Morganatisch burgerschap
Einde inhoudsopgave
Morganatisch burgerschap 2019/8.1:8.1 Het fluctuerende karakter van burgerschap
Morganatisch burgerschap 2019/8.1
8.1 Het fluctuerende karakter van burgerschap
Documentgegevens:
mr. G. Karapetian, datum 16-12-2019
- Datum
16-12-2019
- Auteur
mr. G. Karapetian
- JCDI
JCDI:ADS181113:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het eerste thema betreft het fluctuerende bestaan van burgerschap. Burgerschap kent een tumultueus bestaan met in ieder geval twee eclipsen en twee wedergeboorten. Het ontstaan van deze notie kan worden getraceerd tot de zevende eeuw v.Chr. Een eerste aanwijzing voor het verschil in de behandeling van burgers en niet-burgers kan worden gevonden in de Draconische wetten die golden in Athene. Deze wetten hinten op een onderscheid tussen de positie van de Athener en die van de xenos, de vreemdeling. Een van de voornaamste redenen voor dit onderscheid, dat inherent is aan burgerschap, was dat de rechtsorde de burgers wilde belonen die zich inzetten voor haar wel en wee. De beloning kreeg vorm door het verschaffen van verschillende rechten waarop enkel de als burger gekwalificeerde persoon aanspraak kon maken. De aanspraken stonden wel in onlosmakelijk verband met de verplichtingen die uit hoofde van die hoedanigheid op hem rustten: pas indien hij zijn verplichtingen als burger nakwam, maakte hij ook aanspraak op de aan de kwalificatie van burger gekoppelde rechten. De rechtsverhouding die deze gang van zaken schiep tussen de burger – die in persoon optrad – en zijn rechtsorde, was derhalve wederkerig van aard. Aan beide zijden ontstonden zowel rechten als plichten. In dit onderzoek is de wederkerigheid een wezenlijk kenmerk gebleken van de rechtsverhouding tussen de burger en zijn rechtsorde. Onverlet de gemeenschappelijke kern die besloten ligt in elk type burgerschap, namelijk dat burgerschap de rechtsverhouding reguleert tussen de burger en zijn rechtsorde, kan de uitwerking van het burgerschapsbegrip evenwel verschillende vormen aannemen. De constitutionele vorm van de rechtsorde blijkt de oorzaak daarvan te zijn. Uit de oudheid kunnen het Atheense en Spartaanse burgerschap dit illustreren. Hoewel beide entiteiten gebruik maakten van de burgerschapsnotie, verschilde de vormgeving ervan in de rechtsordes van beide poleis aanzienlijk. Het Atheense burgerschap was in hoofdzaak gericht op de ontplooiing van de burger in bijvoorbeeld economische, politieke en sociale zin, terwijl het Spartaanse burgerschap veeleer gericht was op de militaire toewijding van de Spartaan. Dit verschil in uitwerking van burgerschap geldt evenzo voor andere burgerschapsbegrippen die ter sprake zijn gekomen in het proefschrift.
Deze rechtsverhouding van de burger tot zijn rechtsorde kenmerkt zich door een fluctuerend bestaan. De opkomst van het christendom en de christelijk- theologische literatuur hadden tot gevolg dat het burgerschapsdenken, waarin de verhouding tussen de burger en de aardse rechtsorde centraal stond, op de achtergrond geraakte. Het christelijk burgerschap gaat over de verhouding tussen de christen-burger en Gods Koninkrijk. Hoewel ook deze verhouding wederkerig kan worden genoemd, omdat zowel rechten als plichten zijn verbonden aan het christelijk burgerschap, kleeft er wel een bijzonderheid aan deze vorm van burgerschap. De rechten die eruit voortvloeien zijn namelijk in beginsel post mortem. Binnen het christelijke burgerschapsbegrip is het in beginsel pas in het hiernamaals waar wordt beoordeeld of de plichten in het aardse bestaan afdoende zijn nagekomen en of de aan burgerschap gekoppelde rechten geldend kunnen worden gemaakt. Van een co-existentie tussen het aardse burgerschap en het christelijke burgerschap is het in weerwil van daartoe ondernomen pogingen van christelijk theologen in beginsel niet gekomen. Vermoedelijk was de kloof met betrekking tot de uitgangspunten van beide typen burgerschappen hiervoor te groot. Naast het christendom en het christelijk burgerschap, heeft ook het feodalisme bijgedragen aan de terugtred van het aardse burgerschap. Binnen het feodalisme maakte de rechtsverhouding tussen de burger en zijn rechtsorde plaats voor een rechtsverhouding tussen de leenman en zijn leenheer. Overigens was ook deze verhouding wederkerig van aard, omdat als uitgangspunt rechten konden worden verkregen door de leenman indien hij zich kweet van zijn verplichtingen jegens de leenheer.
