Het voorlopig getuigenverhoor
Einde inhoudsopgave
Het voorlopig getuigenverhoor (BPP nr. XVII) 2015/340:340 Beroep op een uitzondering op een hoofdregel
Het voorlopig getuigenverhoor (BPP nr. XVII) 2015/340
340 Beroep op een uitzondering op een hoofdregel
Documentgegevens:
Mr. E.F. Groot, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. E.F. Groot
- JCDI
JCDI:ADS452251:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Bewijs
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Hof ’s-Gravenhage 28 oktober 2004, ECLI:NL:GHSGR:2004:AR6689, NJF 2004, 587.
De verzoeker had voldoende belang bij zijn verzoek. Zijn vordering was niet juridisch kansloos, omdat hij een onderbouwd beroep op de uitzondering op de hoofdregel deed.
Hof ’s-Hertogenbosch 11 maart 2009, ECLI:NL:GHSHE:2009:BH5976. Het hof volgde niet het oordeel van de rechtbank dat de verzoeker onvoldoende belang bij zijn verzoek had en meende dat de verzoeker bovendien geen misbruik van bevoegdheid maakte. Een duidelijk belangenafweging maakte het hof echter niet.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Als de verzoeker een beroep doet op een uitzondering op een hoofdregel en voldoende belang heeft bij zijn verzoek (zie par. 7.5.2.3), terwijl de feiten die ten grondslag liggen aan de beoordeling van de uitzondering tussen partijen in discussie zijn, dan zal de factor van een zwakke vordering in de hoofdzaak doorgaans niet zwaar wegen. De verzoeker heeft in dat geval juist een zwaarwegend belang bij het vaststellen van de feiten. In een zaak waarin de Staat aansprakelijk werd gesteld, voerde de Staat aan dat de verzoeker een zwakke vordering in de hoofdzaak zou hebben, omdat de hoofdregel is dat de Staat niet aansprakelijk is voor het optreden van Nederlandse militairen die onder command and control van de VN staan.1 Daarbij waren er volgens de Staat al veel onderzoeken gedaan naar de ‘Val van Srebrenica’ en moest de procedure niet nodeloos omslachtig en kostbaar worden ingericht. Het hof laat hier echter zwaar wegen dat de verzoeker een beroep op de uitzondering deed en het voorlopig getuigenverhoor deels was gericht juist op het vaststellen dat een dergelijke uitzondering zich voordeed.2 In een vergelijkbare zaak wilde een (indirect) aandeelhouder de bestuurders en/of commissarissen van de vennootschap aansprakelijk stellen.3 Volgens het hof kon niet op voorhand worden geoordeeld dat de materieelrechtelijke rechtspositie van de aandeelhouder zo zwak was, dat “reeds daarom” een voorlopig getuigenverhoor achterwege diende te blijven. Als sprake was van opzettelijke of bewust roekeloze schendingen van statutaire verplichtingen en/of ander ernstig verwijtbaar zorgvuldig handelen door de bestuurders en/of commissarissen (hetgeen de verzoeker met het voorlopig getuigenverhoor wilde onderzoeken), dan viel toewijzing van de vordering in de hoofdzaak niet uit te sluiten.