Einde inhoudsopgave
Open normen in het Europees consumentenrecht (R&P nr. CR4) 2011/7.2.1
7.2.1 De totstandkoming van de richtlijn
mr.drs. C.M.D.S. Pavillon, datum 31-08-2011
- Datum
31-08-2011
- Auteur
mr.drs. C.M.D.S. Pavillon
- JCDI
JCDI:ADS498487:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Strategie voor het consumentenbeleid 2002-2006, COM (2002) 208 def; PbEG 2002, C 137/2.
De richtlijn vormt niet de eerste poging een algemene oneerlijkheidsnorm op het terrein van de handelspraktijken in te voeren. In de eerste versies van de Richtlijn misleidende reclame, begin jaren tachtig, waren reeds regels gegeven omtrent de 'oneerlijke' reclame. Hiermee werd gedoeld op reclame waarin werd gediscrimineerd of misbruik werd gemaakt van angstgevoelens, het vertrouwen, de goedgelovigheid of de onkunde van de consument. De regels hebben de definitieve versie niet gehaald omdat de aan hun openheid inherente rechtsonzekerheid het bedrijfsleven te zeer zou benadelen. De beslissing om de oneerlijke reclame uit de richtlijn te laten is destijds toegejuicht door Slagter, die het verbod op oneerlijke reclame gelijkstelde aan de overschrijding van de grens tussen het juridische en het ethische ontoelaatbare. Hij meende dat reclame juist bedoeld is om de consument te overreden en dat een oneerlijkheidsnorm ook naar juridische normen (onrechtmatige daad, goede zeden) toelaatbare, doch verleidende reclame ten onrechte zou tegengaan: Slagter 1985, p. 17. Vergelijkbare bezwaren zijn gerezen tijdens de totstandkoming van de Richtlijn OHP en verklaren bijv. de slotzin van ov. 6 considerans ede onwettige beïnvloeding'). De garantie dat de grens nooit wordt overschreden is er echter niet: de nationale regels van smaak en fatsoen zijn weliswaar buiten het bereik van de richtlijn gehouden (ov. 7 considerans) maar de professionele toewijding is zo breed geformuleerd dat zij ruimte laat voor ethische gezichtspunten (par. 7.3.2). Zie over de ingewikkelde verhouding tussen 'misleiding' en `oneerlijkheid' in het licht van de Europese wetsgeschiedenis: Radeideh 2005, p. 269.
Commissie 2002, p. 17.
Commissie 2002, p. 17.
Collins 2004, p. 27-28.
409. De Richtlijn OHP is het resultaat van een lang politiek proces en maakt deel uit van de Strategie voor het consumentenbeleid 2002-2006, waarin de Commissie zich het bereiken van een hoog niveau van consumentenbescherming tot doel had gesteld. Op grond van een uitgebreide openbare raadpleging over de toekomst van het consumentenbeleid had de Commissie geconcludeerd dat verdere harmonisatie geboden was.1 Deze harmonisatie kon aan de hand van sectorspecifieke richtlijnen plaatsvinden of door middel van een gemengde aanpak waarin ook ruimte zou zijn voor een kaderrichtlijn inhoudende een algemene oneerlijkheidsnorm.2De Commissie stelde vast, dat de algemene voorkeur naar de tweede aanpak uitging en maakte meteen een eerste schets van de kaderrichtlijn.3 In 2003 verscheen de ontwerprichtlijn die door de Commissie uitgebreid werd toegelicht. De richtlijn zelf, kwam op 11 mei 2005 tot stand.
410. In haar eerste schets van de kaderrichtlijn stelde de Commissie dat de algemene oneerlijkheidsnorm nader moest worden uitgewerkt. De Commissie had destijds de volgende categorieën van oneerlijke praktijken voor ogen:
`2. Categorieën eerlijkheid/oneerlijkheid
De algemene clausule zou moeten worden ingevuld door middel van een groot aantal specifieke regels (de "categorieën eerlijkheid/oneerlijkheid") betreffende de verschillende stadia in het contact tussen bedrijf en consument. Om deze categorieën vast te leggen zal de Commissie de definities van het begrip eerlijkheid, die in de meeste rechtsstelsels van de lidstaten bekend zijn, bepalen. Een aantal gemeenschappelijke elementen kunnen zijn:
misleidende praktijken;
- het verzuimen essentiële informatie te verstrekken ("verplichting tot openbaarmaking'), met
inbegrip van beweringen, weglatingen en gedrag;
het gebruik van geweld, intimidatie, dwang of ongepaste beïnvloeding;
het verzuimen after-sale-klantenservice en effectieve klachtenbehandeling te bieden. ‘4
Sommige lidstaten vreesden echter dat het flexibele en algemene karakter van de oneerlijkheidsnorm door een te vergaande uitwerking zou worden aangetast.5 Daarom is in de uiteindelijke richtlijn een middenweg bewandeld: naast de algemene norm en een lijst met verboden praktijken, zijn drie open subnormen geformuleerd: de misleidende handeling, de misleidende omissie en de agressieve praktijk. Deze subnormen zijn nader geconcretiseerd door middel van gezichtspunten, voorbeelden van gedragingen, aspecten waarop de misleiding betrekking moet hebben en informatieplichten.