Tot in de jaren van de Renaissance heeft het aardse burgerschapsbegrip als gevolg van de geschetste ontwikkelingen een slapend bestaan geleid. Het waren de gedachtewisselingen in humanistische kringen die met het herontdekken van geschriften uit de klassieke oudheid de rechtsverhouding van de burger tot zijn (aardse) rechtsorde herintroduceerden. Prominente auteurs uit de Middeleeuwen besteedden expliciete – en soms impliciete – aandacht aan de aard van deze rechtsverhouding. In de verhandelingen van onder meer Bartolus, Baldus, Guicciardini en Machiavelli is er continuïteit in het burgerschapsdenken te bemerken, zoals dit aan de orde was in de klassieke oudheid. De wijze waarop deze auteurs het begrip invulden en de essentiële karakteristieken die zij daarbij materialiseerden, vertoonden veel overeenkomsten met de contouren van het begrip uit de klassieke oudheid. Zo betrof het burgerschapsbegrip volgens deze auteurs een rechtsverhouding tussen de burger en zijn (aardse) rechtsorde die een wederkerig karakter heeft. Bartolus presenteerde burgerschap als een verhouding tussen twee partijen, zijnde de wereldse rechtsorde en de burger. In het verlengde hiervan benadrukte Baldus dat burgerschap een wederzijdse betrekking is tussen de burger en zijn aardse rechtsorde die rechten en plichten met zich brengt.
Een nieuwe bijkomstigheid in het denken over burgerschap in de Middeleeuwen is wel dat in verschillende geschriften voorzichtig wordt gerept van de indirecte zeggenschap van de burger. De opmerkingen wijzen in de richting van de burger die niet (meer) direct, maar door middel van een representant betrokken kan zijn bij beslissingen die worden genomen in de rechtsorde. Deze gedachte wordt met name bij de tweede wedergeboorte van het burgerschapsbegrip, de Franse Revolutie, uitgewerkt en in de praktijk gebracht. Na de Renaissance zorgde het opkomend absolutisme namelijk ervoor dat het burgerschapsbegrip een terugval meemaakte. De sterke centralisatie binnen de staat had tot gevolg dat de rechtsverhouding tussen de burger en zijn rechtsorde buiten beeld raakte. Het was gedurende de jaren van de Franse Revolutie dat het zelfstandig naamwoord citoyen wederom een eretitel werd.
Gedurende de Franse Revolutie deed de gedachte opgeld dat een van de wezenlijke karakteristieken van burgerschap is dat de burger gebonden is aan het recht omdat hij als gevolg van zijn betrokkenheid bij de totstandkoming ervan de bezitter is van dat recht. Deze verzoening van de begrippen soevereiniteit – de bron van het objectieve recht – en burgerschap – de aanwijzing van de bron van het objectieve recht – kon worden bewerkstelligd door middel van de politieke representatie van de burger. Het kiesrecht vormde daartoe het vehikel. Burgers konden door middel van het kiesrecht hun politieke representant voordragen die namens hen beslissingen zou nemen waaraan zij zich gebonden achtten. Gelet op het belang van de schakel van de representatie, verwondert het niet dat stevig gediscussieerd werd over het karakter van het mandaat: diende het mandaat van de burger gebonden of vrij te zijn? Tussen Rousseau en Sieyès ontstond in de beantwoording van deze vraag een fundamenteel verschil van mening. Rousseau achtte een gebonden mandaat noodzakelijk voor een constitutioneel bestel met politieke representatie. Anders dan Sieyès, evenwel, die politieke representatie met een vrij mandaat van de burger voor ogen had. Indien de gekozene gebonden is aan de particuliere wil van de burger, dan kan hij de algemene wil niet vaststellen, was de gedachtegang van Sieyès. Volgens Sieyès kan de algemene wil van alle burgers pas worden vastgesteld indien de deelbelangen van de burgers worden geëlimineerd. In de jaren na de Franse Revolutie worden de aangedragen constitutionele argumenten bediscussieerd, waarbij aandacht wordt besteed aan de implicaties en de mogelijke uitwerking van politieke representatie. Constant was de opvatting toegedaan dat politieke representatie aan de basis staat van de individuele vrijheid van iedere burger waarbinnen hij zich kan ontplooien. De reden daarvoor is dat de burger binnen een dergelijk politiek bestel niet zelf de beslissingen behoeft te nemen in het politieke domein. De representant doet dat namens hem. Een conclusie die hieruit kan worden getrokken is dat, waar in de klassieke oudheid burgerschap per definitie actief van aard was, de Franse Revolutie daarin verandering bracht. In de nasleep ervan ontstond in verschillende constitutionele bestellen dan ook een onderscheid tussen verschillende typen burgers. In Frankrijk werd het onderscheid tussen een citoyen actif en een citoyen passif relevant. In de Nederlanden werd een vergelijkbaar onderscheid gemaakt tussen stemgerechtigde burgers en burgers.
