het EHRM namelijk nadrukkelijk of de rechterlijke instanties het vermoeden van onschuld wel hadden laten prevaleren.5
De Hoge Raad heeft in 1989 op grond van het arrest Salabiaku geoordeeld dat ook Nederlandse fiscale bestuurlijke boetes die schuldneutraal zijn, niet reeds vanwege het ontbreken van opzet of (grove) schuld in de delictsomschrijving onverenigbaar zijn met art. 6 lid 2 EVRM.6 Wel achtte de Hoge Raad het daarbij relevant dat de boete in kwestie relatief gering was en bij AVAS kon worden kwijtgescholden. Het eerstgenoemde aspect heeft het EHRM in het arrest Salabiaku niet met zoveel woorden genoemd.7 Bovendien zou dat haaks staan op de (sinds het arrest Jussila weer eenduidige) vaste jurisprudentie van het EHRM.8
Ten aanzien van AVAS overwoog de Hoge Raad dat wanneer de boeteling zich daarop beroept, de bewijslast ter zake ook op hem rust.9 Ook dat laatste kan naar mijn mening niet als zodanig uit het arrest Salabiaku worden afgeleid. Wat naar mijn mening wél uit het arrest Salabiaku kan worden afgeleid, is dat in ieder geval10 de rechter zich ervan moeten vergewissen, dat er ten minste enige mate van verwijtbaarheid aanwezig is geweest. Dat komt erop neer dat moet worden vastgesteld dat er geen sprake is geweest van AVAS. Deze afwezigheid van AVAS zal voor de vervolgende autoriteit overigens relatief eenvoudig te bewijzen zijn (het is niet moeilijk te bedenken hoe de boeteling de fout zoal had kunnen voorkomen).11
Naar mijn mening mag de bewijslast door het gebruik van schuldneutrale wettelijke delictsomschrijvingen niet effectief worden verschoven van de boeteopleggende instantie naar de boeteling. Van de boeteling mag daarom wel worden gevraagd om zich ten minste te beroepen op AVAS, maar meer dan een stelplicht heeft hij niet. Door zich op AVAS te beroepen, komt de plicht tot het leveren van het positieve bewijs van ten minste enige schuld, die rust op de vervolgende autoriteit, tot leven. Als dat bewijs eenmaal is geleverd, maar de boeteling betwist dat hij schuld heeft, is het in het licht van de onschuldpresumptie echter niet bezwaarlijk om van die boeteling bewijs van het tegendeel te vragen. Het bewijs van het bestaan van enige verwijtbaarheid is dan immers al geleverd, zodat de bewijslast niet effectief wordt omgekeerd.12
In de literatuur wordt hier echter ook wel anders over gedacht. De andersluidende opvatting berust op de stelling dat de term ‘schuld’ uit art. 6 lid 2 EVRM louter betrekking heeft op het daderschap en niet op de verwijtbaarheid.13 Met het daderschap wordt dan bedoeld: het voldoen aan alle elementen van het beboetbare feit. Als er geen opzet of (grove) schuld in de delictsomschrijving staat, dan kan worden volstaan met het bewijs dat de objectieve gedraging is gepleegd. Daarmee is dan tevens de ‘schuld’ – in de zin van het daderschap – vastgesteld. Veelal wordt ter onderbouwing van deze opvatting gewezen op de uitleg van het begrip ‘schuld’ welke het EHRM daaraan in het arrest Salabiaku zou hebben gegeven.14 Hieruit zou dan volgen dat de onschuldpresumptie niets van doen heeft met de verwijtbaarheid.15