Het voorgaande illustreert dat burgerschap een ingewikkelde ontwikkeling heeft gekend. Het is ontstaan als instrument om actieve burgers in de samenleving te belonen voor hun weldaden. Het bleek echter niet aantrekkelijk of sterk genoeg om verschillende ontwikkelingen verspreid over meer tijdvakken het hoofd te bieden, als gevolg waarvan het somtijds verdrongen raakte. Het christendom, het feodalisme en het absolutisme waren daar bijvoorbeeld debet aan. In weerwil van deze ontwikkelingen bleef de kern van dit begrip echter fier overeind. Burgerschap strekt vandaag de dag nog steeds ertoe, evenals in de klassieke oudheid, de rechtsverhouding te reguleren tussen de burger en zijn rechtsorde. Onverlet het gemeenschappelijke wezen van burgerschap, bestaan verschillen in de wijze waarop de rechtsverhouding in de kern wordt vormgegeven. De constitutionele structuur van de rechtsorde die het burgerschap verschaft, biedt daarvoor het kader. Deze gedachte kan tevens worden gevonden in de eerste theoretisering van burgerschap in de werken van Aristoteles. Daar verdedigt hij namelijk het standpunt dat de constitutionele structuur van de polis beslissend is bij de uitwerking van de notie burgerschap.
De toevoeging van politieke representatie aan de notie van burgerschap vormt een essentiële gedaanteverwisseling in het denken over burgerschap. Actieve inzet ten behoeve van de samenleving is thans geen noodzakelijke voorwaarde teneinde aanspraak te kunnen maken op de verschillende rechten die gekoppeld zijn aan burgerschap. Dit heeft gevolgen voor de politieke participatie van de burger. Enkele vragen die raken aan dit concept, doch buiten het bestek van dit onderzoek vallen, verdienen toch de aandacht. Op het moment dat burgers door middel van het kiesrecht de representant kunnen mandateren om namens hen beslissingen te nemen in het (mede)wetgevend orgaan, blijken velen gezien de lage opkomstpercentages bij verkiezingen verstek te laten gaan. Deze ontwikkelingen doen de vraag rijzen waar het burgerschapsbegrip in de eenentwintigste eeuw zich bevindt. Is het begrip zijn fluctuerende ontwikkeling getrouw opnieuw in de vergetelheid geraakt? Is het onderweg naar een eclips? Deze en vergelijkbare vragen verdienen nader onderzoek om inzicht te krijgen in de ontwikkeling van dit begrip als gevolg van bijvoorbeeld nieuwe technologische uitvindingen. Hoewel de concrete uitwerking van deze en vergelijkbare vragen tegen het decor van de huidige maatschappelijke en temporele context zal moeten plaatsvinden, hebben de vragen die zich thans voordoen aangaande burgerschap een gemeenschappelijke kern met de burgerschapsvraagstukken die speelden in de klassieke oudheid bij het ontstaan van het burgerschapsbegrip, en de twee wedergeboorten in de Renaissance en de Franse Revolutie. Het burgerschapsdenken kenmerkt zich met betrekking tot zijn normatieve kader door continuïteit en elementen van vernieuwing, zoals de eerder gememoreerde toevoeging van politieke representatie. Die continuïteit uit zich in de aard van de vragen die zich steeds opnieuw aandienen. Het gaat om vragen als: hoe ver strekt burgerschap en hoe dient de rechtsverhouding tussen de burger en zijn rechtsorde te worden vormgegeven; op welke wijze kunnen burgers worden betrokken in het politieke domein; welke rechten en plichten dienen te worden gekoppeld aan het burgerschapsbegrip; op welke wijze dient de politieke representatie van de burger te worden vormgegeven in samenlevingen waar algoritmes op verschillende gebieden terrein winnen? In dit proefschrift is aan de hand van concrete historische en juridische voorbeelden de continuïteit in het burgerschapsdenken inzichtelijk gemaakt. De discussies over het Edict van Caracalla in 212, zoals besproken in Hoofdstuk II, bij het uitbreiden van het Franse burgerschap in 1946 naar de zogenoemde Térritoires d’outre-mer (TOM) zoals beschreven in Hoofdstuk VI vormen hier een voorbeeld van. In zijn Discorsi stelt Machiavelli dan ook treffend: “Zij, die onderzoeken, wat vroeger is geschied en thans gebeurt, bevinden, dat dezelfde passies en dezelfde bewegingen altijd hebben geheerscht in alle gemeenebesten en bij alle volken.”